Wetsvoorstel verruiming vrijheid van meningsuiting

Recente gebeurtenissen, zoals de veroordeling van een man die een islamkritische poster voor zijn raam hing, de inval bij cartoonist Gregorius Nekschot en de vervolging van Geert Wilders, hebben de discussie over de beperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk recht op vrijheid van meningsuiting weer doen oplaaien. De vraag naar de noodzaak van de artt. 137c (groepsbelediging) en 137d Sr (haatzaaien) is daardoor nadrukkelijk aan de orde gesteld. Voorgesteld wordt om voornoemde artikelen te schrappen, omdat deze de noodzakelijke scherpte en duidelijkheid missen en genoemde delicten bovendien reeds onder andere delictsomschrijvingen vallen. De strafbaarstelling van aanzetten tot geweld, bedreiging en opruiing, alsmede enkelvoudige belediging, smaad en laster blijven immers gehandhaafd. Feitelijke discriminatie blijft eveneens strafbaar.

Met het onderhavige voorstel worden vier doelen gediend, te weten het verruimen van de vrijheid van meningsuiting, het verzekeren van het lex certa beginsel, het voorkomen van een conflict tussen op Nederland rustende verdragsverplichtingen en het bieden van een handreiking aan het Europese hof voor de rechten van de mens bij het bepalen van de Europese consensus inzake het beschermen van het maatschappelijk debat.

Print Friendly and PDF ^

Kamerstukken: Nota van wijziging Wijzigingswet financiële markten 2013

Deze nota van wijziging bevat een aantal technische wijzigingen. Hieronder een greep uit de wijzigingen:

  • De aanvankelijk voorgestelde wijzigingen van artikel 3:191 Wft zijn overbodig geworden door de inwerkingtreding van de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen.
  • De Wet bekostiging financieel toezicht is reeds tot stand gekomen. De aanhef van artikel II is in verband hiermee aangepast.
  • De Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen is reeds tot stand gekomen en in werking getreden (Stb. 2012, 265). Onderdeel E van artikel III is in verband hiermee aangepast.
  • De Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen is reeds tot stand gekomen en in werking getreden. Artikel VI is in verband hiermee aangepast.
  • De Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen is reeds tot stand gekomen en in werking getreden. Artikel VII is in verband hiermee aangepast.
  • Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken 32 450) is over het hoofd gezien dat artikel 1:3a Wft ook zou worden gewijzigd bij de inmiddels in werking getreden Wijzigingswet financiële markten 2012. Bij inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht zou laatstbedoelde wijziging weer ongedaan worden gemaakt. Met het oog hierop wordt door artikel VIID een derde lid aan artikel 1:3a Wft toegevoegd, waarin de benodigde aansluiting bij de nieuwe Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak in bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt geregeld. De in Deel B, artikel XLIX, onderdeel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht voorziene wijziging van artikel 1:3a zal vervolgens bij inwerkingtreding van die wet worden uitgezonderd.
  • Artikel VIIE, ten slotte, bevat een samenloopbepaling in verband met het wetsvoorstel voor de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. De instelling van de Autoriteit Consument en Markt heeft tot gevolg dat in het nieuwe derde lid van artikel 1:3a Wft "Nederlandse Mededingingsautoriteit" op enig moment zal moeten worden vervangen door "Autoriteit Consument en Markt". Dat kan, afhankelijk van het tijdstip van inwerkingtreding van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, zowel voor als na de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht zijn. Het nieuwe artikel VIIE bevat voor beide scenario's een voorziening.
Print Friendly and PDF ^

Kamerstukken: Nota van wijziging AIFM

Abusievelijk werd in het zevende en negende lid van artikel 2:67b van de Wft verwezen naar het derde lid. In deze leden moet echter worden verwezen naar het vierde lid, waarin is bepaald dat de Autoriteit Financiële Markten geheel, of gedeeltelijk ontheffing kan verlenen van het ingevolge artikel 2:67 bepaalde. Nagelaten was om de vrijstelling in artikel 2:74, eerste lid, van de Wft aan te passen aan het nieuwe artikel 2:66a, eerste en tweede lid, van de wet. Dit wordt met deze wijziging hersteld. Artikel 2:66a vormt de implementatie van artikel 3 van de richtlijn. Hierin is geregeld dat een verlicht regime op beheerders van toepassing is, wanneer de rechten van deelneming worden aangeboden aan professionele beleggers. Ook is een verlicht regime van toepassing bij het aanbieden van rechten van deelneming aan niet-professionele beleggers, voor zover de rechten worden aangeboden aan minder dan honderdvijftig personen, de rechten kunnen worden verworven voor een tegenwaarde van tenminste € 100.000, of de rechten een nominale waarde per recht hebben van tenminste € 100.000. Omdat de betreffende drempels reeds zijn opgenomen in artikel 2:66a, kunnen de in artikel 2:74, eerste lid, opgenomen beperkingen worden geschrapt.

Artikel 40, elfde, twaalfde en dertiende lid, van de richtlijn bepaalt dat de Europese Commissie uitvoeringsmaatregelen kan treffen en normen kan stellen ten aanzien van samenwerkingsovereenkomsten tussen toezichthoudende instanties. Dit geldt ook voor de samenwerkingsovereenkomsten, bedoeld in het voorgestelde artikel 2:121g, eerste lid, onderdeel a, van de wet. Daarom wordt aan artikel 2:121g een nieuw derde lid toegevoegd, op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot deze samenwerkingsovereenkomsten.

In het voorgestelde artikel 4:37c, zevende lid, wordt ten onrechte verwezen naar het derde lid, terwijl bedoeld is te verwijzen naar de informatie in het zesde lid.

In het voorgestelde artikel 4:37c, elfde lid, wordt verwezen naar "wijzigingen als bedoeld in het zesde lid". Bedoeld is te verwijzen naar wijzigingen in de informatie, bedoeld in het zesde lid.

In het voorgestelde artikel 4:37p wordt geregeld dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aanvullende regels gesteld kunnen worden, welke gelden voor een beheerder van een beleggingsinstelling die rechten van deelneming aanbiedt aan niet-professionele beleggers. Deze regels gelden alleen voor zover de rechten van deelneming worden aangeboden in Nederland. Dit is verduidelijkt in het artikel.

Klik hier voor de volledige Nota.

Print Friendly and PDF ^

Regeling tot wijziging van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)

De regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. De in deze regeling opgenomen wijzigingen van de Rarro houden grotendeels verband met de eerste aanvulling van het Barro, waarbij enkele nieuwe nationale ruimtelijke belangen aan het Barro zijn toegevoegd en met de inwerkingtreding van de bepaling over radars in art. 2.6.9 van het Barro. Voor de toegevoegde nationale belangen ‘Hoofdwegen en landelijke spoorwegen’ en ‘Ecologische hoofdstructuur’ en voor de regeling met betrekking tot radars is op onderdelen nog een nadere uitwerking vereist op het niveau van een ministeriele regeling. De onderhavige regeling voorziet daarin. Daarnaast bevat deze regeling nog enkele wijzigingen van niet inhoudelijke aard naar aanleiding van enkele nieuwe ontwikkelingen en worden enkele onjuistheden hersteld. De regeling treedt op 1 oktober 2012 in werking.

Print Friendly and PDF ^

Kamerstukken: Nota van wijziging WWFT

"Deze nota van wijziging heeft inhoudelijk met name betrekking op het cliëntenonderzoek zoals verplicht gesteld in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Een nieuwe bepaling wordt geïntroduceerd voor het cliëntenonderzoek ten aanzien van de personenvennootschap. Het begrip personenvennootschap wordt gedefinieerd in een nieuw elfde lid van artikel 3 van de wet. Overeenkomstig de gangbare terminologie in de literatuur wordt daaronder verstaan een maatschap, een vennootschap onder firma en een commanditaire vennootschap. Onder de definitie worden tevens vergelijkbare rechtsvormen naar buitenlands recht begrepen. Daarmee is gedoeld op soortgelijke gemeenschappen van personen, zonder rechtspersoonlijkheid, die door een overeenkomst tot stand zijn gebracht.

Evenals bij de trust is het cliëntenonderzoek ten aanzien van personenvennootschappen afgestemd op de omstandigheid dat de te onderzoeken entiteit geen rechtspersoonlijkheid heeft; de personenvennootschap is te beschrijven als een gemeenschap van personen die door een overeenkomst tot stand is gebracht. Tegelijk is zoveel mogelijk aangesloten bij de verplichtingen van het cliëntenonderzoek in het tweede lid en de definitie van uiteindelijk belanghebbende. De doelstelling is dezelfde als bij het cliëntenonderzoek in geval van rechtspersonen: de zeggenschapsstructuur doorgronden, monitoren van de zakelijke relatie en uitgevoerde transacties, en achterhalen welke natuurlijke personen in belangrijke mate invloed kunnen uitoefenen of belangen hebben.

Enkele aspecten van het cliëntenonderzoek bij personenvennootschappen worden hier nader toegelicht. Het begrip uiteindelijk belanghebbende zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet is niet goed te hanteren in de context van personenvennootschappen. Zo kent een personenvennootschap geen aandelen of algemene vergadering. In de onderhavige bepaling is niettemin zoveel mogelijk aangesloten bij de elementen van het begrip uiteindelijk belanghebbende. Zo is in plaats van ‘stemrechten in de algemene vergadering’ uitgegaan van ‘stemrechten bij besluitvorming ter zake van wijziging van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de personenvennootschap of de uitvoering van die overeenkomst anders dan door daden van beheer’. Waar het onderhavige aspect van het cliëntenonderzoek op ziet, is de mate van invloed op meer ingrijpende besluiten van de personenvennootschap, inzake bijzondere transacties (buiten het domein van de normale bedrijfsvoering) of tot aanpassing van de overeenkomst die aan de personenvennootschap ten grondslag ligt (bijvoorbeeld inzake de verdeling van de winst). De natuurlijke persoon die - direct of indirect - de personenvennootschap wezenlijk naar zijn hand kan zetten geldt als equivalent van uiteindelijk belanghebbende.

Onder daden van beheer vallen alle handelingen voor de normale verwezenlijking van het concrete doel van de maatschap, inclusief handelingen die naar gebruik en billijkheid uit het doel voortvloeien en hiermee samenhangen. Dit beheer is binnen de personenvennootschap vaak opgedragen aan een of meer vennoten.

Ten behoeve van het doorgronden van de zeggenschapsstructuur vallen personen die bevoegd zijn inzake beheer eveneens onder het cliëntenonderzoek: ingevolge onderdeel a dient de instelling hen te identificeren, maar er is geen verplichting hun identiteit te verifiëren.

Verificatie van de identiteit is beperkt tot de natuurlijke personen die ingevolge onderdeel b kwalificeren als equivalent van uiteindelijk belanghebbenden. Er is voor gekozen, in afwijking van hetgeen ter zake in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is gesteld, het onderzoek te concentreren op deze personen. Verificatie van de identiteit van alle vennoten zou in sommige gevallen praktisch onmogelijk zijn, bijvoorbeeld bij een zogenoemde open commanditaire vennootschap.

De specifieke bepalingen inzake het cliëntenonderzoek ten aanzien van de trust worden herzien teneinde deze beter te laten aansluiten bij de opzet van het cliëntenonderzoek in het tweede lid van artikel 3 van de wet.

De overige wijzigingen strekken tot herstel van omissies of voorzien in technische verbeteringen, zoals hierna toegelicht."

Klik hier voor de volledige Nota.

Print Friendly and PDF ^