ABvRS: Art. 3, lid 2, aanhef en onder a, Wet bibob bevat geen limitatieve opsomming. Ook schriftelijke waarschuwing OM mocht in beginsel bij besluitvorming worden betrokken.

Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 9 mei 2012, LJN BW5294

Afwijzing aanvraag om afgifte van een exploitatievergunning ten behoeve van een horecabedrijf en prostitutiebedrijf, afwijzing afgifte van een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet en bestuursdwangaanschrijving om de exploitatie van deze bedrijven te beëindigen.

De tekst van art. 3, lid 2, aanhef en onder a, van de Wet bibob noch de tekst van andere bepalingen van de Wet bibob geven aanleiding voor het oordeel dat feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, slechts kunnen bestaan uit veroordelingen, transacties en opsporings- en vervolgingsacties. Het gebruik van het woord "zoals" in de memorie van toelichting bij de wet Bibob (Kamerstukken II 1999/00, 26 883, nr. 3, blz. 62) wijst er reeds op dat niet is beoogd een limitatieve opsomming te geven van gegevens waaruit feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 3, lid 2, aanhef en onder a, van de Wet bibob kunnen blijken. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat de overwegingen van een arrest van het gerechtshof Amsterdam, een schriftelijke waarschuwing van het Openbaar Ministerie en CIE-informatie in beginsel bij de besluitvorming mochten worden betrokken. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat niet aan alle gegevens evenveel gewicht kan worden toegekend.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Achtergrond

De Wet bibob is in het leven geroepen omdat het wenselijk is dat bestuursorganen over de mogelijkheid beschikken om bijvoorbeeld bepaalde vergunningen te weigeren of in te trekken indien er sprake is van gevaar dat strafbare feiten zullen worden gepleegd of van het vermoeden dat strafbare feiten zijn gepleegd. Als een bestuursorgaan overweegt om toepassing te geven aan art. 3 Wet Bibob kan het zich laten adviseren, bijvoorbeeld door het Bureau bibob. Een verplichting om het Bureau Bibob om advies te vragen is er niet (ABRS 20-07-2011, 200909931/1/H3, LJN: BR2279). Een bestuursorgaan kan volstaan met een eigen onderzoek en kan een andere adviseur inschakelen. Het Bureau bibob is een college als bedoeld in art. 3:5 eerste lid, Awb waarbij art. 3:8 Awb niet verplicht tot het vermelden van de namen van de bij het voorbereiden en opstellen van het advies betrokken medewerkers van die persoon of college (ook LJN: BR2279 en eveneens bovengenoemde uitspraak LJN: BW5279).

Het Bureau bibob mag ingevolge art. 12, eerste lid, van de wet bibob met het oog op het uitbrengen van een aanvullend advies wederom nieuwe persoonsgegevens verzamelen en analyseren en daarbij ook nieuwe persoonsgegevens betrekken (ook LJN: BR2279). In bovengenoemde uitspraak (LJN: BW5279) oordeelt de Afdeling dat het bibob-advies ook mag worden betrokken bij een besluit dat een ander betreft, mits het bestuursorgaan zich ervan vergewist dat het advies in afdoende mate tevens is toegesneden op die andere persoon. Gelet op de expertise van het Bureau, mag een bestuursorgaan in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan, maar moet het zich wel ervan vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is (ABRS, 18-07-2007, 200606025/1, LJN: BA9799).

Bij toepassing van art. 3 Wet bibob moet aannemelijk zijn dat de in dat artikel bedoelde strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Aannemelijk is dat een strafbaar feit heeft plaatsgevonden, indien het zozeer waarschijnlijk is dat dit feit heeft plaatsgevonden, dat dit daarom als vaststaand behoort te worden aangenomen (zie LJN: BR2279 en ook LJN: BW5279). 
Onderdeel a van art. 3, eerste lid, Wet bibob ziet op strafbare feiten die ten tijde van de beoordeling al zijn gepleegd. Ten aanzien van deze strafbare feiten behoeft geen verband te bestaan met activiteiten waarvoor de beschikking is aangevraagd of gegeven. Ze moeten op geld waardeerbare voordelen opleveren of opgeleverd hebben die kunnen worden benut bij gebruik van de beschikking. De mate van het ernstig gevaar als bedoeld in art. 3, eerste lid, aanhef en onder a, dient te worden vastgesteld op basis van gegevens waaruit feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 3, tweede lid, aanhef en onder a van de Wet bibob kunnen blijken. Dit kunnen, zo blijkt uit bovengenoemde uitspraak LJN: BW5294, ook overwegingen uit een arrest van een Hof, een schriftelijke waarchuwing van het OM en CIE-informatie zijn, hetgeen, aldus de Afdeling, overigens onverlet laat dat niet aan alle gegevens evenveel gewicht kan worden toegekend. Zie ook LJN: BA9799 waarin de Afdeling oordeelde dat informatie uit de registers van een Criminele Inlichtingen Eenheid slechts in combinatie met andere feiten en omstandigheden die in dezelfde richting wijzen een vermoeden opleveren voor ernstig gevaar.
Onderdeel b van art. 3, eerste lid, Wet bibob vereist wel een verband tussen de strafbare feiten en de activiteiten waarop de beschikking ziet (zie ook LJN: BR2279).

Het vierde lid van art. 3 Wet bibob geeft aan wanneer een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid. In bovenstaande uitspraak LJN: BW5279 oordeelt de Afdeling dat de tekst van art. 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob niet noopt tot het oordeel dat slechts kan worden gesproken van leiding geven onderscheidenlijk zeggenschap hebben indien personen formeel bestuurder onderscheidenlijk aandeelhouder zijn.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF