Accountant jaar lang geschrapt wegens het bewust doen van onjuiste aangiften omzetbelasting

Accountantskamer 21 maart 2016, ECLI:NL:TACAKN:2016:24 Betrokkene is als registeraccountant ingeschreven in het NIVRA-register, thans als accountant in business. Betrokkene is middellijk aandeelhouder en bestuurder van de vennootschappen A Management NV en B Management Onderwijs BV, die beide zijn gevestigd te plaats. Medio 2014 heeft de belastingdienst een fiscaal (boeken)onderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting van Management NV over de jaren 2009 tot en met 2011. Het onderzoek is aangevangen op 17 juli 2014.

Tijdens het inleidend gesprek met de controlemedewerkers heeft betrokkene volgens een door een van de medewerkers vervaardigd verslag van dat gesprek op de vraag of de administratie aansluit bij de bedrijfsvoering verklaard:

“vanaf 2012 wel. Daarvoor was het rommelig; mede dankzij een eerdere controle van ons -welke was aangevangen in 2005, en geëindigd met een fiscaal advocaat in 2008. Vanwege de hoge aanslagen en boeten is betrokkene hier wel even beduusd van geweest, meldde hij. Het kan daarom zijn dat 2008 en 2009 een rommeltje is geweest en dat daaruit hoge btw suppleties zijn ontstaan. Hij wil compliant zijn, e.e.a. graag betalen, maar wil e.e.a. goed uitzoeken (…). Als hij daarvoor de kans krijgt, wil hij graag het achterstallig onderhoud aan de belastingdienst betalen. Vanaf het boekjaar 2012 is hij naar eigen zeggen -als gevolg van het werk van de administrateur- geheel bij.”

en op de vraag naar de hoge suppleties en balansposten aan af te dragen omzetbelasting:

“zoals eerder gezegd is het in die jaren een rommeltje geweest. Het kan volgens de ondernemer heeft goed zijn dat er dus nog belasting betaald moet worden. Hij wil dit goed uitzoeken (…). Hij wil graag betalen, hij wil compliant zijn. daarom heeft hij ook de OB-schulden op de balans laten zien zegt hij.”

waarna een vervolgafspraak is gemaakt voor 24 september 2014 en betrokkene heeft toegezegd nader onderzoek te doen en informatie over te leggen.

Bij brief van 20 augustus 2014 heeft betrokkene aan de belastingdienst nadere informatie verstrekt en daarbij opgemerkt (voor zover hier van belang):

“Intern hebben de administrateur en ik de BTW aangiften over de jaren 2009 tot en met 2013 gecontroleerd (…).

Wij zijn tot de conclusie gekomen dat er over de jaren 2009 tot en met 2013 suppletie aangiften BTW dienen te worden ingediend.

Bijgaand ontvangt u 5 bijlagen waarin voor ieder jaar is aangegeven wat de juiste aangifte BTW had moeten zijn. (…)

Het betreft niet zozeer een correctie van de totale omvang van de door onze onderneming te betalen BTW, doch wel een verschuiving in de tijd. Wij zijn intern tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van bepaalde prestaties eerder BTW op aangifte voldaan had moeten worden. (…)

Bijlagen: 5* suppletieaangiften (2009, 2010, 2011, 2011 en 2013)”

Volgens de suppletieaangiften dient Management NV over de jaren 2009 tot en met 2013 dus nog € 211.055 aan omzetbelasting af te dragen.

Bij een bespreking tussen de controlemedewerkers en betrokkene op 24 september 2014 heeft de belastingdienst toegezegd dat de hiervóór weergegeven berekeningen van nog af te dragen omzetbelasting als uitgangspunt zullen dienen bij het opleggen van naheffingsaanslagen omzetbelasting ten name van Management NV. In het gesprek kwam voorts aan de orde (voor zover hier van belang):

“Betrokkene geeft aan dat hij niks te verbergen heeft en stelt dat de suppleties volgens hem zijn ontstaan uit het gedoe van de afgelopen jaren waarin hij heeft moeten vechten voor het bestaansrecht van Management NV en dat hij derhalve veel momenten van liquiditeitsgebrek heeft gekend.”

Aan Management N.V. zijn daarna naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Op 24 oktober 2014 zijn de resultaten van het boekenonderzoek ingebracht in het zogeheten tripartite overleg; begin 2015 is een strafrechtelijk onderzoek aangevangen naar het vermoedelijk indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting van de vennootschappen en de betrokkenheid daarbij van betrokkene. Op 2 maart 2015 is het kantoor van de vennootschappen doorzocht. Op diezelfde dag is betrokkene aangehouden. Nadien zijn ook suppletieaangiften voor Onderwijs B.V. ingediend (volgens die aangiften gaat het bij Onderwijs BV om een nog af te dragen bedrag van € 94.307) en naheffingsaanslagen aan deze vennootschap opgelegd.

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is betrokkene gehoord. Hij heeft onder meer als volgt verklaard over de wijze van factureren en het toerekenen aan het boekjaar alsmede het doen van aangifte:

“Wij verkopen licenties en voor een deel van de omzet geldt dat wij vooruit factureren. Dat factureren wij in november. De klant krijgt dan een licentie-sleutel zodat zij de software kunnen gebruiken. De omzet voor de omzetbelasting is toe te rekenen aan het jaar van factureren en werd pas in het jaar daarop volgend tot de omzet voor de winstbelasting gerekend. Daar is toen met de fiscus over gesproken.”

en:

“We hebben het niet goed gedaan. (…)  Het is na 2009 verkeerd gegaan door onder andere wisseling van kasstelsel naar factuurstelsel en vanwege andere zaken.”

en:

“Ik doe meestal de aangiften omzetbelasting maar niet altijd. Mijn naam staat er wel onder. (…) Ik kan niet zeggen hoeveel keer de aangifte door anderen is gedaan, meestal wel door mij.”

“Ik ben wel verantwoordelijk. (…)  De administrateur is ook verantwoordelijk maar ik doe alle aangiften.

en voorts over liquiditeitsproblemen en de openstaande schuld:

“De schuld stond op de balans als te betalen post. Dat was de omzetbelasting over de vorige periode. Dat stond ook allemaal in de administratie. Dat is uiteindelijk ook aangegeven. Alle jaren zijn op dezelfde manier gegaan.”

“We waren ons bewust dat de omzetbelastingschuld er was.”

“Ik heb geprobeerd het bedrijfspand te verkopen omdat daar een stille reserve in zit, dat was ongeveer april 2014 en ik zo wat meer liquiditeit zou krijgen. Ik denk dat er ongeveer € 400.000 stille reserve in zit. Als me dat was gelukt dan was er genoeg liquiditeit om de belastingschulden te betalen en ook de bank.”

“Ik was wanhopig ik moest de zaak doen er waren zo veel problemen. De problemen hadden betrekking op een dreigend faillissement en crediteuren die niet betaald konden worden.”

“We hebben altijd liquiditeitsdruk, ik hou dat ook heel erg bij.”

In een e-mailbericht van betrokkene aan de administrateur van de vennootschappen (tevens zakelijk partner van betrokkene) van 4 december 2011 is (voor zover hier van belang) opgenomen:

“voornaam, de aangiftes doe ik in samenhang met de liquiditeit om de juiste datum van betaling te kiezen. Ik beheers dat inmiddels wel. Ik stel voor dat ik dat nog even blijf doen.”

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is ook de administrateur van de vennootschappen aangemerkt als verdachte en als zodanig gehoord. Hij heeft onder meer verklaard:

“Onze financiële positie is lastig op dit moment. Ik kan zeggen dat deze financiële positie al lastig is vanaf ongeveer 2011. Dat is ook in de resultaten van Management NV te zien. Ik weet niet of Management NV het had gered wanneer we de aangiften OB hadden gedaan zoals we het hadden moeten doen. Met andere woorden hadden we aangiften gedaan, inclusief de later ingediende suppletie aangiften, dan had de onderneming in zwaar weer gezeten. Ik kan u zeggen dat ik voor de belastingcontrole de wetenschap heb gehad dat er met de omzetbelasting is geschoven binnen Management NV. Dit om een liquiditeitsprobleem te voorkomen. Ik wist dus dat er met de OB werd geschoven naar bijvoorbeeld een later kwartaal. Ik weet dat dit met betrokkene is besproken. (…)   Omdat het toen was besproken kon ik er ook vanuit gaan dat dit niet 1 maal zou gebeuren, maar dat dit ook daarna nog vaker zou gebeuren. (..)  Ik kan u zeggen dat we, toen de Belastingdienst aankondigde een controle in te stellen, wisten waar de pijn zat. Betrokkene heeft dit ook direct met me besproken. Het ging dan ook over de vooruitgeschoven onbetaalde belastingen.”

en:

“dat is nu eenmaal de afspraak die ik heb met betrokkene. Hij verzorgd de aangiften omzetbelasting (…).”

“Ik heb wel wetenschap gehad van het verschuiven, maar ik heb nooit de intentie gehad om de belastingen te ontduiken.”

“Zoals ik al eerder heb verklaard ben ik op de hoogte van het verschuiven van de omzetbelasting met de intentie om de belastingschuld ten alle tijd te voldoen. Het verschuiven van de omzetbelasting, het aantal malen verschuiven en de hoogte van het bedrag alsmede het opmaken van de belastingaangiften was betrokkene zijn taak.”

“Vanuit die intentie was het ook de bedoeling om alles binnen één jaar te betalen. Zoals uit de suppletieaangiften blijkt is dat niet gelukt.”

en over Onderwijs BV:

“Uit de controle kwam naar voren dat er suppletie aangiften verricht moesten worden waarbij met namen voor het jaar 2011 een fors bedrag aangegeven diende te worden. (…)In 2010 was er volgens mijn berekening € 14.000 te weinig omzetbelasting aangegeven en afgedragen. In 2011 was dat € 64.000 en in 2012 is er € 12.000 te veel betaald en in 2013 is € 1.500 te weinig afgedragen. (…) Nee, in mijn beleving is er niet geschoven maar is er onvoldoende aangegeven.”

De klacht

Betrokkene wordt verweten dat hij in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels door het voor Management NV en Onderwijs BV over een reeks van jaren indienen van opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting. Voor Management NV gaat het om de aangiften over de tijdvakken derde kwartaal 2009 tot en met vierde kwartaal 2012, voor Onderwijs BV gaat het om de aangiften over de tijdvakken derde kwartaal 2009 tot en met vierde kwartaal 2011.

De klacht behelst niet, zoals namens klager ter zitting desgevraagd is bevestigd, dat betrokkene niet of niet tijdig suppletieaangiften (wat er verder ook zij van de status van de als zodanig omschreven geschriften) heeft gedaan.

De gronden van de beslissing

Op grond van artikel 33 Wet op de Registeraccountants en sinds 1 januari 2013 op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep is de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen onderscheidenlijk ten aanzien van zijn beroepsuitoefening onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens de Wet RA respectievelijk Wab bepaalde en ter zake van enig ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft, moet, voor zover dit plaats had in de periode tot 4 januari 2014 worden getoetst aan de in die periode geldende Verordening gedragscode (RA’s) en daarvan in dit geval het (voor alle accountants geldende) deel A en het (voor accountants in business geldende) deel C, en, voor zover dit plaatshad ná 4 januari 2014, aan de sindsdien geldende Verordening gedrags- en beroepsregels accountants.

