Ontneming: Opvatting hof onjuist dat contante stortingen op bankrekeningen, nu zij voorwerpen van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1331 Aan de betrokkene is bij arrest van 25 maart 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verplichting opgelegd om een bedrag van € 1.692.400 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak "bewezenverklaarde witwassen en soortgelijke feiten" ontoereikend is gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het Hof de betalingsverplichting mede heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat is verkregen uit een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken.

De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in:

"De veroordeelde is bij arrest van 25 maart 2015 van dit gerechtshof (parketnummer 21-004593-12) ter zake van witwassen, belastingfraude en valsheid in geschrift veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde witwassen en soortgelijke feiten financieel voordeel heeft genoten.

Voor de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof voornoemd arrest als uitgangspunt en volgt het grotendeels het in het kader van het onderzoek in de aan deze ontnemingsvordering ten grondslag liggende hoofdzaak opgemaakte berekening van de verbalisanten als weergeven in het stamproces-verbaal van de FIOD/ECD van 17 december 2008, dossiernummer 41701.

In het arrest in de aan deze ontneming ten grondslag liggende hoofdzaak is bewezen verklaard dat verdachte de volgende bedragen heeft witgewassen:

€ 55.737,65 door storting op een Duitse bank in 2002;

€ 736.050,= door storting op een Duitse bank in 2004;

€ 504.000,= door storting op een Luxemburgse bank.

Daarnaast heeft het hof bewezen geacht dat verdachte de aankoop van onroerend goed in Ibiza in 2002 waarvan de op papier vermelde aankoopprijs € 125.000,= bedroeg mede heeft betaald met € 430.000,= die verdachte in 2002 contant heeft opgenomen bij een Duitse bank. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat er in het onroerend goed investeringen zijn verricht tot een bedrag van € 86.093,=.

De waarde van het pand in 2008 is door de verbalisanten geschat op € 1.232.500,00. De verbalisanten zijn daarbij uitgegaan van de vraagprijs voor de onroerende zaak van € 1.450.000,=. Ervan uitgaande dat de vraagprijs over het algemeen meer bedraagt dan de verwachte verkoopprijs en dat in vijf jaren stijging van het onroerend goed heeft plaatsgevonden stellen de verbalisanten dat de werkelijke waarde van het onroerend goed 15% lager dan de vraagprijs van € 1.450.000,=. De werkelijke waarde zou dan € 1.232.500,= bedragen. Het hof neemt deze conclusie over.

Dit houdt in dat de waardestijging van het pand € 1.232.500,= minus € 125.000,= (op papier betaalde aankoopprijs) minus € 430.000,= (buiten het zicht gehouden betaling) minus € 86.093,= (investeringskosten) ofwel € 591.407,= bedraagt.

Het hof is anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat niet de gehele waardestijging kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel maar slechts dat deel dat door de investering van € 430.000 is gegenereerd.

Concreet houdt dit in:

430.000 / (125.000 + 430.000 + 86.093) x € 591.407 = € 396.674,12.

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het bovenstaande schat het hof het door veroordeelde behaalde wederrechtelijke voordeel op contante stortingen Duitse Bank 2002 € 55.737,65

Vermogenstoename onroerend goed Ibiza € 396.674,12

Contante stortingen Duitse Bank 2004 € 736.050,00

Contante stortingen Luxemburgse bank € 504.000,00

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.692.461,77."

Beoordeling Hoge Raad

In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is onder 1 bewezenverklaard dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen van geldbedragen door storting op, en opname van, buitenlandse bankrekeningen. Ter zake van het onder 1 eveneens tenlastegelegde witwassen van onroerend goed op Ibiza is de betrokkene vrijgesproken.

In de overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het bewezenverklaarde witwassen tot het door de betrokkene wederrechtelijk verkrijgen van voordeel heeft geleid en dat voordeel geschat op, in totaal, € 1.692.461,77. Dit oordeel heeft het Hof kennelijk mede gebaseerd op de opvatting dat onder meer de contante stortingen op bankrekeningen bij Duitse en Luxemburgse banken, nu zij voorwerpen van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor tot een bedrag van € 1.295.787,65 (te weten het totaal van € 55.737,65, € 736.050,00 en € 504.000,00) wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is niet juist (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 1.295.787,65 door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen. Daarover klaagt het middel terecht.

Voor zover in 's Hofs overwegingen tot uitdrukking is gebracht dat het door het Hof genoemde bedrag van € 396.674,12 is verkregen door middel van of uit baten van het bewezenverklaarde witwassen en soortgelijke feiten, heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.

Indien het Hof heeft geoordeeld dat de "vermogenstoename onroerend goed Ibiza" heeft te gelden als voordeel door middel van of uit de baten van het tenlastegelegde witwassen van onroerend goed op Ibiza, heeft het Hof ten onrechte het bedrag van € 396.674,12 bij het ontnemingsbedrag betrokken reeds nu de verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde witwassen voor zover dat ziet op onroerend goed op Ibiza (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland), NJ 2007/349).

Indien het Hof heeft geoordeeld dat de "vermogenstoename onroerend goed Ibiza" is gerelateerd aan – want is op te vatten als voordeel uit de baten van – het tenlastegelegde witwassen voor zover dat ziet op het opnemen van een bankrekening en het "buiten het zicht houden" van het bedrag van € 430.000,00 heeft het Hof dat oordeel kennelijk gebaseerd op de opvatting dat het opnemen van dat geldbedrag, nu dit voorwerp van witwassen was, reeds daardoor wederrechtelijk voordeel vormde, waarbij uit die baten de "vermogenstoename onroerend goed Ibiza" is ontstaan. Die opvatting is echter niet juist (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 396.674,12 door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen.

De middelen slagen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel mag de vervangende hechtenis in geval van samenloop ten hoogste een jaar bedragen

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1335 Het gaat in deze zaak om twee verdachten die in de nacht van 22 op 23 oktober 2011 een door hen gefabriceerd explosief aan een flitspaal te Voorschoten hebben opgehangen. De Explosieven Opruimingsdienst Defensie heeft het projectiel verwijderd en ontmanteld. Bij het ontmantelen is een ontploffing opgetreden en zijn twee medewerkers van de EOD zwaargewond geraakt en tevens heeft een medewerker van de forensische opsporing letsel opgelopen.

Verdachten zijn door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden resp. een gevangenisstraf van 45 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren . Daarnaast heeft het Hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en Politie Hollands Midden van respectievelijk € 68.250, € 11.026,46, € 402 en € 869,35 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 345, 90, 8 en 17 dagen hechtenis.

Middel

Het derde middel klaagt dat het Hof aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer vervangende hechtenis heeft verbonden dan wettelijk is toegestaan.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 36f, vijfde lid, in verbinding met art. 24c, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in een geval als het onderhavige waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, op grond van art. 60a in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ten hoogste een jaar bedragen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de duur van de vervangende hechtenis aldus verminderen dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van een jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1334

Zie ook de met deze zaak samenhangende zaak, waarbij de Hoge Raad ambtshalve de duur van de vervangende hechtenis verbetert.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling oud-burgemeester Offermanns blijft in stand

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1330

De Hoge Raad heeft vandaag de veroordeling van oud-burgemeester Ricardo Offermanns in stand gelaten. Offermanns werd op 12 maart 2015 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur wegens medeplichtigheid aan de schending van de geheimhoudingsverplichting in de benoemingsprocedure van een nieuwe burgemeester van Roermond. Hij had als kandidaat-burgemeester van de toenmalige wethouder en adviseur van de vertrouwenscommissie Van Rey in strijd met diens geheimhoudingsplicht relevante informatie over de procedure bewust aangenomen. Ook heeft hij Van Rey gelegenheid geboden om vertrouwelijke informatie met hem te delen.

Schending

De Hoge Raad heeft beslist dat het in de loop van een sollicitatieprocedure van een burgemeestersbenoeming verstrekken van informatie over hetgeen in een sollicitatieprocedure met de vertrouwenscommissie zal worden besproken een schending van de geheimhoudingsplicht oplevert.

Het Hof heeft geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht als bedoeld in art. 61c, tweede lid, Gemeentewet ziet op de gehele procedure van de vertrouwenscommissie, "vanaf het moment van instellen van de vertrouwenscommissie door de Raad tot het moment van het uitbrengen van verslag van haar bevindingen door de vertrouwenscommissie aan de Raad en aan (destijds) de Commissaris van de Koningin". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde wetsbepaling en in het bijzonder niet van de daarin voorkomende term "beraadslagingen".

Het Hof heeft geoordeeld dat ook het verschaffen door de in art. 5 van de Verordening vertrouwenscommissie van de gemeente Roermond genoemde personen, onder wie de adviseur van de vertrouwenscommissie, van informatie over de vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek met de vertrouwenscommissie, valt onder de in art. 61c Gemeentewet bedoelde geheimhoudingsplicht.

Volgens de Hoge Raad geven deze oordelen van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Achtergrond

Door het eervolle ontslag van de toenmalige burgemeester van Roermond op 1 februari 2012 raakt het ambt van burgemeester in deze gemeente vacant. Overeenkomstig het bepaalde in art. 61, derde lid, Gemeentewet wordt in het verband van de benoemingsprocedure een vertrouwenscommissie ingesteld, belast met de beoordeling van de kandidaten. Aan de vertrouwenscommissie wordt de toenmalige wethouder (Van Rey) als adviseur toegevoegd. Offermans is één van de kandidaten. Hij wordt met een meerderheid van stemmen door de gemeenteraad gekozen als beoogd burgemeester van Roermond en bij besluit van 27 september 2012 aanbevolen bij de minister van Binnenlandse Zaken.

Volgens de verdenking van het Openbaar Ministerie zou Van Rey uit hoofde van zijn functie als adviseur lopende de sollicitatieprocedure in contact hebben gestaan met de Offermans en in strijd met zijn geheimhoudingsplicht aan de Offermans relevante informatie hebben verstrekt over vragen en casusposities die de Offermans  in het sollicitatiegesprek zouden worden voorgehouden en de gewenste antwoorden daarop en hoe hij daarbij de mooiste indruk zou maken. Naar het oordeel van het hof wist Offermans dat Van Rey deze vertrouwelijke informatie niet met hem mocht delen en heeft de Offermans Van Rey de gelegenheid geboden diens geheimhoudingsplicht te schenden. Derhalve acht het hof de Offermans schuldig aan medeplichtigheid aan het opzettelijk schenden van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan Van Rey toen verplicht was het desbetreffende geheim te bewaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. meegebrachte getuigen

Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1191 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 11 juni 2015 verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 250 voor vernieling. Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het door de verdachte gedane verzoek tot het horen van een tweetal ter terechtzitting meegebrachte getuigen.

Beoordeling Hoge Raad

Van het horen van de getuigen van wier aanwezigheid mededeling is gedaan bij de (hernieuwde) aanvang respectievelijk hervatting van het onderzoek, kan slechts worden afgezien (i) met toestemming van de officier van justitie en de verdediging, of (ii) indien die procespartijen niet instemmen met het afzien van het horen, op de gronden die zijn genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv, te weten dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen, dan wel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. Ingevolge de schakelbepaling van art. 415 Sv zijn onder meer de art. 287-288 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor het gerechtshof. (Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014, 441, rov. 2.12 en 2.36-2.37.)

De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof de aldaar verschenen echtgenote en zoon van de verdachte aangemerkt als ter terechtzitting meegebrachte getuigen. Het Hof heeft afgezien van het horen van deze getuigen zonder in de motivering van zijn beslissing kenbaar aandacht te besteden aan de in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv genoemde gronden. De afwijzing van het verzoek van de verdachte tot het horen van deze getuigen is dan ook niet begrijpelijk gemotiveerd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Aanvraag herziening beslissing in ontnemingszaak kan niet tot herziening leiden, reeds omdat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457 Sv

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:1257

Bij vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2015 is de veroordeelde in zijn strafzaak veroordeeld ter zake van het medeplegen van handel in merkvervalste horloges. De rechtbank heeft het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 62.314,63.

Door veroordeelde is een verzoek tot herziening gedaan.

Beoordeling Hoge Raad

De aanvraag zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvraag kan daarom - gelet op art. 465, eerste lid, Sv - niet worden ontvangen.

Opmerking verdient dat de rechter die de maatregel heeft opgelegd op grond van art. 577b, tweede lid, Sv bevoegd is op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^