Rb bestraft PGB-fraude met werkstraf in plaats van (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf vanwege spijtbetuiging en verlenen medewerking door verdachte

Rechtbank Noord-Nederland 8 december 2016, ECLI:NL:RBNNE:2015:6287 Verdachte is na het overlijden van zijn vrouw doorgegaan met het indienen van verantwoordingsformulieren bij het zorgkantoor om op die wijze pgb-gelden die bestemd waren voor de verzorging van zijn vrouw, te kunnen blijven ontvangen. Verdachte voerde daarbij zorgverleners op die in werkelijkheid geen zorg hadden verleend.

Verdachte heeft door dat handelen bijna 72.000 euro onterecht ontvangen.

Verdachte heeft oprecht spijt betuigd van zijn foutief handelen. Verdachte heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek en heeft zijn verantwoordelijkheid daarin genomen. Daarnaast zijn de feiten tot en met 2012 gepleegd en dient het tijdsverloop ook tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf.

Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, hoewel het benadelingsbedrag dat in beginsel wel zou rechtvaardigen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens bijstandsfraude: verdachte heeft jarenlang in auto's gehandeld zonder de verdiensten daaruit op te geven

Rechtbank Noord-Nederland 30 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:6147 Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan bijstandsfraude. Door zijn bijverdiensten uit de autohandel niet op te geven aan de sociale dienst, hebben hij en zijn partner tijdens deze periode ten onrechte een volledige bijstandsuitkering genoten. Verdachte heeft bekend. 

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 160 uur en een maand voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Noord-Nederland 30 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:6148

De partner van verdachte wordt tot een gelijke straf veroordeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rb spreekt verdachte vrij van uitkeringsfraude

Rechtbank Noord-Nederland 5 november 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:6259 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte niet aan het UWV heeft gemeld dat hij niet zijn hoofdverblijf op de in Nederland bij het UWV opgegeven adressen heeft gehad en dat hij eigenaar is geworden van twee bedrijven in land. Zij heeft aangevoerd dat verdachte wist dat deze gegevens van belang waren voor het recht op een uitkering en de hoogte daarvan. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij mondeling aan het UWV heeft doorgegeven dat het door hem opgegeven adres in Delfzijl een postadres was, maar het is een verplichting om dit schriftelijk door te geven. De verklaring die verdachte heeft gegeven omtrent het eigendom van de twee bedrijven in land acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet buiten gerede twijfel kan worden aangetoond dat verdachte in de ten laste gelegde periode naar land is geëmigreerd en in land uit een café en/of winkel inkomsten heeft gegenereerd. Er kan dus ook niet worden bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten aan het UWV gegevens te verstrekken terwijl dit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander. In de zin van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht waren die gegevens ook niet van belang voor de vaststelling van zijn recht op een uitkering of toeslag.

Beoordeling rechtbank

Verdachte heeft het ten laste gelegde betwist. Hij heeft verklaard dat hij mondeling aan het UWV heeft doorgegeven dat het door hem opgegeven adres in Delfzijl een postadres betrof. De rechtbank merkt op dat dit niet ongebruikelijk is en dat verdachte op dit adres dus wel bereikbaar was voor het UWV. Dit blijkt ook uit de verklaring van verdachte dat hij, na ontvangst van stukken van het UWV, meermalen op het kantoor van het UWV is geweest. Omtrent deze bezoeken van verdachte bevat het dossier geen stukken.

Ook met betrekking tot het eigendom van de twee bedrijven in land heeft verdachte niet op voorhand onaannemelijke verklaringen afgelegd. Het strafdossier is gebaseerd op een onderzoek door het Internationale Bureau Fraude-informatie (IBF) van het UWV, welk onderzoek via een administratiefrechtelijke weg is gegaan. Op verzoek van de verdediging heeft de rechter-commissaris in deze rechtbank vragen aan het IBF voorgelegd, welke vragen grotendeels onbeantwoord zijn gebleven. Wel is komen vast te staan dat het onderzoek in land is verricht door vertrouwenspersonen die werkzaam zijn voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De onderzoeker is echter anoniem gebleven. Het onderzoek van het IBF is derhalve niet verifieerbaar.

De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Grenzen aan de privatisering van (uitkerings)fraudeonderzoek'

In de strijd tegen uitkeringsfraude zijn overheden de afgelopen jaren steeds meer gebruik gaan maken van private bedrijven die daarbij – vanzelfsprekend – een commercieel belang nastreven. Daarbij gaat het om opleiding en advies aan handhavers in dienst van de overheid of administratieve ondersteuning bij de terugvordering van uitkeringen na geconstateerde fraude. Deze beweging is overigens ook zichtbaar op andere terreinen van het bestuursrecht. Dat roept op zich niet veel vragen op en lijkt ook de nodige vruchten af te werpen. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Centrale Raad van Beroep legt bijstandboetes verder aan banden

De Centrale Raad van Beroep beslist in zijn uitspraak van 11 januari 2016 dat de hoogte van een bijstandsboete zo moet worden vastgesteld, dat een betrokkene deze binnen een redelijke termijn kan betalen. Zo wordt voorkomen dat het opleggen van een boete tot gevolg heeft dat een betrokkene zeer langdurig op het absolute minimum moet leven. De Centrale Raad van Beroep gaat uit van een maximale termijn van twee jaar. Bij de vaststelling van die termijn moet ook rekening worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid van betrokkene, zodat de periode ook korter kan zijn. In deze uitspraak wordt ook grove schuld als mate van verwijtbaarheid voor het eerst toegepast.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Het gaat om bijstandsgerechtigden die ten onrechte bijstand hebben gekregen, omdat zij niet (tijdig) de juiste informatie hebben verstrekt aan de gemeente. Zij moeten het bedrag aan bijstand dat zij ten onrechte hebben ontvangen terugbetalen. Daarnaast is hen een boete opgelegd. Uitgangspunt van de Fraudewet is dat de opgelegde boete even hoog is als het bedrag dat de bijstandsgerechtigde te veel aan bijstand heeft ontvangen door schending van hun inlichtingenverplichting (fraudebedrag).

De Centrale Raad van Beroep heeft op 23 juni 2015 al geoordeeld dat bij het opleggen van een boete rekening moet worden gehouden met de individuele situatie van een betrokkene. De boete moet worden afgestemd op de mate van verwijtbaarheid van betrokkene, waarbij onderscheid moet worden gemaakt in opzet, grove schuld, verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. Het uitgangsbedrag voor de boete is in die gevallen respectievelijk 100 -, 75 -, 50 - en 25 procent van het fraudebedrag.

In de uitspraak van 11 januari 2016 beoordeelt de Centrale Raad van Beroep ook of de boete evenredig is gelet op de draagkracht van de overtreder. Bijstandsgerechtigden hebben slechts een beperkte draagkracht. De Centrale Raad van Beroep vindt dat na de bepaling van het uitgangsbedrag de uiteindelijke hoogte van een boete zodanig moet worden vastgesteld, dat deze binnen een redelijke termijn kan worden voldaan. Anders zou een betrokkene zeer langdurig moeten leven op het absolute minimum. Een maximale termijn van twee jaar is daarbij het uitgangspunt. Rekening moet ook worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid van betrokkene. Is sprake van opzet, dan geldt een termijn van 24 maanden, bij grove schuld geldt een termijn van 18 maanden, bij gewone verwijtbaarheid geldt een termijn van 12 maanden en bij verminderde verwijtbaarheid geldt een termijn van 6 maanden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet volledig beschikbaar is of wordt gebruikt voor het betalen van de boete. De beslagvrije voet is 90% van het minimuminkomen. Met eventuele andere verplichtingen wordt geen rekening gehouden. Ook eventueel vermogen moet worden gebruikt voor het betalen van de boete. Of een betrokkene nog andere schulden heeft, is dus niet van belang.

Betrokkenen in deze zaak hadden bij de aanvraag om een bijstandsuitkering niet gemeld dat zij beschikten over een (tweede) bankrekening en dat zij kort voor het indienen van de aanvraag om bijstand 22.000 euro in contanten van die rekening hadden opgenomen. De gemeente had wegens opzet een boete opgelegd van 100% van het fraudebedrag van bijna 7.000 euro. De Centrale Raad van Beroep kwalificeert het handelen van betrokkenen echter als grove schuld, namelijk als een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Dit is de eerste uitspraak waarin de Centrale Raad van Beroep tot dit oordeel komt. Het uitgangsbedrag van de boete in dit geval is 5.100 euro, namelijk 75 procent van het fraudebedrag. Betrokkenen hadden onvoldoende draagkracht om dat te betalen omdat zij ten tijde van de uitspraak slechts een bijstandsuitkering hadden. Slechts 10 procent van die uitkering is beschikbaar om de boete te betalen. De uiteindelijke boete is daarom vastgesteld op 18 maal 10 procent maal de bijstandsnorm voor gehuwden (1.389,57 euro). Afgerond is dat 2.510 euro. Het fraudebedrag van 7.000 euro moeten zij overigens ook terugbetalen.

Naast deze uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep op 11 januari 2016 nog een vijftal andere uitspraken gewezen over boeten. Daarin kwam onder meer aan de orde het geval dat een bijstandsgerechtigde een hennepkwekerij was begonnen en dit niet bij de gemeente had gemeld, omdat dit ‘zwart werken’ betreft. Hij had dus bewust de informatie niet doorgegeven, zodat sprake was van opzet. Het uitgangsbedrag van de boete is in dit geval 4.626,85 euro, namelijk 100 procent van het fraudebedrag. Ook deze betrokkene had onvoldoende draagkracht. In zijn geval werd de boete uiteindelijk vastgesteld op 2.340 euro (ECLI:NL:CRVB:2016:9). In een andere zaak zou de boete volgens deze systematiek lager uitkomen dan het bedrag dat de betrokkene al had betaald. In dat geval is geen aanleiding gezien om de boete te verlagen. De boete is dan in overeenstemming met de draagkracht (ECLI:NL:CRVB:2016:10). In het geval de bijstandsgerechtigde wel had aangevoerd dat gelet op haar financiële situatie de boete moest worden gematigd, maar zij dit verder niet had toegelicht en zij ook – ondanks daartoe expliciet te zijn uitgenodigd – niet op de zitting is verschenen, bestaat geen aanleiding de boete te verlagen (ECLI:NL:CRVB:2016:11).

Zie verder ook nog van dezelfde datum:

Zie voor de eerste uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over het boeteregime in bijstandszaken:

 

Print Friendly and PDF ^