Veroordeling accountant wegens verduistering in dienstbetrekking

Rechtbank Midden-Nederland 12 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4348 

Verdachte heeft zich schuldig als accountant gemaakt aan het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat steeds sprake is geweest van een lening/voorschot als betaling op nog door verdachte te verrichten werkzaamheden.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Bedrijfsadministratie vervalst door opname van valse facturen, bijna EUR 3 miljoen onttrokken aan vermogen van verdachte rechtspersoon. Bijzondere omstandigheden brengen de rechtbank ertoe slechts een voorwaardelijke geldboete op te leggen.

Rechtbank Rotterdam 22 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5604 Volgens de verdediging is er sprake van onherstelbare niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege schending van het beginsel dat de betrokken belangen zorgvuldig worden gewogen, gecombineerd met een beroep op het vertrouwensbeginsel, een en ander tegen de achtergrond van een zeer lange termijn gedurende welke de verdachte rechtspersoon is blootgesteld aan strafrechtelijk onderzoek en (dreigende) vervolging.

Van een zorgvuldige weging van het vervolgingsbelang enerzijds en het belang van de verdachte rechtspersoon anderzijds om niet in rechte te worden betrokken blijkt niets. Het openbaar ministerie staat strafrechtelijke afdoening voor omdat van een fiscale afhandeling nog steeds geen sprake is, maar met het uiten van het voornemen van het openbaar ministerie om de onderhavige zaak te seponeren onder code 20 is bij de verdachte rechtspersoon het vertrouwen gewekt dat van verdere vervolging werd afgezien als de Belastingdienst de zaak zou afhandelen. Die fiscale afhandeling zal er op korte termijn zijn.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie als een in artikel 359a van het Wetboek van Stafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt, namelijk in het geval waarin de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekort gedaan. Aan dat zogenoemde Zwolsman-criterium is in dit geval niet voldaan.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie niet in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Aan een sepot onder code 20 was immers de voorwaarde verbonden dat sprake moest zijn van een fiscale afdoening en daaraan is ook nu, drie jaar later, nog steeds niet voldaan. Gelet op het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende processtukken is verder niet gebleken van de door de verdediging gestelde onzorgvuldige belangenafweging of van andere ernstige inbreuken op de goede procesorde.

De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak sprake is van een zeer ruime overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Overschrijding van die redelijke termijn leidt echter niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Ook alle hiervoor besproken omstandigheden tezamen genomen nopen niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Waardering van het bewijs

Standpunten van de verdediging

Aangevoerd is dat de verklaringen van de getuige 1 belastend zijn voor de verdachte rechtspersoon en dat de bewijsconstructie van het openbaar ministerie in hoge mate steunt op hetgeen deze getuige 1 heeft verklaard. De verdediging is echter niet in de gelegenheid geweest om het in artikel 6, derde lid onder d, van het EVRM gegarandeerde recht om deze getuige te ondervragen uit te oefenen. Dat zal ook niet meer kunnen plaatsvinden nu deze getuige 1 is overleden, en daarom mag de verklaring van getuige 1 niet voor het bewijs worden gebezigd

Verder is aangevoerd dat het tenlastegelegde opzet aan de zijde van de verdachte rechtspersoon niet is bewezen. Als al sprake zou zijn van facturen die valselijk zijn opgemaakt, dan nog blijkt uit het dossier op geen enkele wijze dat de verdachte rechtspersoon wetenschap heeft gehad van die valsheid en dus opzet had op vervalsing van de bedrijfsadministratie door daarin valse facturen te verwerken.

Oordeel van de rechtbank

Het verweer met betrekking tot het gebruik van de verklaringen van de getuige 1 voor het bewijs wordt verworpen, gelet op het volgende.

Als een getuige buiten de terechtzitting een belastende verklaring omtrent een verdachte heeft afgelegd en de verdediging nadien, zoals hier het geval is, niet meer in de gelegenheid is deze getuige te ondervragen, dan heeft de verdachte rechtspersoon niet haar in het EVRM gegarandeerde ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. In een dergelijk geval is gebruik van die eerder afgelegde verklaring van de getuige a charge toegestaan, indien de betrokkenheid van de verdachte rechtspersoon in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de verklaring die namens de verdachte zijn betwist.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen getuige 1 in belastende zin omtrent de verdachte rechtspersoon heeft verklaard voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, te weten in de verklaringen van getuige 2 van respectievelijk 8 september 2004 en 9 december 2004, in de onder de verdachte rechtspersoon inbeslaggenomen grootboekbescheiden en in het NFI-rapport van 21 maart 2005. Het gebruik voor het bewijs van de belastende verklaringen van getuige 1 is dan ook niet onverenigbaar met het recht van de verdachte rechtspersoon op een eerlijk proces.

Het verweer met betrekking tot het ontbreken van opzet op het tenlastegelegde aan de zijde van de verdachte rechtspersoon wordt eveneens verworpen, gelet op het volgende.

Tegenover de door het openbaar ministerie veronderstelde loop van gebeurtenissen, heeft de verdediging een alternatieve toedracht geschetst. Het openbaar ministerie stelt dat de verdachte rechtspersoon door betaling van valse facturen haar winst heeft afgeroomd. De verdediging daarentegen betoogt dat de betreffende facturen zien op daadwerkelijk geleverde prestaties die het bedrijfsbelang van de verdachte rechtspersoon hebben gediend. Deze twee scenario’s sluiten elkaar uit.

Volgens de verdediging heeft getuige 3, commissionair in schepen, de verdachte rechtspersoon in contact gebracht met betrokken rechtspersoon, een scheepswerf in de Russische Federatie. De verdachte rechtspersoon heeft betrokken rechtspersoon vervolgens opgedragen om diverse scheepscasco’s te bouwen. getuige 3 zou bij betrokken rechtspersoon commissie hebben bedongen over de waarde van de door zijn bemiddeling tot stand gekomen contracten, en betrokken rechtspersoon zou deze commissie hebben voldaan door op de gewraakte facturen te vragen om betaling op rekening van een door getuige 3 beheerste vennootschap. Al met al zou de verdachte rechtspersoon voor de scheepscasco’s van betrokken rechtspersoon een normale prijs hebben betaald.

Getuige 3 heeft desgevraagd verklaard dat zijn afspraken met betrokken rechtspersoon over commissie niet schriftelijk zijn vastgelegd. Ook heeft hij niet een factuur kunnen tonen waarmee hij betrokken rechtspersoon heeft belast voor de door hem verleende diensten. Het standpunt van de verdediging vindt uitsluitend steun in getuigenverklaringen en niet in objectieve gegevens zoals een tussen onafhankelijk opererende partijen afgesloten contract.

De door de verdediging gestelde normale’ prijs voor de scheepscasco’s is beduidend hoger dan de prijzen die schriftelijk door de verdachte rechtspersoon en betrokken rechtspersoon zijn overeengekomen. Een verklaring voor dit prijsverschil ontbreekt. Volgens de algemeen directeur van betrokken rechtspersoon heeft betrokken rechtspersoon geen bedragen boven het schriftelijk overeengekomen bedrag aan de verdachte rechtspersoon in rekening gebracht.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de gewraakte facturen niet in origineel in de boekhouding van de verdachte rechtspersoon zijn aangetroffen, maar in tegenstelling tot andere facturen slechts in kopie, en dat onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat met de handtekeningen op de gewraakte facturen is gerommeld.

Al met al is de door de verdediging gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk geworden. De rechtbank gaat er van uit dat door de verdachte rechtspersoon op valse facturen omvangrijke betalingen zijn verricht die niet het eigen bedrijfsbelang hebben gediend. Dergelijke handelingen en de bijbehorende administratieve verwerking vinden naar hun aard opzettelijk plaats. Nu door of vanwege de verdachte rechtspersoon daartegen op geen enkele wijze is gereclameerd, moet het ervoor worden gehouden dat de betalingen zijn gedaan op last van personen met een beslissende zeggenschap over de verdachte rechtspersoon. Onder deze omstandigheden luidt de slotsom dat het opzet op valsheid aan de verdachte rechtspersoon is toe te rekenen.

Bewezenverklaring

Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot een voorwaardelijke geldboete van €100.000 met een proeftijd van één jaar.

De voorliggende zaak wordt sterk gekleurd door de ouderdom van het aan de verdachte rechtspersoon gemaakte verwijt. De hoofdrolspelers van weleer zijn inmiddels niet meer in leven. Een geldboete aan de verdachte rechtspersoon, onderdeel van een familiebedrijf, zou derhalve niet de hoofdrolspelers in hun vermogen treffen, maar een volgende generatie eigenaren die aan de feiten in geding part noch deel hebben gehad. Dit is reden om een mildere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Gevangenisstraffen voor echtpaar wegens jarenlange uitkeringsfraude, oplichting en witwassen. Rb: onderhavige strafzaak overstijgt qua ernst de meeste oplichtingszaken.

Rechtbank Limburg 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:6930 en Rechtbank Limburg 9 augustus 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:6924

De rechtbank heeft een 57-jarige man en een 49-jarige vrouw veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen wegens jarenlange uitkeringsfraude, chantage, oplichting en witwassen. Het echtpaar heeft zich aan jarenlange uitkeringsfraude schuldig gemaakt. Zij ontvingen een bijstandsuitkering, maar verzwegen op de rechtmatigheidsformulieren dat zij wel degelijk inkomsten hadden. Die inkomsten ontvingen zij uit de overige, door hen gepleegde strafbare feiten.

Het echtpaar adverteerde op diverse (seks)sites waarbij men zei op zoek te zijn naar een huisvriend, voor seks, maar ook voor financiële hulp. Nadat het eerste contact was gelegd, werd de mannen die reageerden om financiële hulp gevraagd. Ze werden bewogen om grote bedragen over te maken doordat hen ofwel een zielig verhaal op de mouw werd gespeld ofwel doordat zij gechanteerd werden. Het ging daarbij niet om honderden euro’s die werden overgemaakt, maar om tienduizenden euro’s. Een van de slachtoffers heeft het zelfs tweeënhalve ton gekost, een bedrag waar wel uit spreekt tot welke wanhoop de verdachten deze man hebben gedreven.

Strafoplegging

Hoewel de rechtbank niet alle tenlastegelegde oplichtingen heeft kunnen bewijzen, staat vast dat het echtpaar er een ronduit parasitaire levensstijl op nahield. Om een luxe leven te leiden vol met luxegoederen, wekelijkse diverse etentjes in (top)restaurants en andersoortige uitspattingen, zijn zij niets en niemand ontziend te werk gegaan.

De rechtbank stelt voorop dat onderhavige strafzaak qua ernst de meeste oplichtingszaken ver overstijgt. De verdachten hebben niets en niemand ontziend om een luxe leven te leiden. De meeste mensen moeten hard werken om een dergelijke levensstijl erop na te kunnen houden, maar daar voelden de verdachten zich kennelijk te goed voor.

De officier van justitie vergeleek de verdachte met een parasiet of een bloedzuiger, in de zin van een uitbuiter en iemand die op kosten van anderen leeft. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat deze vergelijking zeer passend is.

Voor de bewezenverklaarde feiten legt de rechtbank zes jaar en zes maanden gevangenisstraf aan de mannelijke verdachte op en vijf jaar en zes maanden gevangenisstraf aan de vrouwelijke verdachte. Het verschil wordt verklaard door het feit dat de rechtbank bewezen acht dat de man de kwade genius was en de vrouw verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht vanwege haar verstandelijke beperking en haar afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.

De rechtbank legt hiermee een hogere straf op dan door de officier van justitie is ge-eist. Dit doet de rechtbank omdat zij die eis onvoldoende recht vindt doen aan de ernst van de zaak en de persoon van de verdachte. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren resp. een gevangenisstraf van vijf jaar.

Schadevergoeding

Ook worden zij veroordeeld tot terugbetaling van het onterecht ontvangen bedrag aan bijstandsuitkering en tot terugbetaling van de bedragen die zij door chantage en oplichting van hun slachtoffers afhandig hebben gemaakt. Om te bevorderen dat deze schade ook daadwerkelijk wordt vergoed, heeft de rechtbank besloten tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dat betekent dat de staat zich hard zal maken voor de inning van de bedragen ten behoeve van de slachtoffers en daarbij de verdachten vast kan zetten als zij niet betalen.

 

Lees hier de volledige uitspraken:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens overtreding van milieuwetgeving. Overwegingen omtrent daderschap van de rechtspersoon.

Rechtbank Oost-Brabant 28 juni 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3447 Verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 een product genaamd BioAid, een natriumacetaatoplossing, en een azijnzuuroplossing met methanol, in haar inrichting te Bakel, heeft ingenomen, opgeslagen en verwerkt. Dit was verdachte op grond van de haar verleende vergunningen, niet toegestaan.

Vertrouwensbeginsel

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie door verdachte in weerwil van het gestelde in de brief van de AID van 11 maart 2011, alsnog strafrechtelijk te vervolgen, in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevindingen van verbalisant 1 in het kader van een bestuursrechtelijke controle zijn gedaan en dat de brief van de AID aan verdachte waarop de raadsman doelt, in het kader van bestuursrechtelijke handhaving is geschreven en niet het oogmerk heeft gehad zich over strafrechtelijke vervolging uit te laten.

Uit het door verbalisant 1 opgemaakte proces-verbaal volgt dat hij bij verdachte een controle in het kader van de Meststoffenwet heeft uitgevoerd. Dit heeft hij ook expliciet bij zijn verhoor door de rechter-commissaris verklaard. Ook de leidinggevende van verbalisant 1, verbalisant 2, stelt zich op dat standpunt. De nu aan verdachte ten laste gelegde feiten zien op het handelen in strijd met de vergunningsplicht c.q. de vergunningsvoorwaarden. Dit zijn andere feiten dan de feiten waarover in de waarschuwingsbrief van de AID van 11 maart 2011 wordt gesproken. Uit die brief kan en mag niet worden geconcludeerd dat geen strafrechtelijke vervolging van verdachte zou plaatsvinden voor het handelen in strijd met de vergunningsplicht of de vergunningsvoorwaarden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie, door verdachte strafrechtelijk te vervolgen, geen inbreuk op het vertrouwensbeginsel heeft gemaakt. Daarnaast is de desbetreffende brief verzonden door de AID. Deze instantie was, in elk geval toentertijd, niet bevoegd tot het nemen van beslissingen aangaande de vervolging van stafbare feiten. Ook hierom is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwerpt het door de raadsman gedane beroep op niet ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Standpunten van de officier van justitie en van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat BioAid een productnaam voor glycerine was en dat verdachte niet wist en ook niet hoefde te weten dat dit niet zo was. Verdachte mocht afgaan op de adviezen van haar adviseur persoon 1 en mocht vertrouwen op hetgeen leverancier persoon 2 mededeelde. Het innemen, opslaan en verwerken van glycerine in de door verdachte gedreven inrichting is wel aan verdachte vergund.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte wist dat BioAid geen productnaam voor glycerine was en dat verdachte wist dat zij BioAid niet in haar inrichting mocht innemen, opslaan en verwerken. Verdachte kreeg immers CMR’s en ADR-formulieren in handen waaruit dat bleek en die CMR’s en ADR-formulieren werden met medeweten van verdachte omgewisseld. Door die stoffen in te nemen, op te slaan en te verwerken heeft verdachte de werking van haar inrichting veranderd zonder dat verdachte daarvoor vergunning was verleend en heeft verdachte de voorwaarden die aan de wel aan verdachte verleende vergunning waren verbonden, overschreden.

Achtergrond

In de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 heeft bedrijf 1 een stof genaamd BioAid aan verdachte verkocht. BioAid werd ook verhandeld onder de namen Eneroil en CSA-C. Deze stof was bestemd voor gebruik in de biogasinstallatie van verdachte. Bedrijf 1 kocht deze stof van bedrijf 2, een afvalhandelaar gevestigd in Antwerpen. Het transport van BioAid van België naar Nederland werd verzorgd door bedrijf 3. In de periode van 1 maart 2010 tot 1 maart 2011 leverde bedrijf 3 de stof rechtstreeks af aan verdachte. Op deze wijze hebben in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 diverse transporten plaatsgevonden. Op de vervoersdocumenten, de zogenaamde CMR’s, die bedrijf 3 bij aflevering door verdachte liet ondertekenen, stond onder meer vermeld dat BioAid werd geleverd. Deze CMR’s zijn namens verdachte ondertekend. Deze CMR’s zijn aan bedrijf 2 geretourneerd en zijn in de administratie van bedrijf 2 aangetroffen.

In 2010 zijn tenminste 25 transporten met BioAid en één transport azijnzuuroplossing met methanol overgebracht naar, in ontvangst genomen door en verwerkt door verdachte pag. 1506. In 2011 zijn tenminste vier transporten van BioAid door verdachte in ontvangst genomen en verwerkt pag. 1510. De co-substraten BioAid en azijnzuuroplossing met methanol zijn door verdachte in de vergistingsinstallatie verwerkt. Dit digestaat is door verdachte als meststof verkocht of aangewend pag. 1514.

Ter terechtzitting van 14 juni 2016 heeft persoon 3, de vertegenwoordiger van verdachte, onder meer, zakelijk weergegeven – voor zover hier van belang - het navolgende verklaard.

In de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 heeft de maatschap een product genaamd BioAid van bedrijf 1 gekocht. BioAid werd door een Belgisch transportbedrijf op het bedrijf afgeleverd. Bij de aflevering was altijd iemand van het bedrijf aanwezig. Na het lossen werd door een personeelslid van de maatschap de CMR ondertekend. Ook ik heb dat wel eens gedaan. Ik heb gezien dat op de CMR’s als geleverd product iets met “Bio…” stond. Later kreeg ik van dezelfde lading een andere CMR onder ogen en daarop stond vermeld dat glycerine was geleverd. Ik had wel in de gaten dat de vermeldingen op beide CMR’s niet hetzelfde waren. Ik weet dat de maatschap stoffen die niet op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet staan, niet mag innemen, opslaan en verwerken. De levering van BioAid of azijnzuur met methanol werd niet geregistreerd bij de maatschap.

Bij gelegenheid van zijn verhoor op 12 maart 2012 heeft persoon 3 verklaard dat persoon 1 door de maatschap wel eens werd ingehuurd voor het begeleiden van de biologie van de vergister en het adviseren van de inkoop van producten. persoon 1 was werkzaam bij bedrijf 1. De CMR bij de vracht die de maatschap in ontvangst nam en getekend werd, ging terug naar bedrijf 1. De maatschap kreeg dan een CMR van bedrijf 1 afgegeven of toegestuurd. Dit was een idee van bedrijf 1. Bij andere afnames dan de glycerine van bedrijf 1 was het niet gebruikelijk dat er andere productnamen voor de administratie toegestuurd werden.

De inrichting mag geen azijnzuuroplossing met methanol ontvangen en verwerken. Deze stof staat niet op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwetgeving. persoon 3 heeft het hem getoonde Belgische CMR uit set 71 ondertekend. Hij zag bij gelegenheid van zijn verhoor dat er azijnzuur en methanol op stond.

In bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet is glycerine gedefinieerd als een restproduct wat vrijkomt bij de winning van biodiesel uit raapzaadolie of koolzaadolie door omestering met methanol en scheiding onder invloed van de zwaartekracht.. BioAid is een bijtende, basische, organische stof n.e.g. bevattende natriumhydroxide, gevarenklasse 8, ID-nummer UN3267, en staat niet vermeld op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet. BioAid heeft een zogenaamde ADR-classificatie gekregen wat betekent dat het vervoer van BioAid onder het regime van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen viel. BioAid is door het Nederlands Forensisch Instituut hierna: NFI onderzocht. Uit dit onderzoek heeft het NFI geconcludeerd dat in de onderzochte monsters geen glycerine is aangetroffen of stoffen die er op wijzen dat het bemonsterde materiaal is vrijgekomen bij de productie van Biodiesel.

Op 28 augustus 2009 is een aanvraag ingekomen om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning voor een varkenshouderij en biogasinstallaties aan de adres in Bakel. De inrichting valt onder andere onder categorie 1.1, lid c, 2.1, lid a, 7.1, lid a en 8.1, lid a van het inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Bij besluit van Burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 22 december 2009 wordt voor het perceel aan de adres in Bakel, kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie N, nummer 2118 deels en 2174 deels de gevraagde vergunning voor een varkenshouderij en biogasinstallatie verleend onder de voorschriften vermeld in bijlage I:

Voorschriften voor een varkenshouderij en biogasinstallatie adres te Bakel zoals aangevraagd door persoon 3, adres te Bakel. Voorschriften …..

12 co-vergistingsinstallatie. …..

12.2

Opslag en behandeling bijproducten/co-producten

12.2.1: In de silo’s ten behoeve van de opslag van bijproducten/co-producten voor vergisting mogen alleen producten bevatten van de positieve lijst voor vergisting in het kader van de Meststoffenwet of producten die voldoen aan Verordening 1774/2002, mits het ingedroogde digistaat verbrand wordt.

12.2.2: Van alle verwerkte producten genoemd in het vorige voorschrift dient een registratie plaats te vinden, zodanig dat er controle hierop mogelijk is. De registratie dient minimaal de datum van ontvangst van de co-producten, hoeveelheid en soort weer te geven.

…..

Beoordeling rechtbank

De aansprakelijkheid van de rechtspersoon

Om de hiervoor genoemde gedragingen aan verdachte te kunnen toerekenen, moet vastgesteld worden dat die gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door de rechtspersoon uitgeoefende bedrijf of taakuitoefening,
  4. e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Uit de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de periode van 1 maart 2010 tot en met 1 maart 2011 BioAid en een azijnzuuroplossing met methanol van bedrijf 1 heeft afgenomen. De bedoeling was om die stoffen in de co-vergistingsinstallatie van verdachte te gebruiken. Voor verdachte had dit onder meer als voordeel dat zij zich van de mest kon ontdoen die van de door verdachte geëxploiteerde varkenshouderij afkomstig was en dat verdachte de energie die bij het vergistingsproces vrijkwam, voor verdachte rendement opleverde door die energie deels in haar eigen bedrijf te gebruiken en deels door die energie te verkopen. Deze handelingen, het afnemen en verwerken van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol in haar inrichting, paste in de normale bedrijfsuitvoering van verdachte, bestaande uit het co-vergisten van organische materialen. Deze handelingen waren ook dienstig aan het door verdachte uitgeoefende bedrijf, het exploiteren van een varkenshouderij en een biogasinstallatie. Het lag binnen de invloedsfeer van verdachte om te bepalen of zij BioAid en azijnzuuroplossing met methanol van bedrijf 1 wilde afnemen om vervolgens in haar biogasinstallatie te verwerken. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit aannemelijk wordt dat verdachte in de ten laste gelegde periode enige handeling heeft ondernomen om de verwerking van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol in haar inrichting te voorkomen, dan wel te beëindigen of dat verdachte op enigerlei wijze actie heeft ondernomen de feitelijke samenstelling van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol te achterhalen. Daarmee heeft verdachte deze werkwijze, bestaande uit het verwerken van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol in haar inrichting, aanvaard.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte aansprakelijk is voor de ten laste gelegde handelingen. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat de werknemers van verdachte deze handelingen opzettelijk hebben verricht. De rechtbank rekent de ten laste gelegde handelingen dan ook aan verdachte toe.

Is er sprake van een afvalstof?

Verdachte heeft erkend dat azijnzuuroplossing met methanol is aan te merken als een afvalstof. Verdachte heeft echter betwist dat BioAid eveneens is aan te merken als een afvalstof. De rechtbank overweegt met betrekking tot de status van BioAid als volgt.

Op grond van het bepaalde in de Richtlijn 2008/98/EG, de Kaderrichtlijn afvalstoffen hierna: de Kaderrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving opgenomen in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is het begrip afvalstoffen gedefinieerd als: “alle stoffen, preparaten of voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of moet ontdoen”. Uit bestendige jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en in het verlengde daarvan van de Hoge Raad, dient het begrip “ontdoen” ruim te worden uitgelegd. Voor de beantwoording van de vraag of een stof een afvalstof is, is niet relevant of de stof verontreinigend is of het een schone stof is of dat die stof nog economische waarde heeft.

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staat vast dat bij de productie van HEC door bedrijf 4 een natriumacetaatoplossing, CSA-F genoemd, vrijkwam. CSA-F werd door bedrijf 4 naar bedrijf 5 verpompt. Door bedrijf 5 werd uit CSA-F een stof gedistilleerd. Wat na dit distillatieproces nog resteerde werd door bedrijf 5 naar bedrijf 4 terug gepompt. Deze stof, ook wel CSA-C of BioAid genoemd, kon bedrijf 4 zelf niet verder gebruiken. Omdat bedrijf 4 BioAid kwijt wilde, heeft bedrijf 4 BioAid via bedrijf 2 afgezet. De rechtbank is van oordeel dat bedrijf 4 zich daarmee als houder van BioAid, van die stof heeft ontdaan..

Op grond van het bepaalde in de Kaderrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving opgenomen in artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer, kunnen stoffen niet als afvalstoffen worden aangemerkt als wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 5 van de Kaderrichtlijn. De verdediging heeft zich op deze Kaderrichtlijn beroepen. Voor zover in deze zaak van belang, is in dat artikel het navolgende bepaald:

Bijproducten:

  1. Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1, van de Kaderrichtlijn worden aangemerkt, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden;

  2. het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

  3. de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;

  4. de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en

  5. verder gebruik is rechtmatig, met andere woorden de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften in zake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat BioAid in elk geval niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 5 eerste lid aanhef en onder b van de Kaderrichtlijn. Het CSA-F ondergaat bij bedrijf 5 een bewerking alvorens het wordt afgezet als BioAid. Enkel en alleen hierom al valt BioAid niet onder een stof waarop artikel 5 van de Kaderrichtlijn ziet.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de desbetreffende BioAid op enig moment de status van afvalstof heeft verloren. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Van het verliezen van de status van afvalstof zou, onder omstandigheden, sprake kunnen zijn bij omvorming van een afvalstof tot een nieuw materiaal. De rechtbank verwijst daartoe naar het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 19 juni 2003, LJN AM0820. Omvorming zou in dit geval wellicht kunnen plaatsvinden door het gebruik van BioAid bij de vergisting in een biovergistingsinstallatie. De aan verdachte ten laste gelegde gedragingen gaan echter vooraf aan de vergisting. Ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen was BioAid derhalve nog immer een afvalstof.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat BioAid ten tijde hier van belang een afvalstof is als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De daartegen door de verdediging gerichte verweren worden verworpen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt ook dat BioAid en de azijnzuuroplossing met methanol niet voldeden aan de eisen gesteld in de Verordening (EG) 1774/2002, zoals die in de ten laste gelegde periode gold. Deze Verordening stelt volksgezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor dierlijke bijproducten vast teneinde risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid die aan deze producten verbonden zijn, te voorkomen en tot een minimum te beperken. Uit het door het NFI ingesteld onderzoek naar de samenstelling en de eigenschappen van BioAid en de azijnzuuroplossing met methanol, volgt dat deze stoffen niet voldoen aan de definities van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 2 van voormelde Verordening (EG) 1774/2002.

Het opzet bij verdachte

Door en namens verdachte is ter terechtzitting primair aangevoerd dat verdachte niet het opzet heef gehad BioAid in plaats van glycerine in te nemen, op te slaan en te verwerken, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. Subsidiair heeft verdachte aangevoerd dat zij geen schuld aan de gedragingen van bedrijf 1 had en dat verdachte daarom van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.

Aan dit verweer heeft verdachte het navolgende ten grondslag gelegd. Bij het bouwen en het opstarten van de biogasinstallatie medio 2007 is advies gevraagd aan het bedrijf bedrijf 6. Daar was op dat moment de heer persoon 1 werkzaam. Hij was de man met de specifieke chemische kennis. Na de bouw van de installatie is persoon 1 verdachte blijven adviseren. Nadat persoon 1 bij bedrijf 1 is gaan werken, heeft hij die adviserende werkzaamheden voortgezet. In de co-vergistingsinstallatie werd glycerine gebruikt. Op een bepaald moment heeft persoon 1 het product BioAid aanbevolen. Naar zijn zeggen was BioAid op basis van de eigenschappen van dit product een soort superglycerine, afkomstig uit België. Op advies van persoon 1 is verdachte overgegaan tot het aankopen en het verwerken van BioAid. Bij de aflevering van BioAid stond op de CMR die de transporteur aan verdachte aanbood, als productnaam BioAid vermeld. Verdachte heeft deze CMR niet in haar administratie opgenomen, maar aan haar leverancier bedrijf 1, afgegeven. Vervolgens kreeg zij voor de betreffende levering een andere CMR van bedrijf 1 waarop als productnaam glycerine stond vermeld. Op de factuur die verdachte van bedrijf 1 ontving stond hetzelfde product als “BLK Vergisting glycerine” vermeld. Door of namens bedrijf 1 werd gezegd dat de wijziging van de productnaam diende om de bron van herkomst van BioAid te beschermen. Deze uitleg heeft verdachte geaccepteerd. Bij de levering van BioAid werd door verdachte alleen de pH-waarde en het drogestofgehalte van de lading gecontroleerd om te bepalen of de aangevoerde stof geschikt was voor gebruik in de co-vergistingsinstallatie. Bij verdachte was voorts bekend dat BioAid als zodanig niet stond vermeld op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Naar de samenstelling van BioAid is door verdachte nooit onderzoek gedaan.

De rechtbank overweegt het navolgende.

Zoals hiervoor onder de bewijsmiddelen is weergegeven, werd BioAid door bedrijf 3 als een gevaarlijke stof vervoerd. bedrijf 3 nam bij het vervoer alle voorzorgsmaatregelen in acht die de Wet vervoer gevaarlijke stoffen haar voorschreef, inclusief alle waarschuwingsborden op de bij het transport door bedrijf 3 gebruikte tankauto’s. Bovendien werden de transporten begeleid ADR-formulieren omdat het om gevaarlijke stoffen handelde. Deze formulieren werden door verdachte gezien en afgetekend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voorts gebleken dat verdachte wist dat de productnaam van de aan verdachte geleverde stof zoals die op de CMR’s en ADR-formulieren stond die verdachte na levering door bedrijf 3 ondertekende, verschilde van de naam die op de CMR’s stond vermeld die verdachte van bedrijf 1 kreeg en van de naam die op de factuur stond die bedrijf 1 aan verdachte stuurde. Daarnaast wist verdachte dat BioAid als zodanig niet op bijlage Aa van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet stond vermeld.

Van azijnoplossing met methanol wist verdachte dat zij deze niet mocht ontvangen en verwerken als co-product.

Verdachte heeft voorts gesteld dat zij de verklaring van bedrijf 1 dat de aanduiding van de productnaam BioAid op de CMR’s en de facturen verschilden om de bron van herkomst van BioAid te beschermen, een geloofwaardige verklaring vond. De rechtbank deelt deze opvatting niet. Op de CMR’s die bedrijf 3 bij de aflevering van BioAid aan verdachte aanbood, stond immers de juiste naam van het geleverde product en de producent van het product vermeld Indien bedrijf 1 de herkomst van de leveringen daadwerkelijk voor verdachte verborgen had willen houden, had zij haar transporteur een andere CMR laten opmaken ten behoeve van verdachte. De verdachte had dat ook moeten begrijpen want van bronbescherming was geen sprake.

Gelet op deze omstandigheden had verdachte juist een onderzoek moeten instellen naar de feitelijke samenstelling en status van BioAid en had zij niet klakkeloos mogen vertrouwen op het oordeel en de adviezen van persoon 1. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat persoon 1 een werknemer was van bedrijf 1 BV en derhalve een commercieel belang had (althans kon hebben) bij de verkoop van BioAid aan verdachte. Hij geldt niet als een onafhankelijke derde op wie zonder enig nader onderzoek vertrouwd mocht worden.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen (nader) onderzoek in te stellen naar de daadwerkelijke samenstelling van BioAid. Dat heeft verdachte nagelaten. Daarmee heeft verdachte - op zijn minst genomen - willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het aan verdachte geleverde product geen glycerine was, maar een stof die verdachte niet in haar inrichting mocht innemen, opslaan of verwerken.

Conclusie

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten, zoals die hierna onder “De bewezenverklaring” nader zullen worden beschreven, opzettelijk heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet milieubeheer, telkens opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
  • Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Geldboete van €15.000.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft gedurende een langere periode de milieuwetgeving overtreden en het risico aanvaard dat daardoor het milieu schade zou kunnen worden toegebracht. Gelet op de langere periode waarin de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd en het aantal transporten BioAid die verdachte heeft geaccepteerd, lijken de bewezenverklaarde gedragingen een structureel karakter te hebben. Gelet op dit structurele karakter lijkt verdachte zich weinig te hebben aangetrokken van de gevolgen die haar handelen voor het milieu had kunnen hebben.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 mei 2016 verdachte in 2014 ter zake van overtreding van de Waterwet is veroordeeld.

Strafmatigende omstandigheden

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de zaak meegewogen dat het initiatief voor de levering aan en verwerking door verdachte van BioAid en azijnzuuroplossing met methanol niet van verdachte is uitgegaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Gevangenisstraffen voor PGB fraude, waaronder voor psychiater die medische verklaringen valselijk heeft opgemaakt

Rechtbank Rotterdam 28 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5917 en ECLI:NL:RBROT:2016:5919 De Rechtbank Rotterdam heeft meerdere personen veroordeeld voor hun aandeel in fraude met uitkeringen en persoonsgebonden budgetten (PGB).  Naast een geldboete, een beroepsverbod en een taakstraf zijn er gevangenisstraffen opgelegd tot 4 jaar.

Grootschalige fraude

In de periode december 2008 tot en met april 2016 vond een opsporingsonderzoek en strafrechtelijk vooronderzoek plaats naar grootschalige fraude met uitkeringen en persoonsgebonden budgetten (PGB). Diverse personen hadden zich bij (uitkerende) instanties als het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en zorgkantoren onterecht voorgedaan als psychiatrische patiënten.

Wanneer zij wel patiënt waren, veinsden ze een veel erger ziektebeeld. Zij deden dat samen met psychiaters, die valse verklaringen over hun ziektebeeld afgaven en hen ten onrechte medicijnen voorschreven. En samen met mannen die de gang door de instanties organiseerden, sterker nog: die daartoe vaak het initiatief namen en de pseudo-patiënten ronselden en begeleidden.

Op grond van de onderzoeksresultaten hebben de officieren van justitie een groot aantal personen beschuldigd. Het betreft tientallen pseudo-patiënten, twee psychiaters en twee begeleiders. De laatste vier zijn voor de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Rotterdam gedagvaard. In die zaken heeft de rechtbank vandaag uitspraak gedaan.

Veroordelingen

Eén psychiater is veroordeeld voor het valselijk opmaken en afgeven van vier valse medische verklaringen en voor medeplichtigheid aan een geval van oplichting. Van het belangrijkste feit, het medeplegen van oplichting van het UWV en de zorgkantoren wordt hij vrijgesproken, alsmede van overtreding van de Wet martktordening gezondheidszorg. De rechter veroordeelt hem tot een geldboete van 5000 euro en ontzegging uit het recht om zijn beroep als psychiater uit te oefenen voor de duur van vijf jaren.

Vrijspraak voor het medeplegen van het valselijk opmaken van medische verklaringen is er voor de begeleider die zijn aandeel in de fraude heeft bekend. Hij wordt wel veroordeeld voor het oplichten van het UWV en zorgkantoren, voor fraude met zijn eigen uitkering en voor witwassen tot een gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 240 uren.

Een andere begeleider en een psychiater zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van respectievelijk 4 en 3 jaar. Beiden zijn de feiten ondanks de vele bewijzen tegen hen telkens blijven ontkennen.

 

Lees hier de volledige uitspraken: 

 

Print Friendly and PDF ^