Inwerkingtreding Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken

Per 1 juli 2014 is de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken in werking getreden. Deze wet strekt tot aanpassing van de regeling inzake de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht door Nederland. Het bepaalt de reikwijdte van de mogelijkheden om strafbare feiten die in het buitenland zijn begaan hier in Nederland te vervolgen en te berechten.

De oude wettelijke bepalingen op dit terrein waren tamelijk ondoorzichtig geworden waardoor ook de keuzes en de grondslagen voor de vestiging van rechtsmacht dikwijls niet meer goed tot uitdrukking kwamen. Bovendien was er aanleiding om strafrechtelijk optreden tegen de aantasting van wezenlijke nationale belangen van een steviger grondslag voor de uitoefening van rechtsmacht te voorzien.

Met de wet kunnen ook vreemdelingen, die in Nederland wonen, en in het buitenland een strafbaar feit plegen in Nederland worden vervolgd en berecht. Daarnaast wordt de toegankelijkheid van de rechtsmachtregeling vergroot.

Print Friendly and PDF ^

Strafrechter kan bij meerdere delicten hogere straf opleggen

De strafrechter krijgt de mogelijkheid om een verdachte die in één zaak voor meerdere misdrijven terecht staat, zwaarder te straffen. Doel is de huidige regels van de zogeheten meerdaadse samenloop in strafzaken aan te scherpen en criminele carrières steviger aan te pakken. Dit blijkt uit een wetsvoorstel van minister Opstelten van Veiligheid en Justitie waarmee de ministerraad heeft ingestemd. De regeling vloeit voort uit het regeerakkoord.

Als een verdachte meerdere misdrijven heeft begaan en daarvoor terechtstaat, legt de rechter voor het totaal één straf op. De wet stelt daaraan een maximum. De rechter kijkt naar het hoogste strafmaximum van de delicten en kan daar - nu nog - een derde bij optellen. De nieuwe regeling vergroot dat naar de helft. Het kabinet wil het feit dat meerdere misdrijven zijn gepleegd zwaarder laten wegen en in het hogere strafmaximum tot uitdrukking brengen.

De verhoging van het strafmaximum is vooral wenselijk in gevallen van ongelijktijdige berechting. Daarvan is sprake als een verdachte na één of meer veroordelingen wordt berecht voor een ernstig misdrijf dat vóór die veroordelingen is begaan. Volgens de huidige regels moet de rechter dan rekening houden met alle voorgaande veroordelingen. Hierdoor is de strafruimte voor het 'oude' delict beperkt en kan de rechter soms niet de straf opleggen die hij zou willen. Het wetsvoorstel biedt daarvoor een oplossing met de verhoging van het strafmaximum en een beperking van de aftrek tot alleen de eerstvolgende veroordeling. Omdat de rechter slechts rekening hoeft te houden met één veroordeling ontstaat voldoende ruimte om een passende straf op te leggen.

De huidige regeling kan tot ongewenste situaties leiden, zoals bleek uit een vonnis van de rechtbank Amsterdam van oktober 2011. De rechters lieten toen de regels voor meerdaadse samenloop buiten toepassing omdat anders te weinig ruimte zou overblijven voor een passende straf. Hierdoor konden zij een verdachte van ernstige zedendelicten tot tien jaar gevangenisstraf veroordelen. Het wetsvoorstel sluit hierbij aan.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

Print Friendly and PDF ^

Regelgeving persoonsgegevens bij politie en justitie gemoderniseerd

De manier waarop politie en justitie omgaan met persoonsgegevens wordt gemoderniseerd. Door de verdergaande digitalisering is nieuwe regelgeving nodig om beter te regelen wie toegang heeft tot welke gegevens, voor welke doelen en gedurende welke periode. Informatie moet niet langer worden ‘rond¬gepompt’ binnen de strafrechtketen en privacywaarborgen moeten worden ingebouwd in de voorzieningen zelf. Dit leidt tot een effectievere taakuitvoering van politie en justitie en een betere bescherming van de privacy van burgers. Dat schrijft minister Opstelten van Veiligheid en Justitie vandaag in een brief aan de Tweede Kamer.

Uitgangspunt van de nieuwe regelgeving wordt het gebruik van persoonsgegevens door politie en justitie. Volgens de minister staan in de huidige regulering de bewaartermijnen te veel centraal. De bewaartermijn moet volgens de minister echter een afgeleide zijn van de noodzaak tot gebruik van gegevens. Voor een zwaarwegend doel, zoals het oplossen van cold cases bij ernstige misdrijven, moeten gegevens lange tijd kunnen worden gebruikt. Bij minder zwaarwegende doelen, zoals de beoordeling van een VOG-aanvraag, kan en moet die termijn veel korter zijn.

Minister Opstelten wil ook de verschillende wettelijke regimes die van toepassing zijn op politiële, justitiële en strafvorderlijke gegevens harmoniseren. Op dit moment gelden er verschillende regels voor verstrekking en bewaring van dezelfde gegevens naar gelang die gegevens zich bevinden bij de politie, het openbaar ministerie, de rechtbanken of de reclassering. Dit bemoeilijkt de samenwerking binnen de strafrechtketen. Minister Opstelten overweegt daarom de Wet politie-gegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens samen te voegen tot één wet. Volgens de minister kan op die manier ook de privacybescherming verder worden versterkt.

In de brief schrijft minister Opstelten verder dat het toezicht op het gebruik en de verstrekking van politiële en justitiële gegevens wordt versterkt. Dat gebeurt onder andere bij de digitalisering van de strafrechtsketen. Zo moeten privacywaarborgen zo veel mogelijk worden ingebouwd in de informatie¬voorziening van politie en justitie. Gegevens worden nu nog op tal van plaatsen vastgelegd. Dat bemoeilijkt een eenduidige toepassing van de regels voor verstrekken en bewaren. In het kader van de digitalisering wordt toegewerkt naar een situatie dat niet langer informatie wordt ‘rondgepompt’. Gegevens moeten eenmalig worden vastgelegd en beheerd en kunnen meervoudig worden gebruikt. Daarnaast wordt ook het toezicht op de werkvloer, zowel preventief als repressief, worden versterkt en wordt er via opleidingen gewerkt aan een nauwgezette naleving van de regels.

Met de maatregelen komt de minister tegemoet aan de knelpunten die naar voren zijn gekomen in twee WODC-rapporten over politiële, justitiële en strafvorderlijke gegevens. Uit de evaluaties blijkt dat de huidige wetgeving niet aansluit op de praktijk waardoor politie en justitie op onderdelen niet voldoen aan de wetgeving. Niet altijd is precies duidelijk welke gegevens aan wie mogen worden verstrekt en onder welke voorwaarden en hoe lang ze moeten worden bewaard. Daarnaast worden justitiële en strafvorderlijke gegevens aan het einde van de bewaartermijn wel ontoegankelijk gemaakt maar niet altijd vernietigd. In de brief schrijft minister Opstelten dat de betrokken uitvoeringsorganisaties nu maatregelen nemen om de gegevens versneld te verwijderen.

Print Friendly and PDF ^

Tweede nota van wijziging Wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit

Op 20 juni jl. heeft Minister Opstelten een tweede nota van wijziging inzake het Wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit aan de Tweede Kamer aangeboden.

Op basis van het tijdens het op 16 juni gehouden wetgevingsoverleg wordt in Artikel I, onderdeel K van het voorstel de strafbaarstelling van omkoping in de privé-sector (artikel 328ter Sr) uitgebreid tot gedragingen voorafgaand aan de dienstbetrekking of last, dan wel na beëindiging van die dienstbe- trekking of last

Daarnaast verduidelijkt de nota nog dat voor strafbaarheid ter zake van de in het vierde of vijfde lid bedoelde gedragingen vereist is dat het handelen of nalaten in strijd met de plicht heeft plaatsgevonden in de toekomstige of voormalige dienstbetrekking of bij de uitvoering van de toekomstige of voormalige last in verband waarmee het voordeel is aangenomen of aange- boden.

Artikel I van het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

In onderdeel K worden aan artikel 328ter twee leden toegevoegd, luidende:

4. Met gelijke straf wordt gestraft hij die in het vooruitzicht van zijn dienst- betrekking of optreden als lasthebber, indien de dienstbetrekking of het op- treden als lasthebber is gevolgd, een feit begaat als in het eerste lid om- schreven alsmede hij die dit feit begaat na zijn dienstbetrekking of optreden als lasthebber. 5. Met gelijke straf wordt gestraft hij die een feit als in het tweede lid om- schreven begaat jegens een persoon in het vooruitzicht van een dienst- betrekking of het optreden als lasthebber, indien deze dienstbetrekking of dit optreden als lasthebber is gevolgd alsmede hij die dit feit begaat jegens een persoon na diens dienstbetrekking of optreden als lasthebber.

Print Friendly and PDF ^

Publicatie Verordening marktmisbruik & Richtlijn strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik

Op 12 juni zijn de Verordening over marktmisbruik (No 600/2014) en de Richtlijn over strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (2014/57/EU) gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Nu de instrumenten zijn gepubliceerd, heeft de Commissie 24 maanden om uitvoeringsmaatregelen voor de verordening vast te stellen. Lidstaten dienen de richtlijn nu binnen 2 jaar om te zetten naar nationaal recht.

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^