Daarbij stelt de Accountantskamer voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klager is om feiten en omstandigheden te stellen en - in geval van (gemotiveerde) betwisting - aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Vast staat dat over de vermelde perioden voor beide vennootschappen steeds onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan, steeds resulterend in te lage bedragen aan af te dragen omzetbelasting. Tussen partijen is in geschil of dat opzettelijk is gebeurd. De Accountantskamer stelt vast dat die te lage aangiften in (nagenoeg) alle gevallen (grotendeels) zijn veroorzaakt door te laag aangegeven omzetten. Deze aangiften zijn ingediend door betrokkene als bestuurder van de vennootschappen: door hem persoonlijk, dan wel in zijn opdracht door een ondergeschikte. In de jaarrekeningen van de vennootschappen en in de aangiften vennootschapsbelasting is - zo begrijpt de Accountantskamer - uitgegaan van de daadwerkelijk gerealiseerde omzetten. Vandaar dat er verschillen optreden tussen de voor de omzetbelasting verantwoorde omzetten en de voor de vennootschapsbelasting en in de jaarrekeningen verantwoorde (hogere) omzetten. Voor deze verschillen is in de jaarrekeningen een balanspost ‘te betalen omzetbelasting’ opgenomen.

Betrokkene is zich altijd ervan bewust geweest dat hij onjuiste (want: te lage) aangiften omzetbelasting deed. Hij heeft ervoor gekozen om te lage aangiften in te dienen, kennelijk vanwege liquiditeitsproblemen binnen de vennootschappen. Dit blijkt zowel uit zijn eigen verklaringen bij de FIOD, als uit die van de administrateur. Niet uit eigener beweging, maar eerst na de start van een boekenonderzoek (dat gericht was, zo wist betrokkene ook, op de oorzaak en afwikkeling van de balanspost ‘te betalen omzetbelasting’ zoals vermeld in de aangiften vennootschapsbelasting) heeft betrokkene opening van zaken gegeven. Pas toen heeft hij de belastingdienst de op de omzet van Management N.V. betrekking hebbende informatie (middels suppletieaangiften) verstrekt op basis waarvan de naheffingsaanslagen konden worden opgelegd.

Betrokkene stelt, en wordt daarin door klager niet of in ieder geval onvoldoende weersproken, dat hij nooit de intentie heeft gehad om de werkelijke omzet permanent buiten de aangiften te houden. Hij wordt daarin bijgevallen door de administrateur. Deze intentie blijkt ook uit het opnemen van genoemde balanspost, die de Belastingdienst uiteindelijk ook op het spoor heeft gezet van de te lage aangiften. Alsdan is er sprake van het verschuiven van omzet naar een later jaar (ook wel ‘slepen’ genoemd). De enkele omstandigheid dat bedoelde passiefpost (als gevolg van een wijzing in het boekhoudsysteem, zo heeft betrokkene ter zitting toegelicht) in navolgende jaren op verschillende wijze gerubriceerd is, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan klager, acht de Accountantskamer wel degelijk van belang dat betrokkene de intentie had om de omzetbelasting (zij het te laat) op enig moment te betalen, en niet de intentie had om dit deel van de omzet geheel buiten de administratie te houden.

Een deel van het verschuiven is bewerkstelligd door het (althans, voor de omzetbelasting) doen van aangiften op kasbasis in plaats van factuurbasis. De verschuldigde omzetbelasting wordt eerst afgedragen nadat deze daadwerkelijk is ontvangen, en niet al zodra deze in rekening is gebracht bij de afnemer (op de factuur). Betrokkene stelt, en hij wordt daarin niet weersproken door klager, dat hij van aanvang af de belastingdienst heeft geïnformeerd over deze werkwijze. Eind 2008 heeft hij nog wel een controlerapport ontvangen waarin de belastingdienst het standpunt heeft ingenomen dat het kasstelsel niet kon worden toegepast, maar dat heeft verder geen gevolgen gehad (bijvoorbeeld in de vorm van een naheffingsaanslag omzetbelasting).

Voor zover de te lage aangiften omzetbelasting (en de daarmee samenhangende balansposten) voortvloeien uit de toepassing van het kasstelsel kan betrokkene daarvan geen (tuchtrechtelijk) verwijt worden gemaakt. Immers, doordat de belastingdienst geen gevolg gaf aan de in 2008 uitgevoerde controle kon hij menen dat in dat opzicht sprake was van een pleitbaar standpunt.

Echter, de te lage aangiften omzetbelasting zijn niet alleen veroorzaakt door de toepassing van het kasstelsel. Immers, in dat geval zou telkens een correctie worden toegepast in het daarop volgende jaar waarin de gefactureerde bedragen worden ontvangen. Dan wordt een te lage aangifte in enig jaar (door de verschuiving van een deel van de omzet naar een volgend jaar) grotendeels gecompenseerd door het alsnog in aanmerking nemen van een in het vorig jaar naar een volgend jaar verschoven omzet. Gelet op de gestage toename in de loop der jaren van de passiefpost ‘te betalen omzetbelasting’ werden de te lage aangiften niet alléén veroorzaakt door het toepassen van het kasstelsel, maar tevens door het structureel te laag aangeven van omzet. Dit vindt bevestiging in de verklaring van de administrateur: “Nee, in mijn beleving is er niet geschoven maar is er onvoldoende aangegeven”.

Op grond van het voorgaande acht de Accountantskamer aannemelijk geworden dat betrokkene over een reeks van jaren bewust te lage aangiften omzetbelasting heeft gedaan, teneinde daarvan liquiditeitsvoordeel te genieten. De verschuldigde omzetbelasting behoefde op deze wijze zodra de desbetreffende omzet alsnog in een aangifte was verwerkt, pas op een later moment te worden afgedragen aan de belastingdienst, die daarmee onbedoeld en onbewust als externe financier werd gebruikt. Uit de verklaringen van betrokkene en de administrateur blijkt dat betrokkene zich daar zeer wel van bewust was, en daar ook bewust op aanstuurde.

Betrokkene heeft aldus in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen "integriteit" en "professioneel gedrag" als bedoeld in artikel A-100.4 onder a. en e. en nader uitgewerkt in de hoofdstukken A-110 en A-150 van de VGC. De klacht moet dan ook gegrond worden verklaard.

Nu de klacht gegrond moet worden verklaard, kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. Bij de beslissing daaromtrent houdt de Accountantskamer rekening met de aard en de ernst van de vergrijpen van betrokkene en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan. Aldus wordt in aanmerking genomen dat betrokkene gedurende een reeks van jaren bewust verkeerde aangiften omzetbelasting heeft gedaan waarbij het gaat om,zowel absoluut als relatief, aanzienlijke bedragen. Anderzijds is meegewogen de intentie van betrokkene om op enig moment de verschuldigde bedragen alsnog te betalen, zoals blijkt uit het opnemen in de jaarrekeningen van een passiefpost terzake. Deze balanspost was de directe aanleiding voor de belastingdienst voor de ingestelde controle. De Accountantskamer houdt er voorts rekening mee dat betrokkene niet vrijwillig de fouten heeft gecorrigeerd, maar pas na de start van het boekenonderzoek in augustus 2014 en voor Onderwijs B.V. zelfs pas na de doorzoeking van het kantoor van de vennootschappen en zijn aanhouding in maart 2015.

De schending van eerdergenoemde fundamentele beginselen"integriteit" en "professioneel gedrag" is zodanig ernstig dat de Accountantskamer in deze klachtzaak, alles overziende,passend en geboden achtde maatregel als bedoeld in artikel 2, onder e. Wtra, te weten:doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers, onder bepaling van de termijn dat betrokkene niet opnieuw kan worden ingeschreven op de duur van één jaar.

Beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt ter zake aan betrokkene op de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers, zoals bedoeld in artikel 2, onder e. Wtra, welke maatregel ingaat op de tweede dag volgend op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden èn de voorzitter van de Accountantskamer een last tot tenuitvoerlegging heeft uitgevaardigd;
  • bepaalt de termijn waarbinnen betrokkene niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven op 1 jaar;
  • verstaat dat de AFM en de voorzitter van de Nba na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
  • verstaat dat betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,- aan klager zal vergoeden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF