Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden

Per 1 juni 2012 is de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden (2012A012) van toepassing. Deze aanwijzing vervangt de gelijk genaamde aanwijzing uit 2011 (2011A007).


De Aanwijzing is op een tweetal plaatsen gewijzigd, waardoor deze een nieuw registratienummer heeft gekregen en de datum van vaststelling en de geldigheidsduur is gewijzigd.

De volgende wijzigingen zijn aangebracht in de volgende onderdelen van de aanwijzing.

In hoofdstuk 2, Bijzondere opsporingsbevoegdheden, paragraaf 2.5 Opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, onderdeel Woningen, is de volgende zin geschrapt:

‘Ook het opnemen van vertrouwelijke communicatie in een penitentiaire inrichting, daaronder begrepen de bezoekersruimte in die inrichting, dient via de CTC ter toetsing te worden voorgelegd aan het College.’  

In Hoofdstuk 5. Procedurele voorschriften; paragraaf 5.1: Centrale toetsingscommissie, legt de officier van justitie de verplichting op om, na advies van de CTC, toestemming te vragen aan het College bij; het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in een woning of een daaraan gelijk te stellen ruimte, waaronder een penitentiaire inrichting (artt. 126l en 126s Sv);

De vetgedrukte zinsnede is geschrapt.


Klik hier voor de geldende versie van de Aanwijzing.

Print Friendly and PDF ^

Wijziging Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden

Datum inwerkingtreding: 1 juni 2012
Geldigheidsduur: 31 mei 2016
Registratienummer: 2012A012


De Aanwijzing opsporingsbevoegdheden (2011A002) Stcrt. 2011, nr. 3240, is op een tweetal plaatsen gewijzigd. De wijzigingen zijn aangebracht in de volgende onderdelen van de aanwijzing:

  • In hoofdstuk 2, Bijzondere opsporingsbevoegdheden, paragraaf 2.5 Opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, onderdeel Woningen, is de volgende zin geschrapt. ‘Ook het opnemen van vertrouwelijke communicatie in een penitentiaire inrichting, daaronder begrepen de bezoekersruimte in die inrichting, dient via de CTC ter toetsing te worden voorgelegd aan het College.’                      
  • In Hoofdstuk 5. Procedurele voorschriften; paragraaf 5.1: Centrale toetsingscommissie, legt de officier van justitie de verplichting op om, na advies van de CTC, toestemming te vragen aan het College bij; het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in een woning of een daaraan gelijk te stellen ruimte, waaronder een penitentiaire inrichting (artt. 126l en 126s Sv).

Klik hier voor de geldende versie van de Aanwijzing.

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel financieel-economische criminaliteit, 15 mei 2012

Meer mogelijkheden voor Justitie om witteboordencriminelen aan te pakken

Samenvatting wetsvoorstel

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie wil de mogelijkheden om financieel-economische criminaliteit aan te pakken aanzienlijk verruimen. Bedrijven die de fout ingaan, kunnen straks een geldboete krijgen van 10 procent van hun jaaromzet. Ook komen er hogere straffen voor witwassen en corruptie. Misbruik van gemeenschapsgeld wordt strafbaar gesteld. Verder kunnen recidiverende daders van economische delicten een zwaardere straf krijgen. Voorgesteld wordt om een flexibel boeteplafond in te voeren zodat rekening kan worden gehouden met het profijt in relatie tot de draagkracht van ondernemingen die strafbare feiten plegen. Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel beoogd een aantal op de bestrijding van financieel-economische criminaliteit toegesneden strafbaarstellingen te verruimen en te actualiseren. Het gaat om de strafbepaling inzake misbruik van gemeenschapsgeld,   de strafbaarstelling van witwassen en de strafbaarstellingen inzake ambtelijke corruptie en corruptie in de privé-sector. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een strafverzwaringsgrond gericht op het bestrijden van het stelselmatig plegen van misdrijven in de sfeer van de Wet op de economische delicten. Tot slot is het de bedoeling de mogelijkheden tot opsporing van financieel-economische criminaliteit te verbeteren door het invoeren van een snellere procedure om te oordelen over de inbeslagneming van stukken, wanneer onder andere advocaten en notarissen zich beroepen op hun verschoningsrecht.

Concreet wordt het volgende voorgesteld:

I Verruimen en Actualiseren Strafbaarstellingen

Misbruik van gemeenschapsgeld
Art. 323a Sr bevat een strafbaarstelling van het misbruik van subsidiegelden verstrekt door de Europese Gemeenschappen. De mogelijkheden tot strafrechtelijk optreden tegen bijv. subsidiefraude beperken zich dus tot fraude met EG-gelden en gevallen waarin het gebruik van subsidiegelden voor andere doeleinden dan waartoe deze zijn vertrekt gepaard gaat met handelen dat wel strafbaar is, zoals bijvoorbeeld valsheid in geschrifte indien onjuiste informatie is opgegeven.
De reikwijdte van art. 323a Sr wordt verruimd door in brede zin misbruik van gemeenschapsgeld strafbaar te stellen. Het betreft zowel het oneigenlijk gebruik van middelen verstrekt door of vanwege de rijksoverheid als door of vanwege lokale overheden. Daarnaast wordt behalve het misbruik van EG-subsidiegelden ook het misbruik van gelden verstrekt door andere internationale organisaties strafbaar gesteld. Bijvoorbeeld ook de Raad van Europa, VN-organisaties en de Wereldbank verstrekken gelden voor allerhande projecten op hun respectieve werkterreinen.

Corruptie in de private sector
In art. 328ter Sr is het actief en passief omkopen van personen werkzaam in de private sector strafbaar gesteld. In deze bepaling ligt een algemene (wettelijke) plicht besloten om telkens binnen de onderneming of in het kader van de uitvoering van een opdracht openheid te betrachten waar het gaat om gelden of voordelen die worden aangeboden tijdens de uitoefening van een functie.
De verruiming van de strafbaarstelling van private omkoping krijgt gestalte door in art. 328ter Sr het handelen in strijd met de plicht door een werknemer of lasthebber centraal te stellen. Verduidelijkt wordt in het voorgestelde derde lid, dat onder handelen in strijd met de plicht in ieder geval ook het in strijd met de goede trouw verzwijgen van een gift, belofte of dienst valt, waartoe de werkingssfeer van art. 328ter Sr zich thans beperkt. Daarnaast wordt voorgesteld het strafmaximum waarmee het misdrijf wordt bedreigd te verhogen naar vier jaren gevangenisstraf en een geldboete van de vijfde categorie.

Ambtelijke corruptie
In de huidige opzet van de strafbaarstelling van ambtelijke omkoping wordt onderscheid gemaakt tussen handelen in strijd met de ambtsplicht en handelen dat niet strijdig is met deze plicht. In de rechtspraak wordt dit onderscheid echter steeds minder van belang geacht. Als afzonderlijk bestanddeel heeft het handelen in strijd met de ambtsplicht daarmee aanzienlijk aan belang verloren. Niet het ambtsstrijdig handelen staat centraal, maar íeder ambtelijk handelen. Dergelijk handelen dient vrij te blijven van welke geldelijke beïnvloeding dan ook.
Voorgesteld wordt in de artt. 177 en 363 Sr actieve en passieve omkoping van een ambtenaar strafbaar te stellen, onafhankelijk van de vraag of daarbij een ambtsplicht worden geschonden of niet.
Daarnaast wordt voorgesteld om de straffen voor actieve en passieve omkoping te verhogen tot zes jaren gevangenisstraf en een geldboete van de vijfde categorie.
Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat het feit dat een ambtenaar gunsten aangeboden krijgt om zijn handelen te beïnvloeden en deze aanneemt, niet alleen onoirbaar en daarom strafbaar is, maar breder de integriteit en daarmee de legitimiteit van de overheid in gevaar brengt.

Witwassen
Voorgesteld wordt de maximumstraf voor het basis opzetdelict witwassen, art. 420bis Sr, te verhogen tot zes jaar gevangenisstraf.

Daarnaast wordt voorgesteld om de strafbedreiging ten aanzien van gewoontewitwassen te verhogen van zes jaren tot acht jaren gevangenisstraf (art. 420ter Sr).

Gezien het ‘verwerpelijke karakter’ ervan wordt voorts voorgesteld het handelen in art. 420ter Sr (witwassen waarbij de dader misbruik maakt van zijn beroep om witwashandelingen te verrichten) als een gekwalificeerde vorm van witwassen aan te merken. In aansluiting hierop voorziet art. 420quinquies Sr reeds in de mogelijkheid deze personen een beroepsverbod op te leggen.

Ten slotte wordt voorgesteld om schuldwitwassen, art. 420quater Sr, strenger te straffen: voorgesteld wordt een verhoging tot twee jaren gevangenisstraf.
want:
“Het is onaanvaardbaar dat personen die een luxeleven leiden omdat zij geld en geschenken aannemen van criminelen, en daarmee rechtsreeks profiteren van het plegen van ernstige misdrijven als drugs- of mensenhandel, slechts een geringe straf riskeren.”
Ter motivering van de verhoging van de strafmaxima:
“Witwassen van opbrengsten van ernstige misdrijven zoals drugshandel en mensenhandel moet in vele opzichten als net zo ernstig worden beschouwd als het plegen van die misdrijven zelf. Dat moet meer tot uitdrukking komen in de toepasselijke straf.”

Stelselmatige overtreding van de WED
“Vooral bij economische delicten is sprake van een categorie daders die structureel de wet overtreedt en daarmee grote schade aan de samenleving veroorzaakt en de eerlijke concurrentie verstoort omdat andere ondernemers zich wel aan de regels houden.”
Voorgesteld wordt dan ook om een aparte strafbaarstelling voor stelselmatige plegers in het leven te roepen.
Met de voorziene vrijheidsstraf van vier jaren worden aanhouding buiten heterdaad   en de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden als het opnemen van telecommunicatie tevens mogelijk. Ten slotte kent de nieuwe strafbaarstelling op grond van het voorgestelde straf, een langere verjaringstermijn. De nieuwe strafbaarstelling inzake stelselmatige overtreding van de WED kent op grond van het voorgestelde strafmaximum van vier jaar gevangenisstraf, een vervolgingsverjaring van twaalf jaren.

II Sancties voor rechtspersonen
Op dit moment bedraagt de hoogst mogelijke boete in Nederland € 780.000,-. Hier zou in internationaal verband met regelmaat kritiek op geuit worden. Met name als gekeken wordt naar Frankrijk waar boetes tot € 7,5 miljoen opgelegd kunnen worden.
Daarnaast blijft de boete die in het strafrecht kan worden opgelegd achter bij de bedragen van bestuurlijke boetes die ter administratiefrechtelijke handhaving (van vaak dezelfde financiële en economische regelgeving) mogelijk zijn.
Het wetsvoorstel introduceert de mogelijkheid voor de rechter om een geldboete op te leggen die hoger is dan het maximumbedrag van de geldboete van de zesde categorie. Wanneer dit in het kader van een passende bestraffing nodig is, kan de rechter in plaats van het maximum van zesde geldboete categorie, een geldboete opleggen die ten hoogste tien procent van jaaromzet van een onderneming betreft. De rechter dient hierbij  rekening te houden met:
·         de ernst van het feit
·         het profijt
·         de draagkracht van de dader
III Regeling voor toetsing beroep op verschoningsrecht
Voorgesteld wordt een procedure op grond waarvan de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken van een geheimhouder zelf kan inzien teneinde te beoordelen of bij (blijvende) geheimhouding van deze stukken een zwaarderwegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht. De beslissing van de rechter-commissaris kan in een spoedprocedure voor de rechtbank worden aangevochten. Cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank is niet mogelijk.

De toetsing door de rechter-commissaris vindt plaats aan de hand van een door de Hoge Raad, mede aan de hand van de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, gehanteerd criterium. Dat criterium houdt in dat het verschoningsrecht in zoverre niet absoluut is dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven de met het verschoningsrecht gemoeide belangen. Bepalend bij deze belangenafweging zijn de aard en ernst van het strafbare feit, de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt en het belang dat het verschoningsrecht in dat verband dient, de mate waarin de belangen van betrokkenen worden geschaad indien het verschoningsrecht wordt doorbroken, en de (on)mogelijkheid om op andere wijze tot opheldering van een ernstig strafbaar feit te komen (vgl. Hoge Raad 28 februari 2012, LJN: BU6088).
In het voorgestelde art. 98a, eerste lid, Sv wordt bij deze belangenafweging aangesloten, door de rechter-commissaris de mogelijkheid te geven een beroep op het verschoningsrecht te negeren, indien hij oordeelt dat bij geheimhouding van de daar bedoelde brieven en andere geschriften aan een zwaarderwegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht. De invulling in concrete gevallen wordt gelaten aan de rechter. Daarmee wordt gewaarborgd dat alle omstandigheden van het geval bij een afweging in een zaak kunnen worden betrokken. Er blijft zo ook volop ruimte voor rechtsontwikkeling – mede aan de hand van de rechtspraak van het EHRM – waarbij het goede functioneren van de bepaling gebaat is.

IV Beperking aftrek van kosten bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

Met de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt beoogd de veroordeelde zijn criminele winst af te nemen. Dit doel wordt bereikt door de vermogenspositie van de veroordeelde terug te brengen tot die vóór het plegen van de strafbare feiten. Dat is de essentie van de maatregel.
Voorgesteld wordt de aftrek van kosten wettelijk te normeren, en de nadruk te leggen op het uitzonderlijke karakter van de kostenaftrek. De aftrek van kosten dient zich te beperken tot bijzondere gevallen waarin de redelijkheid dit gebiedt.
"Immers zal in bijna alle gevallen sprake zijn van eigen schuld: de verdachte nam bewust een risico door zijn geld te investeren in illegale activiteiten. Betreffen de kosten handelen dat op zichzelf reeds het plegen van strafbare feiten behelst, dan verbiedt de redelijkheid zelfs aftrek. Hetzelfde geldt voor kosten in verband met voorwerpen die in aanmerking komen voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring – zoals lampen voor een hennepplantage."

Lees hier het volledige nieuwsbericht van het ministerie van Veiligheid en Justitie
Print Friendly and PDF ^

Aanwijzing OM-afdoening


Per 1 mei 2012 in werking getreden.

Bron: Stcrt. 2012, 8299.

Samenvatting

In deze aanwijzing wordt de regeling van de Wet OM-afdoening besproken die in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen. De Wet OM-afdoening maakt kort gezegd mogelijk dat het Openbaar Ministerie, in plaats van een transactie aan te bieden, een zaak zelf buitengerechtelijk kan bestraffen. Deze aanwijzing richt zich tot het OM in zijn rol bij de afdoening van zaken door middel van een strafbeschikking.
Naast de strafbeschikking, uitgevaardigd door de officier van justitie op grond van artikel 257a Sv, kan een strafbeschikking op grond van artikel 257b Sv worden uitgevaardigd door de (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Voorts kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd door een daartoe aangewezen lichaam of persoon, met een publieke taak belast, op grond van artikel 257ba Sv. Tot slot kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd door het bestuur van 's Rijks belastingen (fiscale delicten) op grond van artikel 76 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen of door de inspecteur van Douane (douane delicten) op grond van artikel 10:15 van de Algemene douanewet.
Het uitvaardigen van een strafbeschikking is een daad van vervolging. In tegenstelling tot een transactie, berust een strafbeschikking op een schuldvaststelling; een strafbeschikking wordt niet uitgevaardigd als niet vastgesteld kan worden dat de verdachte het feit heeft begaan. Indien de bestrafte in de strafbeschikking berust, staat zijn schuld daarmee vast.
Naast wettelijke criteria die het uitvaardigen van een strafbeschikking uitsluiten, bestaan er beleidsmatige contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Dit kunnen dwingende contra-indicaties zijn of facultatieve. In Bijlage 1A en bijlage 1B (contra-indicaties) zijn de wettelijke criteria en de belangrijkste contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking opgenomen. Bijlage 1A bevat een toelichting op de contra-indicaties en bijlage 1B is daarvan een schematische weergave.
Voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking dient in een aantal gevallen de verdachte door de officier van justitie te worden gehoord. Deze hoorplicht is niet gekoppeld aan het soort delict, maar aan de soort of de zwaarte van de op te leggen sanctie.
In artikel 257d Sv worden voorschriften genoemd voor het uitreiken en toezenden van een afschrift van de strafbeschikking aan de verdachte. Uitgangspunt is dat de strafbeschikking per gewone post wordt verzonden, tenzij hij in persoon kan of moet worden uitgereikt. Toezending van strafbeschikkingen houdende betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen van € 2.000, geschiedt bij aangetekende brief.
Degene jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, wordt in de beleidsregels van het OM 'bestrafte' genoemd. Hij kan tegen deze strafbeschikking verzet doen, waarna de zaak in volle omvang door de rechter wordt beoordeeld, tenzij de officier van justitie de strafbeschikking intrekt of de strafbeschikking wijzigt, waarna alsnog door de bestrafte aan de gewijzigde strafbeschikking wordt voldaan. Een bestrafte kan zijn verzet ook weer intrekken of afstand doen van verzet. Dit laatste kan hij doen door vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking of schriftelijk, bijgestaan door een raadsman. De verzetstermijn bedraagt twee weken vanaf het moment dat de strafbeschikking in persoon is uitgereikt of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is.
In de gevallen dat anderen strafbeschikkingen uitvaardigen, houdt het OM toezicht op de kwaliteit van de aangeleverde strafbeschikkingen en processen-verbaal door de inzendende instanties. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de strafbeschikkingen en de processen-verbaal ligt bij (buitengewoon) opsporingsambtenaren en de inzendende instanties, die ervoor moeten zorgen dat de strafbeschikkingen en processen-verbaal de kwaliteitstoets doorstaan. Afspraken tussen de inzendende instanties en het OM over de benodigde kwaliteit kunnen gaan over de eisen waaraan het proces-verbaal, naast de wettelijke eisen, moet voldoen en over de wijze waarop de inzendende instantie de kwaliteit waarborgt.
Hoewel het OM bij het uitvaardigen van een strafbeschikking door een (buitengewoon) opsporingsambtenaar (ex artikel 257b Sv) of personen of lichamen, met een publieke taak belast (ex artikel 257ba Sv) zich voorafgaand aan het uitvaardigen zelf geen inhoudelijk oordeel kan vormen omtrent de schuld van de te bestraffen persoon, stelt het OM aan die uitvaardiging de eis dat hiertoe, net zo als bij het uitvaardigen van een strafbeschikking ex artikel 257a Sv, pas wordt overgegaan nadat is vastgesteld dat aan alle eisen van strafvordering is voldaan. In die zin mag een op grond van artikel 257b Sv of artikel 257ba Sv uitgevaardigde strafbeschikking in ieder geval niet afwijken van een onder artikel 257a Sv uitgevaardigde strafbeschikking.
Het verzet schorst de executie van de strafbeschikking of schort die op. De executie kan echter worden aangevangen of hervat als naar het oordeel van het OM vast staat dat het verzet evident na het verstrijken van de termijn is gedaan.
Ter terechtzitting zal de officier van justitie geen hogere boete eisen dan de sanctie van de strafbeschikking, tenzij de bestrafte geen inhoudelijke gronden aanvoert waarop zijn verzet is gebaseerd. Een dergelijke situatie kan voorkomen wanneer de bestrafte in het verzetschrift geen gronden heeft aangegeven en eveneens verstek laat gaan ter terechtzitting, dan wel verschijnt maar geen inhoudelijk verweer voert. Als de zaak ter terechtzitting is aangebracht na mislukte executie, wordt in beginsel een zwaardere sanctie geëist. Daarbij moet rekening worden gehouden met de reeds (gedeeltelijk) ten uitvoer gelegde sanctie.
Op basis van artikel 257g Sv vindt de executie van de strafbeschikking plaats, minimaal veertien dagen na toezending of uitreiking in persoon van het afschrift van de strafbeschikking, tenzij afstand van verzet is gedaan. Bij strafbeschikkingen is geen betekening voorschreven.
Als geen volledig verhaal heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie de kantonrechter in het arrondissement waar de bestrafte woont, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen in zaken waarin een geldboete is opgelegd. Op het parket Leeuwarden is de Landelijk strafbeschikkingsofficier werkzaam, die onder meer de door het CJIB voorbereide vorderingen machtiging gijzeling beoordeelt. Na mislukte executie kan de bestrafte alsnog worden gedagvaard.
Ieder ander dan de bestrafte en zijn raadsman kan op grond van artikel 257h Sv desgevraagd een afschrift van een strafbeschikking aanvragen bij het OM. De procedure voor dergelijke verstrekkingen is afgestemd met het beleid van de Raad voor de rechtspraak met betrekking tot het verstrekken van afschriften en vonnissen. De wijze van verstrekking is beschreven in Bijlage 3: Leidraad informatieverstrekking OM-afdoening.
De bestrafte zelf kan op basis van artikel 33 Sv inzage krijgen in alle processtukken.
Print Friendly and PDF ^

Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten

In het Besluit OM-afdoening, zoals dit per 1 mei 2012 is gewijzigd, is krachtens artikel 257ba, eerste lid, Sv voor onderscheidenlijk:


  • 1)daarin aangewezen zaken betreffende misdrijven of overtredingen in de sfeer van de milieuwetgeving, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (milieufeiten), en
  • 2)daarin aangewezen zaken betreffende overtredingen van waterschapskeuren, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (keurfeiten)
binnen daarbij gestelde grenzen een strafbeschikkingsbevoegdheid verleend aan een aantal lichamen en personen, met een publieke taak belast. Ingevolge het tweede lid van artikel 257ba is het College van procureurs-generaal belast met het toezicht op en het opstellen van richtlijnen voor het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door de aangewezen lichamen en personen.

Deze richtlijn bevat regels voor het gebruik van de twee in het Besluit OM-afdoening onderscheiden bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheden. Daarnaast bevat zij boetebedragen voor milieu- en keurfeiten.

De richtlijn is gericht tot de aangewezen lichamen en personen, hierna aangeduid als: bevoegd gezag.

Voor zover een bevoegd gezag het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid overeenkomstig deze richtlijn heeft gemandateerd aan een ander, dient het ervoor te zorgen dat de betrokken persoon de richtlijn eveneens in acht neemt. Deze zorgplicht ziet in het bijzonder op de wijze waarop wordt omgegaan met de hieronder te noemen contra-indicaties voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid, de rechtswaarborgen voor de verdachte en de boetebedragen. Bij het toezicht door het College op het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid zal dit een belangrijk aandachtspunt zijn.


Op 1 mei is deze richtlijn in werking getreden.

Bron: Stcrt. 2012, 8342

Print Friendly and PDF ^