Inwerkingtreding implementatiewet richtlijn 2014/62/EU betreffende strafrechtelijke bescherming tegen valsemunterij

Op 1 januari 2016 zal de implementatiewet richtlijn 2014/62/EU betreffende strafrechtelijke bescherming tegen valsemunterij in werking treden. De implementatie van de richtlijn leidt (slechts) tot een verhoging van het strafmaximum van artikel 210 Sr (wederrechtelijk uitgeven echt geld) van vier naar vijf jaar. Deze bepaling luidt nu als volgt:

Artikel 210 Sr

Hij die opzettelijk en wederrechtelijk muntspeciën of munt- of bankbiljetten welke bestemd zijn om als wettig betaalmiddel in omloop te worden gebracht, in omloop brengt of, teneinde ze in omloop te brengen, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

De richtlijn bouwt voort op het Internationale Verdrag ter bestrijding van de valsemunterij van 20 april 1929 en het daarbij behorende protocol (het Verdrag van Genéve of Valsemunterijverdrag) en vervangt het kaderbesluit over eurovalsemunterij uit 2000 (Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad,). De richtlijn bevat enkele aanvullingen ten opzichte van het kaderbesluit. Het betreft bepalingen over de strafmaxima, onderzoeksmiddelen en de verplichte overlegging van valse eurobankbiljetten en euromunten ter analyse en opsporing van vervalsingen tijdens gerechtelijke procedures.

De richtlijn die onderwerp is van deze implementatiewet voorziet aldus, naast in bepalingen over de strafmaat, onder meer ook in bepalingen over onderzoeksmiddelen en de analyse, identificatie en opsporing van valsemunterij. Deze bepalingen behoeven geen omzetting naar Nederlands recht, omdat de Nederlandse wetgeving en praktijk reeds in overeenstemming zijn met deze bepalingen.

Omvang van het probleem

De aard en omvang van valsemunterij verschilt per lidstaat.

Blijkens het Nationaal Dreigingsbeeld – dat vierjaarlijks een beeld levert van de dreigingen op het gebied van de georganiseerde criminaliteit in Nederland – worden in de eurozone in Frankrijk en Italië relatief de meeste valse biljetten aangetroffen. De meeste valse biljetten die in Nederland rouleren zijn gemaakt in drukkerijen in Italië en Bulgarije.

Blijkens het Nationaal Dreigingsbeeld 2012 fluctueert de tegenwaarde van het in Nederland aangetroffen vals geld per jaar en ligt die tegenwaarde in de orde van grootte van enkele miljoenen. In 2014 werden in totaal 48.700 valse eurobiljetten in Nederland onderschept en geregistreerd. De totale fictieve waarde van de valse eurobiljetten was in 2014 € 2,5 mln. Deze schade werd vooral gedragen door de detailhandel. De biljetten worden dan voor echt geaccepteerd en vervolgens blijkt bij de bank dat de biljetten (ver)vals(t) zijn en daarom niet kunnen worden gecrediteerd.

Bestrijding

De bestrijding van fraude, waarvan valsemunterij één van de verschijningsvormen is, is in de Veiligheidsagenda 2015–2018 als landelijke prioriteit opgenomen.

In 2013 zijn 146 zaken in verband met valsemunterij afgedaan. Er is 27 keer een strafbeschikking uitgevaardigd, 28 keer een transactie getroffen en 4 keer voorwaardelijk geseponeerd. In 87 zaken is in 2013 een veroordeling voor een valsemunterij-delict uitgesproken. In 2014 zijn 235 zaken ter zake van valsemunterij afgedaan. Daarbij is 67 keer een strafbeschikking uitgevaardigd voor een valsemunterij-delict. Er werd 34 keer een transactie getroffen. In 22 gevallen is voorwaardelijk geseponeerd. In 112 gevallen is in 2014 een veroordeling uitgesproken in verband met valsemunterij.

Informatie uitwisseling

Met betrekking tot de informatie-uitwisseling geldt dat iedere lidstaat een Nationaal Analyse Centrum (NAC) heeft. In Nederland is het NAC ondergebracht bij de DNB. Het NAC legt gegevens vast in een centraal systeem dat de ECB beheert. Tot dit systeem hebben ook Europol en de nationale politiekorpsen toegang. Zij kunnen deze informatie gebruiken bij het opsporen van criminelen die zich schuldig maken aan het in omloop brengen van valse of vervalste biljetten.

Rol Europol

Specifiek op het terrein van valsemunterij speelt Europol daarbij een belangrijke rol door het verschaffen van kennis en expertise. Daarnaast heeft Europol een belangrijke rol bij de gezamenlijke aanpak van eurovalsemunterij. Een van de taken van Europol is het voorkomen en bestrijden van vervalsing van geld, in het bijzonder van de euro; deze Europese politiedienst is aangewezen als het centrale punt binnen de Europese Unie voor de (strafrechtelijke) bestrijding van eurovalsemunterij. In dat kader verleent Europol actieve steun aan nationale opsporingsinstanties door het verzamelen, analyseren, verspreiden en vereenvoudigen van de uitwisseling van informatie en door het verschaffen van kennis en expertise om onderzoeken naar deze vorm van criminaliteit te ondersteunen. Ook Nederland verstrekt ten behoeve hiervan regelmatig informatie aan het «focal point» Soya bij Europol. Daarnaast is Europol betrokken bij grote anti-valsemunterijacties in de Europese Unie. Het gaat dan bijvoorbeeld om de zogenoemde gezamenlijke onderzoeksteams die in voorkomende gevallen financiële steun van Europol kunnen krijgen. Zo nodig kan Europol ter plekke bijstand verlenen. Voorts biedt Europol forensische ondersteuning aan bij het vaststellen van de herkomst van materialen en apparaten die zijn gebruikt bij het vervaardigen van vals of vervalst geld. Blijkens het laatste jaarverslag van Europol zijn in 2013 meer dan 600.000 in omloop zijnde valse eurobankbiljetten ontdekt. De biljetten van € 20 en € 50 kwamen daarbij het meest voor. Nationale opsporingsinstanties hebben in 2013 – met steun van Europol – weten te verhinderen dat bankbiljetten ter waarde van meer dan € 70 mln in circulatie werden gebracht. Europol heeft in 2013 financiële ondersteuning verleend aan tweeënzestig politieacties in elf lidstaten, waarbij zeventig verdachten zijn aangehouden en zes gelddrukkerijen zijn ontmanteld.

 

Print Friendly and PDF ^

Steun voor stroomlijning milieutoezicht

"Een betere en doortastender handhaving, minder vrijblijvendheid en een gelijk speelveld om te komen tot een stelsel dat een veilige omgeving waarborgt." Zo omschrijft Dijkstra (VVD) het doel van de voorgestelde wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Vergunningverlening, toezicht en handhaving worden structureel verbeterd, aldus staatssecretaris Mansveld (Milieu). In dat kader is de afgelopen jaren gewerkt aan een landelijk dekkend netwerk van omgevingsdiensten: loketten voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op milieugebied en eventueel ook op de terreinen van bouwen, natuur en water. Voor de handhaving rondom bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken, zijn er inmiddels zes gespecialiseerde omgevingsdiensten.

VERANTWOORDELIJKHEID IS GOED GEREGELD

Mansveld is blij dat het nieuwe stelsel met "daadkrachtige omgevingsdiensten" van onderop is ontstaan. In de opstelling van een modelverordening door provincies en gemeenten gezamenlijk, komt die betrokkenheid volgens de staatssecretaris goed tot uitdrukking. In die verordening staan bijvoorbeeld kwaliteitseisen voor het personeel en voor de behandeling van een vergunningaanvraag. Dijkstra wijst erop dat het voor bedrijven en overheden te allen tijde "glashelder" moet zijn wie wanneer waarvoor verantwoordelijk is. Maar kan de staatssecretaris haar verantwoordelijkheid in het nieuwe stelsel wel waarmaken?, vraagt onafhankelijk Kamerlid Houwers. Hoewel provincies en gemeenten primair verantwoordelijk zijn "ben ik als stelselverantwoordelijke in charge", reageert Mansveld. Zij zegt onder meer via het zogenoemde bestuurlijk omgevingsberaad goed op de hoogte te worden gehouden.

OMGEVINGSDIENSTEN MOETEN GELIJKE STRUCTUUR HEBBEN

Vallen alle gemeenten inmiddels onder een omgevingsdienst? Cegerek (PvdA) vraagt of het stelsel van omgevingsdiensten inmiddels landelijk dekkend is. Geurts (CDA) vindt dat kwaliteit boven organisatievorm moet gaan en bepleit het laten voortbestaan van de drie bestaande netwerkomgevingsdiensten. Waarom iets veranderen dat goed werkt?, vraagt ook Houwers. Maar Mansveld wijst er onder andere op dat de huidige netwerkomgevingsdiensten in tegenstelling tot de gewone omgevingsdiensten geen rechtspersoonlijkheid hebben. Zo is hun personeel in dienst bij de afzonderlijke gemeenten. De staatssecretaris blijft bij haar voornemen om de netwerkomgevingsdiensten uiterlijk per 1 januari 2018 te laten omschakelen naar een uniforme organisatiestructuur. Overigens zijn er geen "witte vlekken" meer.

De Kamer stemt 22 september over het wetsvoorstel en de ingediende moties.

Bron: Tweede Kamer

 

Print Friendly and PDF ^

Kamerbrief bij initiatiefvoorstel acquisitiefraude

De Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 7 april 2015 het voorlopig verslag inzake het initiatiefvoorstel acquisitiefraude uitgebracht. Minister van der Steur (VenJ) reageert op vragen van de leden van de VVD-fractie van de Eerste Kamer over het voorlopig verslag. In het voorlopig verslag stelden de leden van de VVD-fractie aan de regering de vraag of het openbaar ministerie, op basis van de nieuwe strafbepaling acquisitiefraude, ook extra aandacht zal geven aan acquisitiefraude in de aansturing van de politie en in de vervolging van strafbare feiten. Deze vraag beantwoordt Van der Steur als volgt.

De aanpak van horizontale fraude is één van de prioritaire thema’s in de gemeenschappelijke veiligheidsagenda van de politie, het openbaar ministerie en bestuur. De doelstelling is om het aantal strafzaken met betrekking tot horizontale fraude tot in 2018 met 50 procent te laten stijgen. Acquisitiefraude is een vorm van horizontale fraude en maakt als zodanig onderdeel uit van de verwoorde ambitie. De fraudedoelstelling in de veiligheidsagenda ziet op het aantal door de politie bij het openbaar ministerie aangeleverde zaken. Vanuit de gezagsrol stuurt het openbaar ministerie op verwezenlijking daarvan. De nieuwe strafbepaling, zoals voorzien in het initiatiefvoorstel, vormt in dat verband een nuttige aanvulling op het instrumentarium dat de politie en het openbaar ministerie tot hun beschikking hebben voor de opsporing en vervolging van fraudedelicten.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Richtlijn voor strafvordering wet personenvervoer 2000

Per 1 augustus 2015 is een nieuwe versie van de Richtlijn voor strafvordering Wet personenvervoer 2000 (2013R012) in werking getreden. Deze richtlijn bevat het strafvorderingsbeleid van het OM inzake overtredingen bepaald bij of krachtens de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000), die in artikel 1 van de Wet op de economische delicten (WED) als economisch delict zijn aangemerkt.

Print Friendly and PDF ^

Nieuw samenwerkingsprotocol IGZ en OM

Naar aanleiding van het in maart verschenen Rapport van de evaluatiecommissie Tuitjenhorn is op 30 juni jl. een nieuw protocol in werking getreden voor de samenwerking tussen de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Openbaar Ministerie.

Aanscherping

Het aangescherpte Samenwerkingsprotocol bevat nieuwe elementen in de samenwerking tussen de IGZ en het OM. Het “Samenwerkingsprotocol gezondheidszorg 2015” betreft een aanscherping van het Samenwerkingsprotocol 2009 en het bijbehorende informatieprotocol 2009. Uitgangspunt van dit aangepaste Samenwerkingsprotocol is dat de IGZ vanuit haar verantwoordelijkheid voor de patiëntveiligheid en het OM vanuit de verantwoordelijkheid voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten binnen de wettelijke kaders samenwerken door elkaar tijdig informatie te verstrekken, door af te stemmen over de meest effectieve en proportionele inzet van het handhavinginstrumentarium en af te stemmen over de communicatie met betrekking tot lopende onderzoeken.

In het bijzonder zijn in dit Samenwerkingsprotocol afspraken opgenomen over afstemming in geval van seksueel grensoverschrijdend gedrag van zorgverleners, gegevensverstrekking in geval van veroordeling van zorgverleners voor (voltooide) ernstige zeden- of levensdelicten begaan in de privésfeer, onderlinge verstrekking van (medische) gegevens en de wijze van afstemming in verschillende fasen van een onderzoek.

Tuitjenhorn

In de Tuitjenhorn-zaak was een huisarts door IGZ op non-actief gezet en was door het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart. De huisarts werd verweten niet juist te hebben gehandeld bij de euthanasie van een patiënt. Kort na deze maatregelen heeft de huisarts zelfmoord gepleegd. Na deze gebeurtenissen is door een aantal ministeries een evaluatiecommissie ingesteld die onderzoek heeft gedaan naar de instanties die betrokken waren bij deze kwestie.

Uit het rapport van de evaluatiecommissie volgt dat IGZ en het OM weliswaar volgens de onderlinge afspraken hebben gehandeld, maar dat meer maatwerk wenselijk was geweest. De evaluatiecommissie plaatste enkele kanttekeningen bij het gezamenlijk optreden van het OM en IGZ. Aanbeveling was om het samenwerkingsprotocol te verbeteren.

Het rapport van de evaluatiecommissie is op 29 april 2015 in de Tweede Kamer besproken. Tijdens het debat werd geconcludeerd dat een vernieuwing van het samenwerkingsprotocol op zijn plaats was. Vervolgens is op 30 juni 2015 het nieuwe ‘samenwerkingsprotocol gezondheidszorg 2015’ ingediend.

Met het nieuwe samenwerkingsprotocol wordt getracht een betere afstemming en samenwerking tussen OM en IGZ te bereiken. Het protocol is voornamelijk aangescherpt met betrekking tot de regels inzake het elkaar tijdig informatie verstrekken, de afstemming tussen de instanties over een effectieve en proportionele inzet van hun bevoegdheden en de communicatie tussen IGZ en het OM.

 

Print Friendly and PDF ^