Aard en omvang van het tuchtrecht voor belastingadviseurs

Over het verenigingstuchtrecht in het algemeen en dat voor belastingadviseurs in het bijzonder is opvallend weinig literatuur voorhanden. En als er al onderzoeken hebben plaats gevonden, zijn de resultaten ervan in ieder geval niet openbaar gemaakt. Hierdoor heeft de buitenwereld nauwelijks inzicht in de wondere, maar relatief gesloten wereld van het tuchtrecht van de beroepsverenigingen NOB en RB.

Dit onderzoek wil daar verandering in te brengen. Eerst worden de historie, de kaders en de reikwijdte van verenigingstuchtrecht overzichtelijk in kaart gebracht. Dan blijkt dat de civiele rechter nadrukkelijk zijn stem heeft laten horen bij het vormgeven van die kaders. Daarnaast wordt inzicht gegeven in de plaats van verenigingstuchtrecht in ons rechtsbestel en de raakvlakken met het EVRM en elementaire rechtsbeginsels, zoals het ‘ne bis en idem’- beginsel.

De meeste klachten tegen belastingadviseurs worden ingediend door (voormalige) cliënten en zien veelal op de kwaliteit van de dienstverlening, maar ook zaken als gebrekkige communicatie, facturering, integriteit en geheimhouding zijn onderwerpen waar de tuchtrechter zich regelmatig over moet buigen. Daarbij valt op dat niet de zaken waarover het meest wordt geklaagd, ook het vaakst bij de tuchtrechter gehoor vinden. Uit het onderzoek blijkt dat relatief veel klachten niet gegrond worden verklaard en dat klachten die wel gegrond worden verklaard, relatief licht worden gesanctioneerd. De lat om een klacht gegrond verklaard te laten worden ligt, zeker wanneer dat wordt beschouwd in relatie tot het wettelijk verankerde tuchtrecht van accountants, hoog.

De wijze waarop de NOB zijn verenigingstuchtrecht heeft vorm gegeven, wijkt behoorlijk af van de manier waarop het RB dat heeft gedaan. En daar waar de NOB serieuze pogingen heeft ondernomen om aansluiting te vinden bij de kaders van het wettelijk tuchtrecht, kan dat niet van het RB gezegd worden. Uit het onderzoek blijkt dat diverse redenen zijn aan te wijzen waarom het verenigingstuchtrecht niet de populariteit geniet die het wettelijk tuchtrecht wel nog heeft. Het wettelijk tuchtrecht heeft duidelijke, uniforme kaders, een gedegen wettelijke basis, legt maatregelen op die recht doen aan de variëteit van hetgeen waarover wordt geklaagd en geeft daarnaast meer voldoening voor de klager vanwege de openbaarheid en de impact en daarmee het effect dat een tuchtrechtelijke beslissing heeft of kan hebben. Het verenigingstuchtrecht van de beroepsverenigingen RB en NOB mist die uitgangspunten.

Voorgesteld wordt om de tuchtrechtgremia van de NOB en RB te laten fuseren. Hierdoor ontstaat een tuchtcollege dat op uniforme wijze recht spreekt over het gezamenlijke ledenbestand, waarbij zaken als onafhankelijkheid en onpartijdigheid beter worden gewaarborgd.

Daarnaast stel ik voor om meer variatie aan te brengen in de maatregelen die worden opgelegd. De maatregel moet meer in lijn komen te liggen met de verwijtbaarheid van de gedraging en het veroordelende karakter van de maatregel mag meer blijken. Ook stel ik voor om de klachten over declaraties in beginsel uit het tuchtrecht te halen.

Maar bovenal moet er een mentaliteitsverandering bij de huidige tuchtrechters optreden. Niet de relatie tussen adviseurs en cliënten staat in het tuchtrecht centraal, maar de kwaliteit van de beroepsuitoefening door de leden. 

Lees verder:

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF