Onderzoek ter terechtzitting in het openbaar?

Hoge Raad 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689 De verdachte is bij arrest van 15 april 2015 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wegens diefstal, vergezeld van geweld en gevolgd door bedreiging met geweld.

Middel

Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is omdat het niet in het openbaar is geschied.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting dient in het openbaar te geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6, eerste lid, EVRM als in art. 121 GW verwoord. Art. 4, eerste lid, RO en art. 269, eerste lid, Sv, krachtens art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk, herhalen dit. Deze bepalingen verwijzen alle naar de mogelijkheid van uitzonderingen op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. Volgens de art. 121 GW en 4, eerste lid, RO dienen die uitzonderingen bij de wet te zijn bepaald. Art. 4, tweede lid, RO voegt daar nog aan toe dat om gewichtige - in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - redenen het onderzoek ter terechtzitting geheel of gedeeltelijk kan plaatsvinden met gesloten deuren.

Art. 6 EVRM bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van de openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt.

Art. 269 Sv regelt de in art. 4 RO aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke belangen die inbreuk mag worden gemaakt. Dit wettelijk stelsel houdt in dat naast de mogelijkheid van sluiting van de deuren overeenkomstig de regeling van art. 269 Sv niet langs een andere weg inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. (Vgl. HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633.)

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat het aldaar plaatsgevonden onderzoek in het openbaar is geschied. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het vermelde voorschrift niet in acht is genomen. Het middel klaagt hierover terecht.

Uit de in HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 weergegeven parlementaire geschiedenis kan niet anders worden afgeleid dan dat de wetgever een strikte handhaving heeft beoogd van wettelijke uitzonderingen op het beginsel dat terechtzittingen met uitzonderingen van de gevallen bij de wet bepaald in het openbaar plaatsvinden. Dit betekent dat het geconstateerde verzuim tot nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest leidt.

Conclusie AG: contrair

Door of namens verdachte wordt - hoewel verdachtes toenmalige raadsman aldaar aanwezig was en het woord heeft gevoerd en dus voor de verdachte te achterhalen valt of het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep al dan niet in het openbaar heeft plaatsgevonden - niet gesteld dat het onderzoek ter terechtzitting niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Voorts heeft verdachtes toenmalige raadsman daarover ter terechtzitting in hoger beroep niet geklaagd. Verdachte heeft niet duidelijk gemaakt waarin desalniettemin zijn belang bij de onderhavige klacht is gelegen.

Uit een en ander volgt dat de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep.

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

HR wijst overzichtsarrest feitelijke leidinggeven

Hoge Raad 26 april 2016,

Op 26 april wijst de Hoge Raad een overzichtsarrest met betrekking tot feitelijke leidinggeven. Volgens de Hoge Raad is dit gecompliceerde thema in recente rechtspraak weinig aan bod gekomen. De Hoge Raad heeft daarom, mede aan de hand van zijn eerdere rechtspraak, enkele opmerkingen gemaakt over de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het "feitelijke leidinggeven" aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging als bedoeld in art. 51, tweede lid aanhef en onder 2°, Sr. Deze opmerkingen vormen geen compleet overzicht, maar beogen op hoofdlijnen een verduidelijking van het beslissingskader te bieden, aldus de Hoge Raad. Bij de toepassing van dat kader hangt af van de precieze feiten en omstandigheden van het geval.

Strafvervolging ingesteld tegen een persoon die feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, behoeft - indien de rechtspersoon eveneens wordt vervolgd - niet tegelijk plaats te vinden met die vervolging van de rechtspersoon. Zij stuit ook niet af op de enkele omstandigheid dat een strafvervolging van die rechtspersoon niet (meer) mogelijk is of niet plaatsvindt.

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,

c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,

d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven. Ook een rechtspersoon kan een feitelijke leidinggever zijn.

Feitelijke leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.

Onderhavige zaak 

Verdachte is bij arrest van 6 mei 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,  veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, tot een geldboete van € 30.000,- en tot een taakstraf van 100 uren wegens feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

In deze zaak staat in enkele middelen het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon begaan strafbaar feit centraal.

De middelen klagen in het bijzonder over de bewezenverklaring van het feitelijke leidinggeven en het daartoe vereiste opzet van de verdachte.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof kennelijk aangenomen dat de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Oost-Twente opzettelijk onjuiste aangiften LB/Pvv heeft gedaan door daarin ten onrechte opzettelijk de aan betrokkene 1, althans diens persoonlijke vennootschap B BV, betaalde beloningen niet als 'loon' te verantwoorden.

Voorts heeft het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat:

(i) de verdachte gedurende de in de tenlastelegging vermelde periode werkzaamheden verrichtte voor het Werkvoorzieningschap, aanvankelijk (in zijn hoedanigheid van burgemeester van een van de samenwerkende gemeenten) als voorzitter van het dagelijks bestuur van het Werkvoorzieningschap en vanaf 2001 (in zijn hoedanigheid van waarnemend burgemeester van een andere gemeente) als voorzitter van de vergaderingen van het Werkvoorzieningschap;

(ii) de verdachte in die respectieve functies nauw betrokken was bij, en een zwaarwegende invloed had op het creëren van een constructie waarbij betrokkene 1 zijn werkzaamheden als algemeen directeur van het Werkvoorzieningschap en haar (klein)dochtervennootschappen na 20 januari 2000 zou kunnen voortzetten zonder voor fiscale doeleinden als werknemer van het Werkvoorzieningschap te worden aangemerkt;

(iii) de verdachte ervan op de hoogte was dat het voorkomen van een dienstverband met het Werkvoorzieningschap voor betrokkene 1 fiscaal gunstig was en dat het daarvoor nodig was dat betrokkene 1, althans B, diverse opdrachtgevers had;

(iv) de verdachte heeft geëntameerd dan wel ervan op de hoogte was dat betrokkene 1 althans B te dien einde dienstverleningsovereenkomsten heeft gesloten met de gemeente Oldenzaal en met twee (klein)dochtervennootschappen van het Werkvoorzieningschap, terwijl betrokkene 1 feitelijk en uitsluitend werkzaam was als algemeen directeur van het Werkvoorzieningschap; en

(v) de verdachte ervan op de hoogte was dat het Werkvoorzieningschap als gevolg van een en ander onjuiste aangiften LB/Pvv zou doen.

Op grond van deze vaststellingen heeft het Hof in overeenstemming met het hiervoor onder 3 overwogene en zonder van een onjuiste rechtsopvatting blijk te geven niet onbegrijpelijk kunnen oordelen (a) dat het Werkvoorzieningschap opzettelijk onjuiste aangiften LB/Pvv heeft gedaan en (b) dat de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, leidt de door de verdediging naar voren gebrachte enkele omstandigheid dat de verdachte na 2000 "geen bestuurlijk mandaat meer" had en niet langer bevoegd was namens het Werkvoorzieningschap op te treden, niet tot een ander oordeel.

De middelen falen derhalve.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG m.b.t. illegale overbrenging. Hof zou ten onrechte als beoordelingskader gekozen voor de Kaderrichtlijn afvalstoffen i.p.v. Verordening dierlijke bijproducten.

Hoge Raad 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:687 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur wegens het telkens opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd (feit 1-3) en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gesteld verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (feit 4).

Middel

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte als beoordelingskader heeft gekozen voor Richtlijn 2008/98/EG van 19 november 2008 (Kaderrichtlijn afvalstoffen), in plaats van de Verordening 1069/2009 van 21 oktober 2009 (Verordening dierlijke bijproducten).

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

5.4. Het hof heeft blijkens bewijsmiddel 3 vastgesteld dat het materiaal dat het bedrijf van verdachte vervoerde uit het afvalwater van D wordt gewonnen. Deze materie voldoet niet aan de omschrijving van dierlijke bijproducten in artikel 3 onder 1 van Verordening 1069/2009. De vervoerde materie is immers verkregen uit afvalwater. Ik zie evenmin hoe deze materie kan worden gelijkgesteld met producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten, zoals artikel 3 onder 2 van deze Verordening de zogenaamde afgeleide producten definieert. Dat ligt ook besloten in de overwegingen van het hof, waarin het hof verwijst naar het ontstaan van het zuiveringsslib. Uit de overwegingen van het hof wordt duidelijk dat het hof ook Verordening 1069/2009 in ogenschouw heeft genomen en daarbij tot de conclusie is gekomen dat deze Verordening niet van toepassing is op het zuiveringsslib omdat die materie niet onder de omschrijvingen van dierlijke bijproducten of afgeleide producten van deze Verordening is te begrijpen. Centrifuge- of separatorslib ontstaat bij het standaardiseren van melkproducten teneinde het vetgehalte van melk op een bepaalde waarde te krijgen. Dat is dus wél een resultaat van een behandeling van een product van dierlijke oorsprong. Het genereren van afvalwater kan bezwaarlijk daarmee worden gelijkgesteld, zelfs al zou dat afvalwater ook organische materie bevatten.

Het hof heeft dus niet aan de hand van de criteria van de Kaderrichtlijn afvalstoffen vastgesteld dat er geen sprake is van dierlijke bijproducten, maar de vervoerde materie wel degelijk langs de meetlat van Verordening 1069/2009 gehouden. Het heeft niet de criteria van de Kaderrichtlijn afvalstoffen gebruikt om aan deze materie de hoedanigheid van dierlijke bijproducten te ontzeggen, maar om vast te stellen dat wat geen dierlijk bijproduct bleek te zijn wel voldeed aan de omschrijving van afvalstoffen. Dat het hof, zoals de steller van het middel beweert, niet getoetst heeft aan de criteria van Verordening 1069/2009 geeft blijk van een onjuiste lezing van de overwegingen in het arrest. Wellicht is de steller van het middel op het onjuiste spoor gezet door de volgorde waarin het hof de toetsing heeft voltrokken. Het hof heeft eerst de afvalstoffenwetgeving in zijn beschouwingen betrokken en daarna de wetgeving inzake de dierlijke bijproducten. Maar dat neemt niet weg dat het hof heeft geconstateerd dat de vervoerde materie niet voldoet aan de omschrijving die in Verordening 1069/2009 van dierlijke bijproducten worden gegeven. Artikel 10 onder f en g van deze Verordening zijn irrelevant omdat de vervoerde materie naar de vaststelling van het hof nu eenmaal geen dierlijke bijproduct of een daarvan afgeleid product was.

