Provincies worden bevoegd gezag voor Brzo-inrichtingen

In het Staatsblad is het besluit gepubliceerd waarmee het Besluit omgevingsrecht (BOR) gewijzigd wordt. Daarmee worden Gedeputeerde Staten van de provincies vanaf 1 januari 2016 het bevoegd gezag voor alle Brzo-inrichtingen (Besluit risico’s zware ongevallen 2015). Als gevolg van dit besluit wordt het aantal partijen dat betrokken is bij vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) voor Brzo- en RIE-4-bedrijven kleiner, wat overleg en afstemming vergemakkelijkt en een gelijk speelveld bevordert. Met de wijziging is de minister van Infrastructuur en Milieu interbestuurlijk toezichthouder voor al deze inrichtingen. Deze wijziging van het Bor leidt ertoe dat voor 183 Brzo- inrichtingen en voor 20 inrichtingen met een RIE-4-installatie het bevoegd gezag van de gemeente verschuift naar de provincie. De praktische gevolgen van de wijziging zijn niet zo groot, omdat voor de Brzo-inrichtingen de VTH eerder al door gemeenten was opgedragen aan de Brzo-omgevingsdiensten. Wel zullen de mandaatbesluiten van de gemeenten voor deze inrichtingen moeten worden ingetrokken en zullen de provincies moeten nagaan of aanpassing van hun mandaatbesluiten noodzakelijk is.

 

Print Friendly and PDF ^

Memorie van Antwoord Bestrijding faillissementsfraude

De Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) heeft op 27 november 2015 de memorie van antwoord bij het Wetsvoorstel herziening strafbaarstelling faillissementsfraude alsmede die bij het Wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod ontvangen. De inbreng voor het nader voorlopig verslag vindt voor beide plaats op 15 december 2015.

 

Print Friendly and PDF ^

Versoepeling eisen samenhangende met uitvoering alcoholslotprogramma per 1-1-2016

De Regeling bevat een aanpassing van de Regeling aanpassing voertuigen en aanpassingen van de Regeling voertuigen. In de eerste regeling zijn de eisen opgenomen waaraan de erkenninghouder producent alcoholslotprogramma en de erkenninghouders installateurs alcoholslotprogramma moeten voldoen. Voor een toelichting op de systematiek van de erkenninghouders wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma. In bijlage XII bij de Regeling voertuigen zijn de eisen opgenomen, waaraan het een alcoholslot moet voldoen dat wordt gebruikt in het kader van het alcoholslotprogramma. De wijziging van de Regeling aanpassing voertuigen, de wijziging van artikel 66c, betreft een aanpassing van de erkenningseis voor de erkenninghouder producent alcoholslot betreffende het landelijk netwerk van erkenninghouders installateur alcoholslot. Ten gevolge van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2015 kan het CBR geen alcoholslotprogramma’s meer opleggen. Hierdoor neemt het aantal deelnemers geleidelijk af met gevolg dat de erkenningeis voor het landelijk netwerk installateurs van alcoholsloten onder druk komt te staan. Er worden immers minder nieuwe sloten ingebouwd en minder uitlezingen van het alcoholslot verricht. Met de aangepaste eis wordt meer ruimte geboden aan de erkenninghouder, waarbij nog steeds is gewaarborgd dat deelnemers aan het alcoholslotprogramma binnen een redelijke afstand een installateur alcoholslot kunnen bereiken voor het laten uitvoeren van de noodzakelijke werkzaamheden.

De wijziging van de Regeling voertuigen betreft de aanpassing van bijlage XII bij die regeling en houdt een versoepeling in van de gevallen waarin er sprake is van een zogenoemde early recall, de gevallen waarin de betrokken deelnemer naar de installateur alcoholslot terugmoet voor een extra uitleesbeurt. Deze aanpassing houdt in dat betrokkene niet langer voor een early recall terug hoeft indien een hertest is afgelegd, en uit die hertest blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de vastgelegde limiet. De reden voor het schrappen van deze eis is de volgende. Uit onderzoek is gebleken dat in sommige gevallen de te hoge waarde wordt veroorzaakt door het nuttigen of gebruik van andere producten dan het drinken van te veel alcoholhoudende drank. Betrokkene heeft dan een zeer plausibele verklaring, die niet gelegen is in het gebruik van alcohol. Deze verklaring wordt dan onderbouwd doordat de direct op die foute hertest volgende vervolghertesten een resultaat hebben dat weer ligt onder de vastgelegde limiet. Omdat het in deze gevallen niet redelijk is betrokkene voor een extra uitlezing te laten terugkomen, is ervoor gekozen de parameter voor deze early recall niet toe te passen. De uitslagen van de hertesten blijven wel geregistreerd in het geheugen van het alcoholslot, worden wel meegenomen in de eerstvolgende reguliere uitlezing en meegewogen door het CBR bij de beoordeling van de uitgelezen gegevens.

 

Print Friendly and PDF ^

Nader voorlopig verslag bij Wetsvoorstel strafbaarstelling acquisitiefraude

De Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) heeft op 24 november 2015 het nader voorlopig verslag bij het Wetsvoorstel strafbaarstelling acquisitiefraude uitgebracht en wacht op de nadere memorie van antwoord. Het voorstel is op 3 februari 2015 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. Het initiatiefwetsvoorstel strafbaarstelling acquisitiefraude van de Tweede Kamerleden Gesthuizen en Van Oosten regelt in Boek 6 Burgerlijk Wetboek (BW) en in het Wetboek van Strafrecht (WvSr) de strafbaarstelling van acquisitiefraude tegen ondernemers. Onder acquisitiefraude wordt verstaan misleidende handelspraktijken tussen organisaties, waarbij verkooptechnieken worden gebruikt gericht op het winnen van vertrouwen en het wekken van verwachtingen teneinde de ander te bewegen tot het aangaan van een overeenkomst, waarbij de tegenprestatie niet of nauwelijks naar behoren wordt geleverd. Hierbij moet gedacht worden aan het plaatsen van een advertentie in niet bestaande of nauwelijks gelezen bedrijvengidsen en/of op internet en het ongevraagd en zonder reden toesturen van rekeningen, de zogenaamde spooknota’s.

Met dit voorstel willen de initiatiefnemers acquisitiefraude tegengaan en zorgen dat ondernemers eenvoudig onder een overeenkomst uit kunnen komen als die via een een ‘misleidende omissie’ tot stand is gekomen. Een misleidende omissie is het weglaten of verborgen houden van belangrijke informatie bij het aangaan van een transactie waardoor het als onrechtmatig handelen kan worden aangemerkt. Acquisitiefraude tegen ondernemers wordt strafbaar met een gevangenisstraf van maximaal 2 jaar.

 

Print Friendly and PDF ^

Debat over aanpassingen in Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De Eerste Kamer heeft dinsdag 1 december 2015 gedebatteerd met staatssecretaris Dijksma (Infrastructuur en Milieu) over de Wet Verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit voorstel voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en maakt het onder meer mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur kwaliteitscriteria worden geformuleerd voor vergunningverlening, het toezicht en handhaving. Op dinsdag 8 december 2015 wordt over het wetsvoorstel gestemd.

Onvoldoende democratische controle

Senator Van Hattem (PVV) gaf aan dat zijn fractie veel waarde hecht aan het zorgvuldig borgen van veiligheid in de samenleving. Dit wetsvoorstel biedt hiervoor volgens de senator echter geen geschikt kader, omdat de handhavingsprioriteiten onvoldoende democratisch kunnen worden gecontroleerd. Volgens Van Hattem kunnen bestuurders van de Omgevingsdiensten zich verschuilen achter collectieve regelingen waardoor zij slechts in beperkte mate op hun besluitvorming kunnen worden aangesproken door de Gemeenteraad of Provinciale Staten. Bovendien zijn de inverdieneffecten en efficiëntievoordelen volgens de senator gebaseerd op onjuiste aannames.

Gemeenten en provincies blijven verantwoordelijk en aanspreekbaar

Staatssecretaris Dijksma (Infrastructuur en Milieu) stelde dat dit wetsvoorstel juist bedoeld is om een oplossing te bieden voor structurele tekortkomingen in toezicht en handhaving. Onder de huidige regelingen is volgens Dijksma te vaak sprake van fragmentatie en vrijblijvendheid.

Gemeenten en provincies kunnen volgens de staatssecretaris weliswaar een mandaat verlenen aan een Omgevingsdienst, maar blijven verantwoordelijk en democratisch aanspreekbaar.  Verschuilen achter collectieve regelingen is volgens Dijksma niet mogelijk; er zal altijd controle plaatsvinden in de Gemeenteraad of Provinciale Staten. Over de inverdieneffecten en efficiëntievoordelen merkte de staatssecretaris op dat er ingecalculeerde opstartkosten zijn die na ongeveer 6 jaar kunnen worden terugverdiend. Dit wordt geëvalueerd en gemonitord.

Print Friendly and PDF ^