Steun voor experiment parlementaire ondervraging

De Tweede Kamer kan alleen in een parlementaire enquête, die veel voorbereiding vergt, personen verplichten te komen en hen onder ede horen. Bij bijvoorbeeld hoorzittingen of rondetafelgesprekken kan dat niet. De tijdelijke commissie evaluatie Wet op de parlementaire enquête adviseert om deze lacune te vullen met het instrument van de parlementaire ondervraging. Daarmee kunnen mensen onder ede worden gehoord en is geen uitgebreid vooronderzoek nodig. Zo wordt de informatiepositie van de Kamer versterkt. De commissie heeft een protocol opgesteld en wil vijf jaar met het instrument experimenteren. Bij monde van Fokke (PvdA) verzoekt een Kamermeerderheid formeel om met deze proef te beginnen.

DE PARLEMENTAIRE GEREEDSCHAPSKIST WORDT UITGEBREID

Commissievoorzitter Van Raak ziet de parlementaire ondervraging als een middel om te voorkomen dat onnodig wordt overgegaan tot een hele parlementaire enquête. Deze ondervraging is al mogelijk op basis van de Wet op de parlementaire enquête, stelt hij, en dus is nieuwe wetgeving niet nodig. Van Nispen (SP) beschouwt het met Van Raak als "een toevoeging aan de gereedschapskist van de Kamer". Koşer Kaya (D66) noemt het een "geweldig" extra instrument. Maar Taverne (VVD) vraagt zich af of het wel zo nieuw is. Immers, de parlementaire ondervraging was volgens de wet al mogelijk.

DE PROCEDURE IS ZORGVULDIG

Zal niet te snel naar het nieuwe middel worden gegrepen? Van Raak wijst erop dat er een hele procedure voor nodig is. Zo moet een commissie een voorstel goed onderbouwen, wordt zij erover geadviseerd en is daarvoor een meerderheidsbesluit van de Kamer vereist. Na vier jaar is een evaluatie voorzien. Taverne zou vanwege het te verwachten frequente gebruik van de ondervraging wel wat eerder willen evalueren. Met Van Raak is Amhaouch (CDA) niet bang dat de parlementaire ondervraging zal worden misbruikt voor bijvoorbeeld publicitaire doeleinden: de Kamer is daar zelf bij.

ZORGEN WORDEN WEGGENOMEN

Er leven zorgen over de positie van getuigen-deskundigen bij een parlementaire ondervraging. Bisschop (SGP) wil niet dat zij in de beklaagdenbank komen. Er zijn waarborgen ingebouwd om dit te voorkomen, antwoordt Van Raak. Ze kunnen bijvoorbeeld niet worden vervolgd voor verklaringen die ze op vordering van de ondervragende commissie hebben afgelegd. Ook over de samenloop met andersoortige onderzoeken zijn er zorgen. Laat de parlementaire ondervraging niet een eventuele rechtsvervolging belemmeren, bepleit Taverne. Amhaouch vraagt om afstemming met het Openbaar Ministerie. Dat laatste gebeurt sowieso, stelt Van Raak, maar niet als voorwaarde voor het al of niet starten van een parlementaire ondervraging.

 

 

Print Friendly and PDF ^

NVWA hanteert per 7 juli 2016 eenduidiger en stringenter toezicht en interventiebeleid

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hanteert met ingang van 7 juli een eenduidiger, stringenter en transparanter toezichtaanpak en interventiebeleid. De wijziging komt voort uit de wens van de Tweede Kamer om het interventiebeleid van de NVWA stringenter en uniformer te maken. De gewijzigde aanpak zal in de loop van 2016 binnen de organisatie worden ingevoerd. Er geldt een overgangstermijn tot uiterlijk 1 april 2017.

Verheldering

Uitgangspunt is een duidelijker en stringentere handhaving. Interveniëren door de NVWA moet op een eenduidige en transparante manier gebeuren zodat bedrijven weten waar ze aan toe zijn.

Onder meer de toezichtaanpak wordt eenduidig geformuleerd en uitgelegd. Het interventiebeleid bevat eenduidige afspraken over termijnen, wijze van waarschuwen en stapeling van overtredingen. Het begrip herhaalde overtreding is losgekoppeld van recidive; dit kan in de praktijk leiden tot minder waarschuwen en sneller overgaan tot het opmaken van een rapport van bevindingen (bestuursrecht ) of een proces-verbaal (strafrecht). Ook staan de verificaties die de NVWA doet in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid voortaan los van het reguliere toezicht; dat houdt in dat een korting die door RVO.nl is opgelegd gepaard kan gaan met een handhavende maatregel van de NVWA. Afwijken van het vastgestelde interventiebeleid is ingeperkt en kan alleen als dit goed wordt gemotiveerd.

Onafhankelijke positie inspecteur

De rol en de positie van de inspecteur richt zich op het constateren van feiten en omstandigheden en niet op sanctionering. Dit om de onafhankelijke positie van de inspecteur te borgen. Verder zijn er heldere criteria opgenomen voor de inzet van strafrechtelijke of bestuursrechtelijke handhaving waardoor er gerichter kan worden opgetreden en de kans op een sepot afneemt.

Verder is het verscherpt toezicht en permanent toezicht opgenomen in het algemene interventiebeleid.

De kwalificatie van de overtredingen wordt opnieuw bezien. Het ingeschatte risico per overtreding is heroverwogen; dit vooral met het oog op de mogelijkheid van stringenter optreden. Werd er bijvoorbeeld tot nu toe eerst een waarschuwing gegeven, nu volgt direct een rapport van bevindingen en eventueel later een bestuurlijke maatregel.

Hogere boetes bij overtreding Wet dieren en Warenwet

Overtredingen van de Wet dieren kunnen per 1 juli 2016 met een hogere bestuurlijke boete worden bestraft. Nu gelden alleen vaste boetes met een maximum van € 20.000. De hoogst mogelijke boete zal € 820.000 of 10% van de jaaromzet bedragen.

De Wet dieren (2013) bevatte al een boetemaximum van € 820.000 of 10% van de omzet (als de omzet van de overtreder meer dan € 8.2 miljoen is). Het was echter niet eerder mogelijk om zo’n hoge boete op te leggen, omdat de uitvoeringsregelgeving die bij de wet hoort aan elke overtreding een vast boetebedrag koppelt. Het gaat dan om bedragen tussen € 500 en € 10.000. De regelgeving is nu aangepast, waardoor het ook mogelijk is een hogere boete op te leggen dan het vaste boetebedrag. De NVWA kan alleen gebruik maken van de bevoegdheid om een hogere boete voor overtredingen van de Wet dieren op te leggen als het vaste boetebedrag dat voor die overtreding geldt aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding te behalen economische voordeel.

Met de aanpassing van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten later deze maand (naar verwachting medio juli) wordt het mogelijk om voor bepaalde overtredingen van de Warenwet een omzetgerelateerde boete op te leggen tot een maximum van € 820.000. Voorwaarde is dat er opzet of grove schuld in het spel is, en de overtreder een jaaromzet heeft van € 10 miljoen of meer. De omzetgerelateerde boete geldt voor overtredingen op het terrein van eerlijkheid in de handel en goede voorlichting omtrent waren en product- en voedselveiligheid.

Meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^

Consultatie Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn

Op 5 juli 2016 is de concept Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn ter consultatie aangeboden. Het concept wetsvoorstel strekt tot implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn en tot het geven van uitvoering aan Verordening informatie bij geldovermakingen. De richtlijn dient op 26 juni 2017 in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd te zijn. Dit is ook de datum waarop de verordening van toepassing wordt. 

Achtergrond

De richtlijn is de vierde richtlijn waarmee op Europees niveau wordt beoogd het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme aan te pakken. De richtlijn vervangt de derde anti-witwasrichtlijn en vult het bestaande instrumentarium op dit terrein verder aan. In Nederland zijn deze regels opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).

Eerdere richtlijnen

De eerste richtlijn, richtlijn 91/308/EG richtte zich met name op witwassen in termen van drugsmisdrijven en bevatte uitsluitend verplichtingen voor de financiële sector. Dit toepassingsbereik werd met de tweede richtlijn, richtlijn 2001/97/EG uitgebreid, zowel voor wat betreft strafbare feiten als ten aanzien van categorieën beroepen en personen die onder de verplichtingen van de richtlijn kwamen te vallen. De uitbreiding van de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (hierna: FATF) in juni 2003 vormde aanleiding voor de derde anti-witwasrichtlijn, richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en een uitvoeringsrichtlijn, richtlijn 2006/70/EG van de Europese Commissie. De derde anti-witwasrichtlijn richtte zich, conform de FATF-aanbevelingen, ook op het financieren van terrorisme, bevatte aangescherpte regels met betrekking tot identificatie en de verificatie van de identiteit van de cliënt en schreef voor dat, afhankelijk van het risico op witwassen of financieren van terrorisme in een concreet geval, een verscherpt of vereenvoudigd cliëntenonderzoek moet of kan worden verricht. De onderhavige vierde richtlijn vervangt de derde anti-witwasrichtlijn en vult het bestaande instrumentarium om witwassen en financieren van terrorisme tegen te gaan verder aan. In de richtlijn zijn de aanpassingen van de aanbevelingen van FATF (de herziene FATF-aanbevelingen) uit 2012 verwerkt.

Inhoud richtlijn

De richtlijn bestendigt de twee kernverplichtingen van de Wwft, te weten de verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten en de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid. Daarbij wordt meer dan voorheen uitgegaan van een risico gebaseerde benadering. Het toepassingsbereik van de richtlijn is voorts uitgebreid naar nieuwe categorieën instellingen, te weten de aanbieders van kansspeldiensten en personen die beroeps- of bedrijfsmatig in goederen handelen in het geval daarbij contante betalingen worden gedaan of ontvangen van €10.000,- of meer.

Daarnaast introduceren zowel de richtlijn, als de verordening een kader voor het bestuursrechtelijk sanctioneren van overtredingen van bepalingen ter implementatie van de richtlijn en bepalingen uit de verordening.

De richtlijn verplicht lidstaten ook om een centraal register voor uiteindelijk belanghebbenden (UBO-register) in te richten. Dit zal middels een afzonderlijk wetsvoorstel gebeuren, dat op een later moment zal worden geconsulteerd.

Doelgroep

Verwacht wordt dat onder meer de volgende instellingen geraakt worden door de regeling:

Banken, betaalinstellingen, beleggingsondernemingen, beleggingsinstellingen, elektronischgeldinstellingen, wisselinstellingen, verzekeraars, belastingadviseurs, accountants, advocaten, notarissen, trustkantoren, handelaren in grootwaarde, makelaars, kansspelaanbieders, taxateurs en pandhuizen.

 

Voor meer informatie: 

 

Zie ook: 

 

Print Friendly and PDF ^

Implementatie Europese verordening en richtlijn tegen marktmisbruik

Op 4 juli jl. heeft de Tweede Kamer gedebatteerd over het op 18 april 2016 ingediende Wetsvoorstel implementatie verordening en richtlijn marktmisbruik. De Verordening marktmisbruik is reeds op 3 juli jl. in werking getreden. Ook op deze datum had dus de nationale implementatiewetgeving gereed moeten zijn. De Tweede Kamer stemt op 7 juli over het wetsvoorstel en de ingediende motie. Daarna moet het wetsvoorstel nog door de Eerste Kamer.

Debat

Met het voorstel legt Dijsselbloem een Europese verordening en richtlijn tegen marktmisbruik vast in Nederlandse wetten. Om de integriteit van financiële markten te versterken, worden handel met voorkennis en marktmanipulatie harder aangepakt. Zo kunnen beleggers op basis van volledige en correcte informatie beleggingsbeslissingen nemen. Nuttige Europese regels, vindt de minister, want "wij zijn er door schade en schande achter gekomen dat het niet goed geregeld was". Ook De Vries (VVD) is blij met het voorstel: de VVD gelooft in marktwerking en daarom moet marktmisbruik hard worden bestraft. Onrechtmatig profiteren bedreigt een eerlijke economie, voegt Ronnes (CDA) toe.

Door met voorkennis in aandelen te handelen is veel geld te verdienen, maar volgens Merkies (SP) is de pakkans erg laag. Naast een verhoging van de strafmaat, bepleit hij een vergroting van die pakkans. Ook Nijboer (PvdA) wil dat "financiële fraudeurs het zweet uitbreekt". Goed dat de boetes omzetgerelateerd zijn, zegt De Vries. Ook zij wil voorkomen dat "mensen er te gemakkelijk mee wegkomen". Dijsselbloem wijst erop dat dit soort zaken vaak moeilijk aantoonbaar en bewijsbaar zijn. Hij zal de minister van Veiligheid en Justitie vragen om de Kamer te informeren over de aanpak van financiële fraude door het Openbaar Ministerie.

Beloning voor klokkenluiders?

Als mensen misstanden in de financiële sector melden, kan dat volgens Ronnes soms "groter financieel leed" voorkomen. Hij vindt een beloning dan op zijn plaats, maar wil voorkomen dat mensen die zelf overtredingen hebben gepleegd, er met een waarschuwing van afkomen. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten loven nu geen tipgeld uit, zegt Dijsselbloem, maar hij denkt dat dat in bepaalde gevallen wel zinvol kan zijn. Daarom zal hij vragen of deze instanties hiervoor een beleidslijn willen opstellen. Van de uitkomst daarvan zal de minister de Kamer op de hoogte stellen.

 

 

Meer weten over de (gevolgen van) het nieuwe Europese marktmisbruik-regime voor Nederland? Kom dan op Dinsdag 11 oktober 2016 naar de Cursus Marktmisbruik.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe wet- & regelgeving per 1 juli 2016

Per 1 juli 2016 treedt een aantal wetswijzigingen in werking die relevant zijn voor het ondernemingsstrafrecht. Het gaat onder meer om wijzigingen op het gebied van klokkenluiden, faillissementsfraude, inkeren en acquisitiefraude. Hieronder volgt een selectie van relevante wetswijzigingen.

 

Acquisitiefraude

Deze wet regelt in Boek 6 Burgerlijk Wetboek en in het Wetboek van Strafrecht de strafbaarstelling van acquisitiefraude. Onder acquisitiefraude wordt verstaan misleidende handelspraktijken tussen organisaties, waarbij verkooptechnieken worden gebruikt gericht op het winnen van vertrouwen en het wekken van verwachtingen teneinde de ander te bewegen tot het aangaan van een overeenkomst, waarbij de tegenprestatie niet of nauwelijks naar behoren wordt geleverd. Hierbij moet gedacht worden aan het plaatsen van een advertentie in niet bestaande of nauwelijks gelezen bedrijvengidsen en/of op internet en het ongevraagd en zonder reden toesturen van rekeningen, de zogenaamde spooknota’s.

Met deze wet willen de initiatiefnemers acquisitiefraude tegengaan en zorgen dat ondernemers eenvoudig onder een overeenkomst uit kunnen komen als die via een een ‘misleidende omissie’ tot stand is gekomen. Een misleidende omissie is het weglaten of verborgen houden van belangrijke informatie bij het aangaan van een transactie waardoor het als onrechtmatig handelen kan worden aangemerkt. Acquisitiefraude tegen ondernemers wordt strafbaar met een gevangenisstraf van maximaal 2 jaar.

 

Klokkenluiden

De Wet Huis voor klokkenluiders verbetert de mogelijkheden om te melden en beoogt werknemers en ambtenaren die melden te beschermen. Op 1 juli 2016 treedt de Wet Huis voor klokkenluiders in werking en zullen de werkzaamheden van het Adviespunt Klokkenluiders opgaan in het nieuwe ZBO Huis voor klokkenluiders (HvK).

 

Inkeren 

Per 1 juli wordt de inkeerboete verhoogd van 60% naar 120%.

Op het niet-aangeven van buitenlands vermogen staat een boete van maximaal 300% van de niet-betaalde belasting. Bij (vrijwillige) inkeer is het beleid van de Belastingdienst tot op heden dat een boete van maximaal 60% wordt opgelegd. Dat tarief zal per 1 juli 2016 verdubbelen naar 120%.

 

Faillissementsfraude

Op 1 juli 2016 treden zowel de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude als de Wet civielrechtelijk bestuursverbod in werking.

 

Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude

Dit wetsvoorstel moderniseert in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten de mogelijkheden voor opsporing en vervolging en voorkoming van faillissementsfraude. Met dit voorstel wordt de wettelijke positie van de curator versterkt door het niet juist voeren van de administratie en het bewaren daarvan strafbaar te stellen.

De bepalingen inzake faillissementsfraude – eenvoudige bankbreuk en bedrieglijke bankbreuk – dateren van het einde van de negentiende eeuw. Ze zijn sindsdien weliswaar op onderdelen gewijzigd, maar dit neemt niet weg dat deze wetgeving te karakteriseren is als complex en op punten verouderd. De strafbepalingen hebben evenwel voor een deel hun waarde behouden in de huidige praktijk, getuige ook de rechtspraak. Om die reden heeft het kabinet volstaan met een partiële herziening van de bepalingen, waarbij is gestreefd naar een verbeterde structuur en inhoud.

