ABvRS: Bibob-advies

Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 9 mei 2012, LJN BW5279

Bibob-advies ook betrekken bij besluit dat betrekking heeft op een ander, maar bestuursorgaan moet zich wel ervan vergewissen dat het advies in afdoende mate tevens is toegesneden op die andere persoon. Uitleg art. 33 lid 2 van de Wet bibob: begrip belanghebbenden. De tekst van art. 3, lid 4, aanhef en onder c, van de Wet bibob noopt niet tot het oordeel dat slechts kan worden gesproken van leiding geven onderscheidenlijk zeggenschap hebben indien personen formeel bestuurder onderscheidenlijk aandeelhouder zijn. Uitgebreide overwegingen inzake beweerdelijke schending van art. 6 EVRM.

Afwijzend besluit op aanvraag om afgifte van een exploitatievergunning ten behoeve van een horecabedrijf, intrekking van krachtens de Drank- en Horecawet verleende vergunning en bestuursdwangaanschrijving om de exploitatie van dat bedrijf te beëindigen.

Ingevolge art. 29 van de Wet bibob kan een bestuursorgaan een advies van het Bureau gedurende twee jaren gebruiken in verband met andere besluiten. De tekst van dit artikel geeft geen aanleiding voor het oordeel dat een advies niet mag worden betrokken bij een besluit dat betrekking heeft op een ander dan degene waarover het advies is uitgebracht. Het amendement (Kamerstukken II 2001/02, 26 883, nr. 41) dat heeft geleid tot de tekst van het huidige art. 29 geeft daartoe evenmin aanleiding. Dit laat niettemin onverlet dat het bestuursorgaan zich ervan zal moeten vergewissen dat het advies in afdoende mate tevens is toegesneden op die andere persoon.  

In art. 33, lid 2 van de Wet bibob wordt buiten twijfel gesteld dat in een op grond van een advies van het Bureau genomen beschikking genoemde personen belanghebbenden zijn als bedoeld in art. 4:8 Awb, zodat zij voorafgaand aan het nemen van het besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld hun zienswijze in te dienen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 5, blz. 79) is hiermee beoogd mogelijk te maken dat in het besluit genoemde personen, ook indien zij bij dat besluit geen belanghebbende zijn als bedoeld in art. 1:2 Awb, hun standpunt kenbaar kunnen maken over op hen betrekking hebbende persoonsgegevens die in het besluit zijn opgenomen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming is de reden hiervoor dat die persoonsgegevens de desbetreffende personen in een ongunstig daglicht kunnen stellen.

De tekst van art. 3, lid 4, aanhef en onder c, van de Wet bibob noopt niet tot het oordeel dat slechts kan worden gesproken van leiding geven onderscheidenlijk zeggenschap hebben indien personen formeel bestuurder onderscheidenlijk aandeelhouder zijn. Ook van personen die formeel geen bestuurder of aandeelhouder zijn, maar waarvan feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat zij feitelijk nauw bij de onderneming zijn betrokken, kan onder omstandigheden worden gezegd dat zij leiding geven aan dan wel zeggenschap hebben over die onderneming. 

In het arrest van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07, heeft het EHRM overwogen dat de reikwijdte van art. 6, lid 2 EVRM zich kan uitbreiden tot een bestuursrechtelijke procedure, indien er een zodanige band bestaat tussen die procedure en een parallel daarmee plaats hebbende strafrechtelijke procedure dat de bestuursrechtelijke procedure in feite leidt tot een vaststelling omtrent de schuld van betrokkenen, terwijl die niet onherroepelijk in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan.

Evenals in Hrdalo naar het oordeel van het EHRM het geval was, vindt in de thans voorliggende zaak echter met de besluiten van de burgemeester en het dagelijks bestuur geen vaststelling van schuld plaats en wordt van die schuld ook niet uitgegaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 8 juli 2009 in zaak nr. 200808942/1/H3 en 20 juli 2011 in zaak nr. 200909931/1/H3), is de toepassing van art. 3, lid 1 van de Wet bibob niet gericht op het bestraffen van personen, maar op het voorkomen dat het plegen van strafbare feiten door de overheid wordt gefaciliteerd. Bestuursorganen onderzoeken zelf op basis van de op dat moment bekende gegevens, aangedragen door het Bureau, of sprake is van ernstig gevaar in de zin van art. 3, lid 1 van de Wet bibob. Voor zover bij de vaststelling van ernstig gevaar strafbare feiten in de besluitvorming worden betrokken, is niet vereist dat betrokkenen ter zake van die strafbare feiten zijn veroordeeld, maar is slechts vereist dat voldoende aannemelijk is dat betrokkenen die strafbare feiten hebben gepleegd. Daarbij mogen ook "criminal antecedents" van betrokkenen en hun "existing criminal record" worden betrokken (EHRM, Murat Bingöl tegen Nederland, beslissing van 20 maart 2012, nr. 18450/07). Is op het moment van het nemen van het besluit sprake van een onherroepelijke vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging in de strafrechtelijke procedure ten aanzien van de in het advies genoemde feiten, dan mag van voldoende aannemelijkheid van deze feiten niet worden uitgegaan. In het arrest van 21 maart 2000, Asan Rushiti tegen Oostenrijk, nr. 28389/95 heeft het EHRM overwogen dat het uiten van twijfel over iemands onschuld met betrekking tot feiten waarvan deze onherroepelijk is vrijgesproken, in strijd is met de onschuldpresumptie. Die situatie doet zich hier naar het oordeel van de Afdeling echter niet voor.

Zoals is overwogen, mochten de burgemeester en het dagelijks bestuur zich op het standpunt stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag en de intrekking van de Dhw-vergunning verder gaan dan noodzakelijk is om te voorkomen dat vergunningen worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen. Dat de weigering en intrekking van de vergunningen voor betrokkene ingrijpende gevolgen hebben, maakt onder deze omstandigheden niet dat deze niettemin strekken tot een "criminal charge" in de zin van art. 6 EVRM.  

Ongegrond hoger beroep.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF