Uitkeringsfraude: rechtbank verwerpt het verweer dat de gemeente op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding & werkzaamheden of inkomsten

Rechtbank Midden-Nederland 8 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5094 De verdachte ontvangt vanaf 3 april 2001 een uitkering in het kader van de Algemene Bijstandswet van de gemeente Noordoostpolder. Op 1 januari 2005 is de Abw uitkering omgezet naar een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand. Vanaf 1 december 2009 volgens de alleenstaande norm.

De medeverdachte ontvangt vanaf 1 februari 2011 een uitkering in het kader van de Wet Investeren in Jongeren van het cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder volgens de norm alleenstaande ouder met 20% alleenstaande ouder toeslag. Verdachte ontvangt vanaf 11 september 2011 een uitkering in het kader van de WWB van het cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder volgens de norm alleenstaande ouder met 20% alleenstaande ouder toeslag.

Aan de toekenning van een uitkering is de voorwaarde verbonden dat de ontvanger op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en continuering van de uitkering. Hetgeen is bepaald in de artikelen 17 WWB en 44 WIJ.

Bij de toekenningsbeschikking van de uitkering wordt een bijlage gevoegd waarop deze verplichtingen staan vermeld. Aan de hand van de door de ontvanger persoonlijk ingevulde en ondergetekende mutatieformulieren is de hoogte van de uitkering vastgesteld en uitbetaald.

Door de burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder zijn de WWB uitkeringen van verdachte en medeverdachte per 18 december 2013 beëindigd.

Standpunt officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake van opzet, aangezien verdachte wist wat de consequentie was als hij met medeverdachte ging samenwonen. Uit het dossier blijkt dat het waterverbruik in de woning van medeverdachte vanaf 21 mei 2010 laag was. Daarbij komt dat de getuigenverklaringen aansluiten bij dit objectieve gegeven. Daarnaast heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd. De periode ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient beperkt te worden van 1 mei 2010 tot en met 18 december 2013, omdat vanaf dat moment het waterverbruik in de woning van de medeverdachte laag was.

Verdachte heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht en dat is op zichzelf voldoende voor bewezenverklaring van schending van de inlichtingenplicht. Hiervoor is niet van belang of verdachte met deze werkzaamheden daadwerkelijk geld heeft verdiend.

Feit 2

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De medeverdachte heeft eveneens uitkeringsfraude gepleegd. Verdachte heeft hiervan geprofiteerd doordat hij met de medeverdachte samenwoonde. De periode ten aanzien van het ten laste gelegde dient beperkt te worden van 1 februari 2011 tot en met 18 december 2013, omdat de uitkering aan medeverdachte per 1 februari 2011 is verstrekt.

Standpunt verdediging

Feit 1

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. De gemeente was op de hoogte van de situatie waarin verdachte verkeerde, waardoor verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de gemeente ook vanuit het oogpunt van het beoordelen van het recht op bijstand voldoende geïnformeerd was over zijn relatie met de medeverdachte.

Feit 2

De raadsvrouw heeft ook ten aanzien van dit feit vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Daarnaast kan geen voordeel worden verkregen als het voordeel betreft wat is verkregen uit eigen misdrijf.

Beoordeling rechtbank

Op 19 juni 2012 is door de preventiemedewerker afdeling cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder een rapport opgesteld. Hieruit blijkt onder meer dat op 9 juli 2011 een meisje is geboren waarvan de ouders verdachte en de medeverdachte zijn. Voorts blijkt dat het waterverbruik volgens opgave van medeverdachte op het adres 12m3 betreft in de periode van mei 2010 tot en met mei 2011.

Bij waarnemingen in de periode van 8 februari 2012 tot en met 11 juni 2012 is medeverdachte eenmaal in de woning aan het adres gezien. Medeverdachte was gedurende zes minuten in de woning en verliet vervolgens de woning. Tijdens deze waarnemingen is tevens gezien dat medeverdachte om 8.20 uur met een klein meisje de woning van verdachte aan het adres verliet. Voorts is gezien dat er bij verdachte vijf verschillende auto’s op de oprit stonden.

Een nader onderzoek is ingesteld op 6 mei 2013. Uit dit onderzoek blijkt dat door verdachte en medeverdachte geen melding is gedaan van een gezamenlijke huishouding of werkzaamheden of inkomsten. Er zijn immers geen mutatieformulieren of andere meldingen binnengekomen.

In de periode van 21 mei 2010 tot en met 16 mei 2013 heeft medeverdachte het waterverbruik doorgegeven via internet. Het verbruik in die periode is 18 m3. Dit waterverbruik is bijzonder laag, omdat er sprake was van een bewoning door een volwassene en vanaf 2011 door twee kinderen. Een normaal waterverbruik zou zijn 91 m3 voor een tweepersoonshuishouden en een waterverbruik van 137 m3 bij een driepersoonshuishouden, volgens het Nibud.

Uit openbare bronnen op het internet blijkt dat verdachte en medeverdachte een gezamenlijk Facebook account hebben, waarop medeverdachte op 22 en 28 september 2012 berichten zette betreffende haar en verdachte.

Uit achttien waarnemingen in de periode van 14 mei 2013 tot 18 juni 2013 blijkt het volgende. Vijfmaal is gezien dat medeverdachte met haar dochters om 8.20 uur uit de woning van verdachte komt. Voorts zijn er zeven verschillende auto’s op de oprit van verdachte gezien. Tenslotte blijkt dat medeverdachte in de gehele periode geen enkele maal is waargenomen bij haar eigen woning aan het adres.

Uit observaties op grond van het Wetboek van Strafvordering in de periode van 2 juli 2013 tot en met 24 september 2013 blijkt het volgende. Medeverdachte slaapt bij verdachte. De kinderen van medeverdachte wonen tevens bij verdachte. Medeverdachte en verdachte doen gezamenlijk boodschappen. Medeverdachte haalt af en toe post op uit haar woning aan het adres. Verdachte houdt zich bezig met reparaties en onderhoud van auto’s.

De getuige heeft op 14 november 2013 verklaard dat zij drieënhalf jaar op het adres. Volgens deze getuige woonde medeverdachte niet in de woning, maar kwam zij daar af en toe. Medeverdachte woonde verderop in het adres met verdachte gedurende de drieënhalf jaar dat de getuige naast haar woonde.

Uit het proces-verbaal blijkt dat op 18 december 2013 is gesproken met een tweetal bewoners die woonachtig zijn in het adres. Beiden verklaren onafhankelijk van elkaar dat medeverdachte niet haar hoofdverblijf heeft op het adres. Medeverdachte is af en toe bij haar woning gezien en de afvalcontainer wordt mede gebruikt door buurtbewoners die teveel afval hebben.

Uit de verklaring van medeverdachte op 18 december 2013 blijkt onder meer het volgende. Zij ontvangt een WWB uitkering en is op de hoogte is van de plichten die zijn verbonden aan een uitkering en zij wijzigingen in haar privésituatie moet melden op bepaalde formulieren. Zij heeft bijna vier jaar een relatie met verdachte en zij hebben samen een dochter. Zij weet dat verdachte een WWB uitkering ontvangt. Voorts blijkt dat medeverdachte met haar kinderen bij verdachte eet en alle kinderen een eigen bed hebben bij verdachte. Voorts blijkt uit haar verklaring dat zij samen met verdachte boodschappen doet en betaalt. Medeverdachte bekent dat zij sinds april 2013 dag en nacht bij verdachte verblijft.

Uit de verklaring van verdachte op 18 december 2013 blijkt onder meer het volgende. Hij ontvangt een uitkering van de gemeente Noordoostpolder sinds 2001. Hij woont samen met medeverdachte en haar kinderen. Verdachte is op de hoogte van de plichten die zijn verbonden aan een uitkering en hij weet dat hij wijzigingen in zijn woon- en leefsituatie moet melden bij de gemeente. Verdachte verklaart dat hij en medeverdachte ongeveer vier jaar een relatie hebben en dat zij vanaf de zomer 2012 altijd bij hem is. Verdachte weet dat medeverdachte een uitkering ontvangt. Vervolgens herhaalt verdachte dat medeverdachte met haar kinderen anderhalf jaar bij hem is. Medeverdachte heeft de beschikking over zijn bankpas wanneer zij boodschappen doet. De boodschappen worden gezamenlijk betaald. De huishouding wordt ook gezamenlijk gedaan. Voor het repareren van auto’s heeft verdachte in het verleden het gebruik van een auto gekregen gedurende een periode van zes weken of twintig euro per klus. Voorts verklaart verdachte dat hij medeverdachte een jaar eerder had gezegd haar eigen woning op te zeggen en officieel bij hem in te trekken.

Uit voorgaande bewijsmiddelen, met name de verklaringen van de (anonieme) getuigen en meldingen en de objectieve gegevens omtrent het elektriciteits- en waterverbruik, blijkt dat verdachte vanaf 21 mei 2010 (te weten de begindatum van het lage waterverbruik) een gezamenlijke huishouding met medeverdachte voerde en dat hij heeft nagelaten dit op te geven. Derhalve heeft verdachte verzwegen dat hij samenwoonde en hierdoor heeft hij niet voldaan aan de inlichtingenplicht op grond van de WBB en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de gemeente op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding en werkzaamheden of inkomsten. Uit het onderzoek ingesteld op 6 mei 2013 blijk immers dat er geen mutatieformulieren of andere meldingen zijn binnengekomen omtrent de gezamenlijke huishouding en werkzaamheden. Zowel verdachte als de medeverdachte ontkennen tevens dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor het niet voor de hand ligt dat de gemeente hiervan op de hoogte was. Dat verdachte en de medeverdachte met gemeenteambtenaren gesproken hebben over hun persoonlijke situatie maakt dit niet anders, te minder nu daarmee niet aangetoond is dat bij dat contact volledig inzicht verschaft is in hun huishouding.

De rechtbank verwerpt tevens het verweer van de raadsvrouw dat er geen sprake is van opzet. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte blijkt dat zij ieder op de hoogte waren dat de ander net als zijzelf een uitkering ontving en dat zij op de hoogte waren van de verplichtingen verbonden aan de verstrekking van de uitkering en dat zij wijzigingen dienden door te geven.

Feit 2

Blijkens hetgeen onder feit 1 is overwogen heeft medeverdachte zich eveneens schuldig gemaakt aan het schenden van de inlichtingenplicht strafbaar gesteld ex artikel 227b Sr. Verdachte heeft door het voeren van een gezamenlijke huishouding met medeverdachte medeverdachte, voordeel getrokken uit het door de medeverdachte gepleegde strafbare feit. Verdachte en medeverdachte deelden immers de kosten voor de boodschappen.

De rechtbank acht daarom ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Feit 1: In strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij wist dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

Feit 2: Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 200 uren en veroordeelt de verdachte voorts tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Werkstraf voor nalaten gegevens aan de gemeente te verstrekken in verband met bijstandsuitkering

Rechtbank Gelderland 13 mei 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3163 Verdachte heeft samen met zijn echtgenote nagelaten aan de gemeente mede te delen dat hij een woning en een bankrekening in Marokko had, terwijl hij had moeten vermoeden dat dit van belang was voor hun uitkering. 

Verdachte ontvangt sinds 6 november 1992 samen met zijn echtgenote een uitkering van de afdeling sociale zaken van de gemeente Culemborg naar de norm voor een echtpaar. In de periode van 1 januari 2005 en 16 oktober 2013 werd die uitkering verstrekt in het kader van de AWB en, vanaf 13 januari 2005, WWB.

Verdachte heeft op de heronderzoeksformulieren die hij en zijn echtgenote in die perioden hebben ingevuld of laten invullen, bij de vraag naar bank-, giro- en spaarrekeningen alleen een Nederlands bankrekeningnummer ingevuld. Bij de vraag “bezit u onroerende zaken” is steeds de optie “nee” aangekruist.

In genoemde periode stond er in Marokko een bankrekening op naam van verdachte en zijn echtgenote en stond een woning in de gemeente Nador in Marokko op verdachtes naam.

Op de genoemde heronderzoeksformulieren staat onder “bezittingen en schulden” een blanco lijst met daarboven het kopje “Bank- giro- en spaarrekeningen”. Onder het kopje “Onroerende zaken” staat het volgende: “Bezit u onroerende zaken? (een woning in het buitenland dient u ook op te geven)”. Bij de toelichting op het onderdeel staat onder meer: “Als u alleen-eigenaar of mede-eigenaar bent van een woning die u niet zelf bewoont, vermeldt u de gegevens over die woning bij het onderdeel ‘Onroerende zaken’ in het vak ‘overige t.w.’”.

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat hij de woning en bankrekening niet aan de gemeente hoefde te melden omdat zijn moeder en twee zussen respectievelijk mede-eigenaars van de woning en medegerechtigd tot de bankrekening waren. Gelet echter op voornoemde tekst, die voldoende duidelijk is over verdachtes specifieke plichten op dat vlak, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat verdachte ook de bedoelde woning en bankrekening had moeten opgeven aan de gemeente omdat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op de uitkering van hem en zijn echtgenote of de hoogte van die uitkering, ongeacht of de bankrekening en de eigendom van de woning met familie werd gedeeld. De rechtbank acht dat onderdeel van feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling medeplegen van bijstandsfraude: verweer ontbreken opzet verworpen

  Rechtbank Midden-Nederland 23 maart 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:2094

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte gedurende een lange tijd schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk geen melding te maken van het feit dat zij een gezamenlijke huishouding voerden met elkaar. De gemeente Houten heeft het fraudebedrag vastgesteld op € 135.547,62.

Het standpunt van de verdediging dat het opzet op het nalaten informatie te verstrekken ontbreekt, volgt de rechtbank niet. Uit de stukken blijkt dat verdachte van de zijde van de gemeente meerdere malen is gewezen op de verplichtingen die het hebben van een uitkering meebrengt, waaronder het melden van wijzigingen in de woon- en gezinssituatie. Verdachte heeft  bovendien jaarlijks rechtmatigheidsonderzoeksformulieren toegestuurd gekregen en het is haar eigen verantwoordelijkheid om deze formulieren naar waarheid in te vullen en te weten waar zij voor tekent.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Land van herkomst mag onderzoek naar bijstandsfraude bepalen

De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat gemeenten bij preventief fraudeonderzoek wel onderscheid mogen maken naar land van herkomst van de bijstandsgerechtigden. Onderscheid maken naar nationaliteit zoals de gemeente Rotterdam dat deed, mag niet. Gemeenten mogen zonder aanleiding onderzoeken of mensen terecht (volledige) bijstand ontvangen. Gemeenten hoeven dit preventief fraudeonderzoek niet op alle bijstandsgerechtigden toe te passen en ook niet op dezelfde manier. Zulk onderzoek is kostbaar en het belang van voorkomen van fraude is groot. Daarom mogen gemeenten daarbij risicoprofielen toepassen, bijvoorbeeld gebaseerd op gedrag van mensen. Dan worden groepen onderzocht waar het vinden van fraude groter is dan gemiddeld.

De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan over de vraag of zo een risicoprofiel ook mag worden gebaseerd op land van herkomst of nationaliteit van de bijstandsontvangers. De gemeenten Schiedam, Ede en Rotterdam werd namelijk verweten dat zij bijstandsontvangers hadden gediscrimineerd, door alleen personen met Turkije als land van herkomst of met de dubbele Nederlandse/Marokkaanse nationaliteit te onderzoeken. Volgens internationaal recht is het maken van onderscheid op basis van alleen nationaliteit verdacht, en mag dit alleen als daarvoor zeer zwaarwegende belangen zijn.

De gemeenten Ede en Schiedam hanteerden een risicoprofiel waarbij alle bijstandsgerechtigden met een ander land van herkomst dan Nederland, die ouder zijn dan 45 of 50 jaar, en die recent enige tijd in dat land van herkomst verbleven aan een onderzoek werden onderworpen. De Centrale Raad van Beroep vindt dat toelaatbaar. Oudere mensen met een ander land van herkomst hebben eerder dan anderen inkomen, bijvoorbeeld pensioen, opgebouwd in dat land van herkomst en eerder daar vermogen opgebouwd, bijvoorbeeld door vererving, omdat hun familie daar nog woont. Bij mensen die afkomstig zijn uit Nederland zal dat inkomen en vermogen eerder in Nederland aanwezig zijn. Van belang is dat het inkomen en vermogen in Nederland door verplichte goede registraties en digitale gegevensuitwisseling met andere overheden en bedrijven heel makkelijk te vinden is. In het buitenland is vergelijkbaar onderzoek veel moeilijker en duurder. Daarom mochten de gemeenten Ede en Schiedam het preventief fraudeonderzoek, dat bestond uit het nagaan in het land van herkomst of de betrokkenen daar onroerend goed hadden, tot die groep beperken.

De gemeente Rotterdam begon met een pilot van echtparen met bijstand met de dubbele Nederlandse/Marokkaanse nationaliteit, die ouder waren dan 45 jaar en recent op vakantie waren geweest in bepaalde delen van Marokko. Deze mensen werden opgeroepen om te komen op gesprek bij de sociale recherche. De man en de vrouw werden gescheiden gehoord door een sociaal rechercheur en niet door een klantmanager. De Centrale Raad van Beroep vindt dat het maken van deze selectie en het toepassen van die behandeling in strijd is met het verbod op discriminatie. De gemeente Rotterdam heeft niet kunnen uitleggen waarom met deze groep werd begonnen en waarom de mensen juist gescheiden en door de sociale recherche gehoord moesten worden. Zo kon de gedachte of de schijn ontstaan dat deze mensen verdachten waren, terwijl nog geen enkele aanwijzing van fraude bestond.

Het gevolg van deze uitspraken is dat de gemeenten Ede en Schiedam het bewijs van de onderzoeken wel mogen gebruiken voor intrekking en terugvordering van bijstand. Wat de gemeente Rotterdam tijdens de gesprekken heeft gehoord is onrechtmatig verkregen bewijs, en mag dus niet gebruikt worden voor intrekking en terugvordering van bijstand. Dat betekent dat de uitkeringen van die mensen in stand blijven, ook al hadden zij verklaard dat zij een woning hadden in Marokko.

Print Friendly and PDF ^

Langdurige bijstandsfraude & Verjaring

Rechtbank Limburg 14 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3144 De verdachte heeft in de periode van 26 augustus 1998 tot 18 augustus 2005 een uitkering ontvangen krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) en in de periode vanaf 18 augustus 2005 tot en met 1 maart 2013 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). De verdachte kreeg deze uitkeringen - naar de norm voor een alleenstaande - van de gemeente Roermond.

Om in aanmerking te kunnen komen voor bovengenoemde uitkeringen diende de verdachte zogenaamde “periodieke verklaringen” in te vullen, te ondertekenen en in te leveren bij de gemeente Roermond, aan de hand van welke formulieren de uitkeringen aan de verdachte werden verstrekt.

In de periode van 20 januari 2001 t/m 23 maart 2013 heeft verdachte maandelijks periodieke verklaringen ingediend: 41 periodieke verklaringen Awb, 99 periodieke verklaringen Wwb en 7 periodieke verklaringen Wwb/Wij. Al deze formulieren zijn door de verdachte ingevuld in Roermond en ondertekend.

Op de periodieke verklaring Awb van 17 februari 2001 heeft de verdachte aangegeven dat zij met ingang van 15 februari 2001 is verhuisd naar adres 1 te Roermond. Op de daaropvolgende periodieke verklaringen - over de maanden maart 2001 tot en met maart 2013 - heeft verdachte telkens aangegeven dat:

    • er geen sprake was van een (inwonende) partner,
    • haar partner niet had gewerkt of inkomsten had ontvangen,
    • zij (en haar partner) niet tijdelijk op een ander adres verbleven,
    • zij geen andere inkomsten had ontvangen dan haar bijstandsuitkering,
    • haar vermogen (of het vermogen van haar partner) niet was gewijzigd.

Per 1 oktober 2006 zijn de vragen met betrekking tot de vakantieopgave vervallen en is een uitkeringsgerechtigde verplicht om vakanties op een andere wijze kenbaar te maken aan de uitkerende instantie. Na 1 oktober 2006 heeft verdachte bij de gemeente Roermond echter geen melding meer gemaakt van vakanties.

In de periode van 12 maart 2001 tot en met 1 maart 2013 heeft de verdachte € 176.078,02 aan uitkeringsgelden ontvangen van de gemeente Roermond.

Verdachte heeft op 12 en 13 maart 2013 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat zij sinds 1995 een latrelatie heeft met medeverdachte. Na het overlijden van haar moeder (in 1998) kwam medeverdachte drie à vier dagen per week bij haar over de vloer. De verdachte was toen nog woonachtig op de adres 2 in Roermond. In februari 2001 is verdachte verhuisd naar de adres 1 in Roermond. Vanaf dat moment was medeverdachte - die beschikte over een sleutel van deze woning - nog vaker bij verdachte. In feite waren zij zeven dagen per week samen. Van maandag tot en met donderdag waren zij in Roermond (in de woning van de verdachte) en van vrijdag tot en met zondag waren zij soms in Venlo, bij de moeder van medeverdachte.

De verdachte heeft voorts verklaard dat de vaste lasten (zoals de huur van haar woning, de kosten voor gas, water en licht, de ziektekosten en de inboedelverzekering) werden betaald van haar uitkering. Als medeverdachte bij haar was, dan kookte zij ook voor hem. Verdachte betaalde de boodschappen. Ook deed zij af en toe de was voor medeverdachte.

Alle luxe spullen in de woning van de verdachte (zoals de inrichting van de slaapkamer, een kabelontvanger, twee televisies, een notebook, de scooter van verdachte, een fotocamera en een Guess horloge) waren betaald door medeverdachte. Ook kreeg verdachte bijna wekelijks € 50,- van medeverdachte en werden diverse andere vaste lasten, zoals de doorlopende reisverzekering van de verdachte, het internetabonnement op haar adres en de verzekering van de scooter door medeverdachte betaald. In 2008, 2009 en 2011 is verdachte samen met medeverdachte op vakantie geweest in Oostenrijk en Hongarije. medeverdachte had deze vakanties betaald voor de verdachte. De verdachte maakte sinds 2008 ook af en toe gebruik van de Opel Astra van medeverdachte. De benzine, alsmede de vaste lasten van deze auto werden betaald door medeverdachte.

Verdachte heeft ten slotte verklaard dat zij de “periodieke verklaringen” niet naar waarheid had ingevuld. Verdachte wist dat zij niet met medeverdachte kon samenwonen én een uitkering kon hebben. Het was echter nooit in haar opgekomen om de uitkering stop te zetten.

Medeverdachte heeft op 12 en 13 maart 2013 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat hij al 25 jaar een relatie had met verdachte en dat zij vanaf 1998 samenwoonden. Zij verbleven meestal twee of drie dagen per week in Roermond en de rest van de week in de woning van de moeder van medeverdachte in Venlo.

Medeverdachte heeft voorts verklaard dat hij en verdachte de zorg voor elkaar hadden. De verdachte deed de was voor hem en hij ging ook bij de verdachte eten. Met de uitkering van verdachte werden de kosten voor het verblijf in Roermond betaald. Verdachte deed de boodschappen en als zij iets te kort kwam, dan sprong medeverdachte bij. Met het salaris van medeverdachte werden de extra’s betaald, zoals bijvoorbeeld de gezamenlijke vakanties en de scooter die medeverdachte voor verdachte had gekocht. Ook betaalde medeverdachte diverse (vaste) lasten, zoals de reisverzekering en de scooterverzekering van de verdachte, het internetabonnement op het adres 1 te Roermond, alsmede de benzine en vaste lasten van de Opel Astra waar ook de verdachte gebruik van maakte.

Tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte aan de adres 1 te Roermond zijn diverse bescheiden betreffende het vermogen van de verdachte in beslag genomen. Uit deze bescheiden bleek onder andere dat de verdachte in de periode van 15 juni 2001 tot 12 februari 2003 in het bezit was van een bankrekening bij de Dresdner Bank in Duitsland. In de periode van 15 juni 2001 tot en met 28 november 2001 werd op deze rekening in totaal 10.000,- gulden gestort. Verdachte heeft verklaard dat zij deze rekening had geopend en dat het geld op die bankrekening van medeverdachte was. De verdachte had dit echter niet gemeld bij de gemeente Roermond.

Verdenking

  • Feit 1: in de periode van 13 maart 2001 tot en met 12 maart 2013 valsheid in geschrift heeft gepleegd, dan wel in die periode opzettelijk heeft nagelaten gegevens te verstrekken die van belang waren voor de beoordeling van haar recht op een bijstandsuitkering.
  • Feit 2: de Gemeente Roermond heeft opgelicht.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verjaringstermijn voor de ten laste gelegde feiten 12 jaren is. Volgens de raadsvrouw is de verjaringstermijn gestuit door de betekening van de dagvaarding aan verdachte op 11 november 2014. Dit heeft tot gevolg dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn verjaard voor wat betreft de periode vóór 11 november 2002 en dat het openbaar ministerie voor dat deel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Overwegingen rechtbank

Onder feit 1 is aan de verdachte ten laste gelegd dat zij zich in het tijdvak van 13 maart 2001 tot en met 12 maart 2013 schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 225 Sr (valsheid in geschrift), dan wel aan het bepaalde in artikel 227b Sr (het opzettelijk nalaten gegevens te verstrekken). Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij zich in voornoemd tijdvak schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 326 Sr (oplichting).

Ingevolge artikel 70 Sr vervalt in geval van overtreding van de hiervoor genoemde artikelen na twaalf jaren het recht tot strafvordering door verjaring. Op grond van artikel 71 Sr vangt de termijn van verjaring, bij delicten als in het onderhavige geval, aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Voorts bepaalt artikel 72, eerste lid, Sr dat iedere daad van vervolging de verjaring stuit. Het tweede lid bepaalt dat na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt.

Uit het dossier blijkt dat de officier van justitie, in verband met de onderhavige strafzaak, op 1 februari 2013 bij de rechter-commissaris een vordering tot doorzoeking ter inbeslagneming heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering in de zin van artikel 110 Sv kan worden beschouwd als een daad van vervolging. De verjaringstermijn is ter zake van de onder 1 en 2 genoemde feiten aldus gestuit op 1 februari 2013. De rechtbank is dan ook - anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten nog niet (deels) zijn verjaard. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Feit 1 en 2

De raadvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de veronderstelling was dat zij in de ten laste gelegde periode geen gezamenlijke huishouding voerde met haar partner medeverdachte. Er was bij haar dus geen sprake van opzet, ook niet in de voorwaardelijke zin, op de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde pleegperiode dient te worden ingekort, aangezien medeverdachte pas vanaf 2007 regelmatig in de woning van de verdachte verbleef.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van bovenstaande verklaringen van verdachte en haar partner medeverdachte bewezen dat de verdachte in de periode van 13 maart 2001 tot en met 12 maart 2013 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte blijkt immers dat zij in voornoemde periode vrijwel dagelijks samen waren, dat medeverdachte regelmatig in de woning van verdachte verbleef en dat sprake was van wederzijdse zorg en een grote mate van financiële verwevenheid tussen verdachte en medeverdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting van 31 maart 2015 weliswaar verklaard dat zij en haar partner pas na 2007 regelmatig samen waren, maar die verklaring acht de rechtbank - gelet op de verklaringen die de verdachte en medeverdachte ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd - niet geloofwaardig. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat - zoals hiervoor reeds is overwogen - de verdachte en medeverdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verdachte heeft dit, zoals blijkt uit de door haar ingevulde periodieke verklaringen, echter niet kenbaar gemaakt bij de gemeente Roermond, terwijl dit wel van belang was voor de vaststelling van haar recht op een uitkering.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de verdachte op de door haar ingevulde en ondertekende periodieke verklaringen evenmin melding heeft gemaakt van het feit dat zij (en medeverdachte):

  • in 2008, 2009 en 2011 op vakantie zijn geweest in Oostenrijk en Hongarije, welke vakanties door medeverdachte werden betaald,
  • in de ten laste gelegde periode andere inkomsten dan haar bijstandsuitkering heeft ontvangen, zoals bijvoorbeeld de € 50,- die zij (bijna) wekelijks van medeverdachte kreeg,
  • in de ten laste gelegde periode beschikte(n) over vermogen, zoals het geld op de bankrekening van de Dresdner Bank in Duitsland,

terwijl ook deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van haar recht op een bijstandsuitkering ofwel de hoogte daarvan.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk geen en/of niet de juiste gegevens heeft vermeld op de door haar ondertekende periodieke verklaringen, met het oogmerk om deze formulieren als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken (feit 1) en, in het verlengde daarvan, of verdachte deze valselijk opgemaakte formulieren bij de gemeente Roermond heeft ingediend met het oogmerk om de gemeente te bewegen tot de afgifte van uitkeringsgelden (feit 2).

De verdachte heeft ter terechtzitting van 31 maart 2015 verklaard dat zij niet wist dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte en dat zij dus ook niet wist dat zij dit had moeten vermelden op de door haar ingevulde en ondertekende periodieke verklaringen. De rechtbank acht deze ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, nu deze niet strookt met de verklaring die de verdachte ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd, inhoudende dat zij de periodieke verklaringen niet naar waarheid had ingevuld (en dus valselijk heeft opgemaakt) en dat zij wist dat zij niet kon samenwonen met medeverdachte én een bijstandsuitkering kon hebben.

Uit deze laatstgenoemde verklaringen van de verdachte, alsmede uit het feit dat de verdachte in de tenlastegelegde periode meerdere keren bijzondere bijstand heeft aangevraagd, leidt de rechtbank af dat verdachte (goed) op de hoogte was van de regels die gelden bij de aanvraag van een bijstandsuitkering. De verdachte wist naar het oordeel van de rechtbank dus ook dat door het indienen van de periodieke verklaringen, die zij naar eigen zeggen in strijd met de waarheid had ingevuld, de gemeente zou worden bewogen tot afgifte van uitkeringsgelden waar zij in werkelijkheid geen recht op had. De aan de verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten kunnen, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: oplichting, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden.

Bij het bepalen van de op te leggen straf laat de rechtbank in het nadeel van verdachte meewegen dat zij nauwelijks inzicht heeft getoond in de strafwaardigheid van haar handelen. Sterker nog, de rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de verdachte, in het geval de bewezenverklaarde feiten niet aan het licht waren gekomen, op enig moment tot inkeer zou zijn gekomen en haar uitkering vrijwillig zou hebben stopgezet. Tekenend hiervoor is de opmerking van verdachte dat zij wel wist dat zij niet kon samenwonen met [medeverdachte] én een uitkering kon hebben, maar dat het nooit in haar is opgekomen om haar bijstandsuitkering te beëindigen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^