De in deze wet neergelegde modernisering van de bepalingen heeft vorm gekregen in Titel XXVI van Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht. Bijna alle bepalingen zijn aangepast met het oog op verbetering van de bruikbaarheid en effectiviteit. De wet introduceert echter niet een volledig nieuw strafrechtelijk faillissementsrecht. Er wordt, voor zover niet uitdrukkelijk anders vermeld, geen breuk geforceerd met bestaande rechtspraak en indien mogelijk wordt de wettelijke terminologie gehandhaafd. Dit betekent dat ten aanzien van de in de wet gehandhaafde en onbesproken bestanddelen van de strafbepalingen inzake faillissementsfraude ook in het vervolg de uitleg zal gelden die daaraan bij invoering of sindsdien door wijziging of als gevolg van verduidelijking in de rechtspraak is gegeven.

Alle gedragingen die in de artikelen 194 en 340 tot en met 344 Sr zijn strafbaar gesteld vereisen de omstandigheid dat het faillissement is ingetreden of een schuldsaneringsregeling van toepassing is geworden.

De artikelen 340 tot en met 344b Sr zien alle tevens op gedragingen die worden verricht vóór intreding van het faillissement of (voor zover het de artikelen 341, 344, 344a en 344b Sr betreft) toepassing van de schuldsaneringsregeling. In dat geval is het uitspreken van het faillissement of het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling een bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid, zonder welke geen voltooid delict of strafbare poging mogelijk is.

Voorts is het opzetverband in de bepalingen tegen het licht gehouden. Alle in het kader van faillissementsfraude strafbaar gestelde gedragingen dienen opzettelijk te worden begaan. Echter is in een aantal gevallen aanvullend opzet van de dader vereist, gericht op (het intreden van) het faillissement en de daaruit voortvloeiende benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden. In plaats van de term ‘ter bedrieglijke verkorting’, waarmee dit opzet tot dusver tot uitdrukking wordt gebracht, kiest het voorstel voor een term (‘wetende dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’) die nauwer aansluit bij de standaardwijzen die in het wetboek worden gebruikt om het opzetverband aan te duiden.

Ten slotte bevat de wet een duidelijk onderscheid tussen de strafbaarstelling van enerzijds delicten gepleegd in het kader van het faillissement van een natuurlijk persoon en anderzijds delicten gepleegd in verband met het faillissement van een rechtspersoon (of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid). Op basis van het onderscheid dat in de wet is aangebracht, kan de strafrechtelijke normstelling in het vervolg preciezer worden toegesneden op het faillissement van een rechtspersoon en de relevante gedragingen van betrokken bestuurders en commissarissen in dat verband.

 

Wet civielrechtelijk bestuursverbod

Wet civielrechtelijk bestuursverbod leidt tot de invoeging van de artikelen 106a t/m 106e in de Faillissementswet en voegt daarmee aan de faillissementswet de mogelijkheid toe om een civielrechtelijk bestuursverbod, van ten hoogste 5 jaren, op te leggen aan een bestuurder die faillissementsfraude pleegt of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in aanloop naar een faillissement. De regering wil hiermee faillissementsfraude en onregelmatigheden rond een faillissement bestrijden en voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten voort kunnen zetten.

Een bestuurder met een bestuursverbod mag geen bestuursfunctie of commissariaat (meer) uitoefenen bij een andere organisatie. Een bestuursverbod wordt opgelegd door de civiele rechter op verzoek van het Openbaar Ministerie of op verzoek van de curator in het kader van het faillissement van een rechtspersoon waarbij de bestuurder betrokken was.

De positie van de curator wordt aanzienlijk versterkt door ook hem de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot het opleggen van een bestuursverbod toe te kennen. De curator heeft in de toekomst aldus een aanzienlijke stok achter de deur door in voorkomende gevallen zowel de bestuurder aansprakelijk te stellen als om een bestuursverbod te vorderen. Hiermee zal hij prudent, zorgvuldig en voldoende terughoudend moeten omgaan. Volgens de Memorie van toelichting moet een civielrechtelijk bestuursverbod immers “een uitzonderlijke sanctie voor uitzonderlijke situaties” vormen en zal een bestuursverbod na een faillissement geen automatisme mogen zijn.

Een bestuursverbod kan niet op het uitsluitende verzoek van de schuldeisers worden gevorderd. Wel kunnen schuldeisers de rechter-commissaris vragen de curator een vordering tot een bestuursverbod bij de rechter in te dienen.

 

Print Friendly and PDF ^