Aan een niet-aangehouden verdachte moet worden meegedeeld dat hij recht heeft op een raadsman. Blijft die mededeling achterwege dan volgt in de regel bewijsuitsluiting.

Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368

De verdachte is bij arrest van 14 juni 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 80 uren, wegens 1 subsidiair medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

In het bestreden arrest heeft het hof het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Bewijsoverwegingen

Beroep op bewijsuitsluiting

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaring, die verdachte op 11 februari 2015 heeft afgelegd bij de politie, dient te worden uitgesloten voor het bewijs. Niet gebleken is dat verdachte overeenkomstig de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor is gewezen op de mogelijkheid om voorafgaand aan een verhoor een advocaat te raadplegen. Verdachte heeft geen advocaat gesproken voordat hij zijn verklaring heeft afgelegd. Volgens de raadsvrouw is dit in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM.

Bij de beoordeling van het verweer is van belang om vast te stellen dat verdachte is ontboden op het politiebureau om te worden verhoord, dat hij als verdachte is gehoord en dat aan hem voorafgaand aan het verhoor de cautie is gegeven.

Het hof verwerpt het beroep op bewijsuitsluiting. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan diens eerste verhoor gewezen dient te worden op het recht een advocaat te raadplegen, zulks op straffe van uitsluiting van het bewijs van de door de verdachte afgelegde verklaring. Deze regel geldt niet zonder meer als het gaat om een niet-aangehouden verdachte.

Nu verdachte zich op verzoek van de politie heeft gemeld op het politiebureau en hem voorafgaand aan het verhoor de cautie is gegeven en geen sprake is van een aangehouden verdachte, bestond voor verdachte reeds daarom geen recht op het raadplegen van een advocaat voorafgaand aan het verhoor.”
 

Middel

Het middel klaagt onder meer dat het Hof de verklaring die de verdachte op 11 februari 2015 bij de politie heeft afgelegd, bij de bewijsvoering heeft betrokken in weerwil van het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer dat aan de verdachte voorafgaand aan dat eerste verhoor niet mededeling is gedaan van het recht op rechtsbijstand.
 

Beoordeling Hoge Raad

Op grond van art. 27c, tweede lid, Sv dient de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling te worden gedaan van het, in art. 28, eerste lid, Sv gewaarborgde, recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Indien dat voorschrift niet is nageleefd levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geldt dat zo een vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de ter gelegenheid van het verhoor afgelegde verklaring, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van de desbetreffende mededeling niet in zijn verdediging is geschaad.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of de verdachte overeenkomstig het hier toepasselijke art. 27c, tweede lid, Sv mededeling is gedaan van zijn recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het eerste verhoor. Nu het Hof dat heeft nagelaten, is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly and PDF