Aanvraag tot herziening, “eene minder zware strafbepaling” i.d.z.v. art. 457.1 aanhef en onder 2 Sv

Hoge Raad 29 mei 2012, LJN BW6808


Als grondslag voor een herziening kunnen krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

Onder “eene minder zware strafbepaling” i.d.z.v. art. 457.1 aanhef en onder 2 Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder valt niet de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.

Het Hof heeft de aanvrager in de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht onder meer veroordeeld voor het medeplegen van moord meermalen gepleegd. De aanvrage houdt de volgende conclusie in: "bovenstaande nova, elk op zichzelf beschouwd en/of bezien in onderlinge verband en samenhang, doet/doen het ernstige vermoeden rijzen dat waren dit/deze bekend geweest, het onderzoek van deze zaak bij het hof niet zou hebben geleid tot een veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf."

De aanvraag kan niet tot herziening leiden.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF