Conclusie AG in afvalstoffen-zaak van Shell Nederland en Shell België naar aanleiding van verzoek van de Rechtbank te Rotterdam om een prejudiciële beslissing

In deze zaak gaat het erom of Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV en Belgian Shell afvalstoffen hebben overgebracht naar een van hun vestigingen in Nederland, te weten ruim 333 000 kilo van een door een koper in België geretourneerd olieproduct. De koper kon het olieproduct niet opslaan of onder zich houden wegens de onjuiste samenstelling ervan, die was veroorzaakt door een fout tijdens het laden vóór de eerste overbrenging van het product van Nederland naar België. In feite is de vraag of dit olieproduct als „afvalstof” moet worden aangemerkt, de enige kwestie waarvoor de verwijzende nationale rechter een beroep op het Hof doet in het kader van de strafrechtelijke berechting van Shell wegens niet-naleving van de procedurele vereisten van het Nederlandse en het Unierecht betreffende het overbrengen van afvalstoffen.

Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, verlangt dat aan de bevoegde autoriteit van bestemming vooraf kennis wordt gegeven van het overbrengen van afvalstoffen, terwijl artikel 5, lid 1, van verordening nr. 259/93 overbrenging zonder vergunning verbiedt. Beide verplichtingen zijn een uitwerking van het voorzorgsbeginsel van artikel 191, lid 2, VWEU, en het staat vast dat Shell noch aan de bevoegde autoriteiten kennisgeving heeft gedaan van de overbrenging van het product in kwestie, noch hiervoor vergunning had verkregen.

Geschil in het hoofdgeding en prejudiciële vragen

Op 3 september 2006 is door Shell zogenoemde Ultra Light Sulphur Diesel (ULSD) in een schip verladen en naar een Belgische klant (Gebr. Carens BVBA) gebracht. Op het moment van laden van het schip waren de tanks niet helemaal leeg, waardoor de ULSD vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether (MTBE).

Het gevolg van deze vermenging was dat de ULSD niet aan de overeengekomen productkenmerken voldeed en door Carens niet meer kon worden gebruikt voor het oorspronkelijk beoogde doel, te weten verkoop door Carens als dieselbrandstof aan de pomp. Het vlampunt van het mengsel was daarvoor te laag; bovendien mocht Carens op grond van haar milieuvergunning een mengsel met een dergelijk vlampunt niet opslaan. De vermenging van de ULSD met MTBE werd pas ontdekt nadat de partij was overgedragen aan Carens in België. Volgens de schriftelijke opmerkingen van de Commissie zond Shell de partij tussen 20 en 22 september 2006 terug naar Nederland, waar zij deze opnieuw heeft laten blenden om het nieuwe mengsel als brandstof te verkopen. Zoals reeds vermeld heeft Shell vóór de overbrenging noch een kennisgeving in de zin van verordening nr. 259/93 gedaan, noch om een vergunning verzocht.

Shell werd daarop strafrechtelijk vervolgd voor de Rechtbank te Rotterdam. Shell wordt ten laste gelegd dat zij in of omstreeks het tijdvak van 20 tot en met 22 september 2006 te Barendrecht en/of te Rotterdam, in elk geval te Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Unie, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26, lid 1, van verordening nr. 259/93, omdat zij in het motortankschip Nimitz afvalstoffen, te weten (ongeveer 333 276 kilogram) gasolie en/of dieselolie verontreinigd met MTBE, in elk geval olieafval, in elk geval een afvalstof als genoemd onder code AC 030 in bijlage III bij verordening nr. 259/93, heeft overgebracht van België naar Nederland, welke overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig verordening nr. 259/93.

In het licht hiervan heeft de Rechtbank verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1. Moet een partij diesel worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van [verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006] in de volgende omstandigheden:

  • de partij bestaat uit Ultra Light Sulphur Diesel, die ongewild vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether;
  • de partij blijkt na levering aan een koper – door de vermenging – niet aan de tussen de koper en verkoper overeengekomen specificaties te voldoen (het is daarmee: ,off-spec’);
  • de partij wordt – na reclame door de koper – uit hoofde van de koopovereenkomst teruggenomen door de verkoper en deze betaalt de koopprijs terug;
  • de verkoper heeft de intentie om de partij – al dan niet na vermenging met een ander product – weer op de markt te brengen.

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is:

  • is er een moment aan te wijzen in bovengenoemde feitelijke omstandigheden vanaf hetwelk dit het geval is?;
  • verandert de status van de partij naar niet-afvalproduct op enig moment tussen de aflevering aan de koper en een nieuwe menging door of namens de verkoper, en zo ja, op welk moment?

3. Is het voor het antwoord op vraag 1 van belang:

  • of de partij op dezelfde wijze gebruikt kon worden als brandstof als pure ULSD, maar door zijn lagere vlampunt niet meer voldeed aan (veiligheids)eisen;
  • of de partij door de nieuwe samenstelling door de koper niet mocht worden opgeslagen onder een milieuvergunning;
  • of de partij door de koper niet gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was aangekocht, namelijk verkoop als dieselbrandstof aan de pomp;
  • of de wil van de koper wel of niet op teruggave aan de verkoper onder de koopovereenkomst was gericht;
  • of de wil van de verkoper inderdaad was gericht op terugname van de partij met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt;
  • of de partij wel of niet hersteld kan worden, hetzij in de originele beoogde staat, hetzij tot een product dat verhandelbaar is tegen een prijs die de marktwaarde van de oorspronkelijke partij ULSD benadert;
  • of die herstelhandeling een gebruikelijk productieproces is;
  • of de marktwaarde van de partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen door de verkoper, (nagenoeg) overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet;
  • of de teruggenomen partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen, zonder bewerking op de markt kan worden verkocht;
  • of de handel in producten zoals de partij gebruikelijk is en in het handelsverkeer niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd.”

Beoordeling AG JÄÄSKINEN

De AG geeft in overweging op de prejudiciële vragen van de Rechtbank te Rotterdam het volgende antwoord te geven:

„Een partij brandstof die de verkoper terugneemt en bewerkt door menging, met de bedoeling het mengsel weer op de markt te brengen, omdat die brandstof onbedoeld was vermengd met een andere stof en daardoor niet langer voldeed aan veiligheidsvoorschriften en derhalve niet door de koper kon worden opgeslagen uit hoofde van diens milieuvergunning, moet worden aangemerkt als een partij afvalstof in de zin van artikel 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, vanaf het moment van de onbedoelde verontreiniging tot aan de nuttige toepassing door de nieuwe menging ervan.”

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe Omgevingswet vergroot risico’s voor bescherming van milieu en natuur

De voorgestelde nieuwe Omgevingswet levert per saldo meer risico’s dan kansen op voor de milieu- en natuurbescherming. Dit komt door de manier waarop de extra ruimte voor ontwikkelingen in het wetsvoorstel wordt vormgegeven én door de beperkingen aan de procedure voor de milieueffectrapportage. Dat concludeert het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) in zijn vandaag verschenen studie Milieueffectentoets Wetsvoorstel Omgevingswet, dat het uitvoerde op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en de Tweede Kamer (motie Van Veldhoven).

De regering heeft zich tot doel gesteld om met de Omgevingswet, in vergelijking met de huidige wetgeving, een gelijkwaardig beschermingsniveau voor milieu en natuur te waarborgen. De voorgestelde Omgevingswet omvat de kaders voor de belangrijkste materiële en procedurele regels voor ruimtelijke ontwikkeling, gebruik en beheer van de leefomgeving; de uitwerking van de Omgevingswet gebeurt op een later moment in Algemene Maatregelen van Bestuur. Deze latere concrete invulling is bepalend voor het feitelijke beschermingsniveau van milieu en natuur; het PBL kan dan ook alleen in termen van kansen en risico’s voor milieu- en natuurbescherming spreken.

Kansen

Het PBL constateert dat het wetsvoorstel voor de Omgevingswet aansluit bij de maatschappelijke behoefte aan meer flexibiliteit en integraliteit. Het biedt meer afwegingsruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen dan de voorgaande wetgeving en verhoogt de mate van integraliteit van de besluitvorming. Bovendien voorziet het in een eenduidige aanpak voor het oplossen van de problemen in de leefomgeving. Hiermee levert het wetsvoorstel kansen op voor de bescherming van milieu en natuur.

Risico’s

Er zijn echter ook risico’s voor de milieu- en natuurbescherming in de voorgestelde Omgevingswet. Zo biedt het wetsvoorstel meer flexibiliteit om te kunnen afwijken van de milieu- en natuurregelgeving. Het stelt hierbij minder eisen aan welke gebiedsontwikkelingen worden toegelaten en biedt daarnaast minder garanties tegen eventuele negatieve milieu- of natuureffecten. Door het beperken van de sturing komt de geboden flexibiliteit onvoldoende ten goede aan het doel van duurzame ontwikkeling dat het wetvoorstel beoogt en levert het voorstel een hoger risico op voor milieu- en natuurbescherming. Het is namelijk onvermijdelijk dat sommige ruimtelijke ontwikkelingen op gespannen voet staan met milieu- en natuurbescherming. Maar vooral de stapeling van de mogelijkheden voor flexibiliteit in combinatie met beperkingen van de procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) levert risico’s op voor de milieu- en natuurbescherming. Bij de m.e.r.-procedure zal het onderzoek naar alternatieven met minder milieueffecten namelijk vaker buiten beeld blijven. Verder nemen de mogelijkheden voor maatschappelijke participatie af en wordt de verplichte onafhankelijke kwaliteitstoets voor de rapportage van een project-m.e.r. geschrapt. De meeste flexibiliteit om van de milieu- en natuurregelgeving af te wijken biedt het instrument ‘projectbesluit’, terwijl het hierbij niet om de minste projecten gaat. Denk bijvoorbeeld aan grote en complexe projecten als snelwegen, windmolenparken en waterbergingsgebieden.

Bron: Planbureau voor de Leefomgeving

Print Friendly and PDF ^

Is een opslagtank een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer?

Gerechtshof Leeuwarden 15 april 2013, LJN BZ8112

Feiten

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk het verwijderen of onklaar maken van een opslagtank, met de daarbij behorende leidingen en appendages, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft laten geschieden door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

Voorts wordt verdachte verweten dat hij opzettelijk, terwijl in de inrichting een brandstoftank is verwijderd, althans een bodembedreigende activiteit is verricht, niet binnen zes maanden na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof en/of afgewerkte olie en/of pekel in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit heeft toegezonden aan het college van burgemeester en wethouders, althans aan het bevoegd gezag.

Verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat hij de opslagtank heeft laten leegzuigen door een gecertificeerd bedrijf, bedrijf 1, en dat hij de opslagtank heeft afgevoerd naar een erkend verwerkingsbedrijf, bedrijf 2. Verder is uit een reeds in april 2011 aan de gemeente toegezonden bodemonderzoek gebleken dat de grond rondom de opslagtank niet is verontreinigd. Verdachte is van mening dat hij aldus aan de voor hem geldende verplichtingen heeft voldaan.

Beoordeling hof

Aan verdachte zijn tenlastegelegd overtredingen van voorschriften gesteld krachtens artikel 8:40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, te weten, in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van het op artikel 3.30 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gebaseerde artikel 3.37, vierde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en, in het tweede gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.

Deze bepalingen gelden slechts indien sprake is van een inrichting. In het tweede gedeelte van de tenlastelegging is het woord inrichting, als te bewijzen onderdeel van de tenlastelegging, opgenomen.

Het begrip inrichting is omschreven in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Onder inrichting wordt verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo bepaalt artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer vervolgens, categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Dit laatste is gebeurd in het Besluit omgevingsrecht. Artikel 2.1, eerste lid, van dit besluit wijst de in bijlage I bij dit besluit, onderdelen B en C, genoemde categorieën van inrichtingen aan als categorieën van inrichtingen bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.

In onderdeel C is, voor zover hier van belang, opgenomen:

Categorie 5 | 5.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

In het perceel, waarvan verdachte eigenaar is, is een dieselolietank aangetroffen met een inhoud van meer dan 1 m3. In die tank bevond zich een restant olie. Vastgesteld kan worden dat sprake is van een bedrijvigheid, te weten het opslaan van ontvlambare of brandbare vloeistoffen, die binnen een zekere begrenzing (de tank) pleegt (met een zekere tijdsduur) te worden verricht. De vraag of hier ook sprake is van een bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is ondernomen bedrijvigheid, zal het hof niet beantwoorden.

Immers, ook indien deze vraag, veronderstellenderwijs, bevestigend zou worden beantwoord en er mitsdien van wordt uitgegaan dat sprake is van een inrichting in de zin van (artikel 1.1 van) de Wet milieubeheer, dan nog kan niet tot een veroordeling van verdachte worden gekomen.

Niet kan worden vastgesteld dat verdachte, zoals omschreven in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft gehandeld. In het dossier bevindt zich niet het normdocument waarop de steller van de tenlastelegging het oog heeft en waarin (kennelijk) zou moeten staan dat een ondergrondse brandstoftank moet worden afgevoerd door een bedrijf dat beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Evenmin bevindt zich in het dossier de ministeriële aanwijzing van een dergelijk normdocument op de voet van artikel 25 van het Besluit bodemkwaliteit. In het dossier bevindt zich wat dit betreft slechts, in de brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] van 24 maart 2011, een verwijzing naar een (niet bijgevoegde) beoordelingsrichtlijn.

Het tweede gedeelte van de tenlastelegging kan evenmin worden bewezen, reeds hierom niet nu niet kan worden vastgesteld dat het bodemonderzoek dat verdachte voor het einde van de tenlastgelegde periode aan het college van burgemeester en wethouders heeft doen toekomen, niet kan worden beschouwd als rapport in de zin van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.

Verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Rechtspersoon maakt zich schuldig aan medeplegen van storten materialen op bodem en in water. Overwegingen over de begrippen 'inrichting' en 'werk' in de zin van de Wet milieubeheer en 'werk' in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Gerechtshof Arnhem 16 april 2013, LJN BZ7832

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het jarenlang storten van materialen in en op de locaties C en B, terwijl hij daarvoor niet de vereiste vergunningen had aangevraagd en verkregen. De verdachte heeft daarmee het risico genomen op vervuiling van de bodem en het oppervlaktewater.

Bovendien heeft de verdachte valsheid in geschrifte gepleegd.

Inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (feiten 1 en 2)

Voor zover het de feiten 1 en 2 betreft heeft de raadsman betoogd dat geen sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in ieder geval niet van een inrichting waarvoor de vertegenwoordiger van de verdachte verantwoordelijk was, nu de vertegenwoordiger van de verdachte werkte in opdracht getuige 1 en 2 en zij degenen waren die voor een eventuele vergunning moesten zorgen.

Voor zover het hof van oordeel is dat wel sprake was van een inrichting waarvoor de vertegenwoordiger van de verdachte verantwoordelijk was, heeft de raadsman betoogd dat geen sprake hoefde te zijn van een vergunning. Hij heeft een beroep gedaan op de uitzondering zoals die is neergelegd in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit onderdeel 28.3 onder c omdat sprake was van een werk in de zin van het Bouwstoffenbesluit en ná 1 januari 2009 een toepassing in de zin van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), waardoor de aanvraag en verlening van een vergunning niet nodig was. Alle ambtenaren en derden die bij het project betrokken waren ging daarvan ook uit, terwijl het werk ook geen nadelige gevolgen heeft gehad voor het milieu.

Zo er al afvalstoffen zouden zijn gestort, kan niet bewezen worden dat de aangetroffen materialen door de vertegenwoordiger van de verdachte zijn gestort. De raadsman heeft ter onderbouwing gewezen op de getuigenverklaringen van getuige 1, 2 en 3.

Het standpunt van de advocaat-generaal en de rechtbank dat geen sprake zou zijn van een toepassing en een functionaliteitsvereiste is achterhaald door de legalisatie van het storten van zand.

Ten slotte is ter zake van deze feiten bepleit dat de vertegenwoordiger van de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de overtreding van de Wet milieubeheer omdat de vertegenwoordiger van de verdachte steeds heeft gehandeld in overleg met het bevoegde gezag. Ook op die grond dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Hof: De conclusie op dit punt is dat met de stort van de materialen zoals de vertegenwoordiger van de verdachte heeft gedaan geen sprake was van een werk of toepassing, die van de vergunningplicht van artikel 8.1 Wm was uitgezonderd. Voor zover de raadsman nog heeft betoogd dat de vertegenwoordiger van de verdachte niet de normadressaat is van het artikel faalt dit betoog omdat het artikel is gericht aan een ieder die een inrichting drijft. Dat verdachte daarbij (mede) in opdracht heeft gehandeld van getuige 2 en/of getuige 1 doet daaraan niet af. Het hof acht bewezen dat verdachte samen met getuige 2 en/of getuige 1 de materialen heeft gestort terwijl daarvoor geen vergunning was verkregen, zodat evenmin relevant is of verdachte elke vracht afzonderlijk heeft gestort.

Het gegeven dat de bestaande situatie thans gelegaliseerd wordt doet evenmin af een bewezenverklaring ter zake van de feiten 1 en 2, omdat dit niet betekent dat destijds is gehandeld conform de geldende regelgeving. Het hof ziet zich in dit oordeel gesteund door de brief afkomstig van het Waterschap Rivierenland d.d. 26 april 2012 waarin wordt gemeld dat aan B.V. van getuige 2 in het verleden is verzocht om de gestorte materialen, voor welke stort geen vergunning is verleend, te verwijderen en dat aan het bedrijf thans een last onder dwangsom wordt opgelegd om te bewerkstelligen dat de gestorte materialen worden afgedekt met een schone afdeklaag.

Voor zover nog is betoogd dat de vertegenwoordiger van de verdachte geen opzet had op het overtreden van de Wet milieubeheer geldt dat de vertegenwoordiger van de verdachte wist dat hij geen vergunning had. Opzet op de wederrechtelijkheid is niet vereist.

Afvalstof (feit 3)

De raadsman heeft betoogd dat door de vertegenwoordiger van de verdachte geen afvalstoffen zijn gestort.

  • Er is schone grond en categorie 1 grond toegepast in een waterbouwkundig werk. Bovendien is de uitzondering van artikel 18 lid 1 en 21 lid 1 van het Bouwstoffenbesluit alsook artikel 5 lid 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, zodat de vergunningenplicht niet geldt.
  • Het standpunt dat geen sprake zou zijn van de uitzonderingsbepalingen in de zin van het Bouwstoffenbesluit in verband met het ontbreken van voldoende functionaliteit is achterhaald door de legalisatie van de werkzaamheden.
  • Bovendien had de vertegenwoordiger van de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de overtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo).
  • Ten slotte is betoogd dat de Wvo voor het inrichtingen- en afvalstoffenbegrip aanhaakt bij de Wet milieubeheer. Gelet op het eerdere betoog dat geen sprake is van een inrichting, noch van afvalstoffen, noch van enige kans op verontreiniging, is de Wvo niet aan de orde en dient ook op grond daarvan vrijspraak te volgen.

Hof: In het onderhavige geval is, zoals hiervoor aan de orde was, sprake van het storten van materialen in een inrichting, zonder dat daarmee een specifiek doel aan ten grondslag lag. Verdachte had de materialen die in/op locatie C en B zijn gestort onder zich, en daarmee in beheer, waarna zij de stort van de materialen aanstuurde of verzorgde. De gestorte materialen zijn daarmee aan te merken als afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en de op grond van die wet gedelegeerde wetgeving. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Valsheid in geschrifte (feit 5)

Betoogd is dat de facturen die in de tenlastelegging zijn opgenomen niet vals waren. De beplanting is slechts tijdelijk geplaatst op het privéterrein van de vertegenwoordiger van de verdachte. Verder had de vertegenwoordiger van de verdachte geen opzet op het plegen van valsheid in geschrifte en ontbrak het oogmerk tot benadeling bij hem. Bovendien kan, zo het tenlastegelegde bewezen kan worden, het handelen niet aan de rechtspersoon worden toegerekend omdat dit geheel buiten de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden.

Hof: De vertegenwoordiger van de verdachte was enig aandeelhouder van verdachte en heeft in die hoedanigheid facturen opgemaakt terwijl deze vals waren. Deze gedraging past in beginsel bij de normale bedrijfsvoering van de B.V. met uitzondering van het gegeven dat de facturen die zijn opgemaakt vals waren. De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest omdat de rechtspersoon bij het opmaken van de valse facturen financieel voordeel had. De rechtspersoon mocht beschikken over het plaatsvinden van de gedraging en deze gedraging werd in zoverre aanvaard dat door de rechtspersoon onvoldoende zorg is betracht om te voorkomen dat facturen werden opgemaakt die vals waren. Het hof is daarom van oordeel dat de gedragingen zeer wel in de sfeer van de rechtspersoon zijn verricht en dat deze aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Het verweer van de raadsman faalt. Het hof acht het onder 5 primair tenlastegelegde bewezen.

Bewezenverklaaring

  • Feit 1 en 2: het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
  • Feit 3:het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
  • Feit 5 primair: het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Beroep op rechtsdwaling 

De raadsman heeft betoogd dat bij de vertegenwoordiger van de verdachte alle schuld afwezig was, omdat hij heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de gedraging.

Door de vertegenwoordiger van de verdachte is gesteld dat diverse overheden hem al die tijd hebben medegedeeld dat er geen probleem was met de stort als de vertegenwoordiger van de verdachte maar schone grond zou storten. Ook zou zijn gezegd dat sprake was van een werk zodat geen vergunning nodig was.

Vaststaat dat de regelgeving die in de onderhavige zaak aan de orde is, complex is.

Uit geen van de door de vertegenwoordiger van de verdachte aangehaalde stukken blijkt dat de vertegenwoordiger van de verdachte expliciet advies heeft ingewonnen over de vraag of wel of geen vergunning vereist was voor de handelingen die hij verrichtte. Gelet op de complexiteit van de regelgeving had het wel op de weg van de vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger van de verdachte gelegen om een dergelijk advies in te winnen bij een onafhankelijke en ter zake deskundige adviseur. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de vertegenwoordiger van de verdachte voorafgaand aan deze zaak, in juli 2000, een handhavingsbeschikking van de provincie Gelderland heeft ontvangen over de opslag van grond op het terrein te Kekerdom terwijl daarvoor geen vergunning was aangevraagd. De nadien door de vertegenwoordiger van de verdachte aangevraagde vergunning is afgewezen en een procedure bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State heeft niet tot een andersluidend oordeel geleid. Op 16 november 2004 is door de gemeente een last onder dwangsom naar de vertegenwoordiger van de verdachte verstuurd en op 18 april 2005 is nogmaals gemeld dat de vertegenwoordiger van de verdachte in strijd met de wetgeving afvalstoffen heeft gestort. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft zijn activiteiten vervolgens verplaatst naar locaties locatie C en B.

Het hof is van oordeel dat de vertegenwoordiger van de verdachte, die zijn bedrijf al jaren uitoefende en al eerder was geconfronteerd met de problematiek die in de onderhavige zaak aan de orde is, niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht om te voorkomen dat hij in strijd met de vigerende regelgeving, illegaal grote hoeveelheden materialen zou storten in en op de bodem en het oppervlaktewater. Het beroep op rechtsdwaling faalt om die reden.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Geconstateerd is dat de diverse overheden die zicht hadden op de activiteiten die de verdachte ontplooide vanwege de complexiteit van de aan de orde zijnde regelgeving niet steeds helder voor ogen stond wie het bevoegde gezag was om een vergunningaanvraag in behandeling te nemen of om te handhaven. Feitelijk is niet handhavend opgetreden door de overheden. Het heeft lang geduurd voordat uiteindelijk strafrechtelijk is opgetreden. Deze gang van zaken heeft een matigende invloed gehad op de strafoplegging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nalaten milieueffectrapportage geen reden voor schadevergoeding

Het Europees Hof van Justitie heeft op 14 maart 2013 in de zaak Leth bepaald dat de “milieueffectrapportagerichtlijn” overheden niet verplicht om de waardedaling van goederen te beoordelen bij het opstellen van een milieueffectrapportage. De richtlijn strekt zich desondanks uit tot bescherming tegen vermogenschade die direct gevolg is van de milieueffecten van het project. Overheden kunnen aansprakelijk worden gesteld als zij de milieueffectrapportage achterwege laten. Dit betekent niet dat het achterwegen laten van de milieueffectrapportage een reden is voor een schadevergoeding. Een schadevergoeding is volgens het Hof alleen aan de orde als de benadeelde aan kan tonen dat de vermogensschade er niet was geweest als de milieueffectrapportage wel was uitgevoerd.

Print Friendly and PDF ^