En § 57 van de considerans voor Verordening 1019/2009 biedt mijns inziens ook al geen steun aan het uitgangspunt van de steller van het middel. Daarin is immers het volgende opgetekend:

"Met het oog op de samenhang van de communautaire wetgeving moet het verband tussen de voorschriften van deze verordening en de communautaire afvalstoffenwetgeving worden verduidelijkt. Met name moet worden gezorgd voor samenhang met het verbod op de uitvoer van afvalstoffen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (4). Om eventuele negatieve milieueffecten te voorkomen, moet de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd zijn om te worden verbrand of gestort, worden verboden. De uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten moet ook worden voorkomen, als de bedoeling is dat zij worden gebruikt in een biogas- of composteerinstallatie in derde landen die geen lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn, om eventuele negatieve milieueffecten en risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid te voorkomen. Bij de toepassing van de afwijkingen van het uitvoerverbod moet de Commissie in haar beschikkingen ten volle rekening houden met het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, namens de Gemeenschap gesloten bij Besluit 93/98/EEG van de Raad (5), en de wijzigingen daarvan die zijn vastgesteld in Besluit III/1 van de Conferentie der partijen, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij Besluit 97/640/EG (6) van de Raad en ten uitvoer gelegd door Verordening (EG) nr. 1013/2006.

(4) PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1. (AM: de zgn. EVOA.)

(5) PB L 39 van 16.2.1993, blz. 1.

(6) PB L 272 van 4.10.1997, blz. 45."

De steller van het middel ziet er in zijn verwijzing naar deze § 57 aan voorbij dat het begrip 'uitvoer' niet ziet op enig intracommunautair vervoer maar op verplaatsing vanuit de Gemeenschap naar een derde land.7 Nu het in de onderhavige zaak gaat om vervoer van Nederland naar Duitsland zijn aan § 57 van de considerans geen argumenten te ontlenen voor de beoordeling van zulk vervoer.

De conclusies die de steller van het middel trekt uit de overwegingen 40 en 44 van de considerans voor Verordening 1069/2009 zien over het hoofd dat die overwegingen betrekking hebben op dierlijke bijproducten en afgeleide producten, als hoedanig de vervoerde materie volgens het hof nou eenmaal niet was te kwalificeren.

5.5. Subsidiair ga ik ervan uit dat de vervoerde materie inderdaad dierlijke bijproducten zijn van categorie 3. De substantie die door het bedrijf van verdachte werd vervoerd naar Duitsland was bestemd voor gebruik in biogasinstallaties. Artikel 2 lid 2 onder b van de Kaderrichtlijn afvalstoffen sluit zulke dierlijke bijproducten inclusief verwerkte producten uitdrukkelijk niet uit van het toepassingsgebied van de Kaderrichtlijn. Áls het materiaal dat het bedrijf van verdachte naar Duitsland overbracht al bestond uit dierlijke bijproducten van categorie 3 volgens Verordening 1774/2002, dan gelden voor deze overbrenging niet de kennisgevingseisen van deze Verordening. De artikelen 10 tot en met 18 van Verordening 1774/2002 vullen de voorwaarden in waaraan voldaan moet zijn willen verschillende soorten bedrijven door de bevoegde autoriteiten worden erkend. Maar deze artikelen hebben geen betrekking op de overbrenging van de ene lidstaat naar de andere. Dat betekent dat het derde lid van artikel 1 EVOA in ieder geval categorie 3-materiaal wel onder EVOA doet vallen. Verordening 1069/2009 heeft de verhouding tot de Kaderrichtlijn afvalstoffen en tot de EVOA niet gewijzigd. Aangenomen dat het materiaal dat het bedrijf van verdachte vervoerde inderdaad bestond uit dierlijke bijproducten en wel uit categorie 3-materiaal volgens de classificatie van Verordening 1069/2009, dan golden de eisen van de EVOA onverkort nog steeds voor het vervoer van de ene lidstaat naar de andere. Dat dit categorie 3-materiaal geen noemenswaardige risico's voor de gezondheid van mens en dier meebrengt wil nog niet zeggen dat het vervoer en de toepassing of verwijdering daarvan geen implicaties heeft voor het milieu. Vandaar dat deze dierlijke bijproducten wel degelijk onder de Europese milieuwetgeving vallen, al was het maar omdat de ene lidstaat de capaciteit van de andere lidstaat om zulk categorie 3-materiaal te ontvangen en te verwerken en de invloed van die overbrenging op de mogelijkheid tot verdringing van de binnenlandse productie van zulk materiaal in de ontvangende lidstaat niet behoorlijk kan overzien.

Het zou ook ongerijmd zijn om toe te staan dat dierlijke bijproducten waarvan de producenten zich willen ontdoen en die geen of nagenoeg geen risico's opleveren voor de gezondheid van mens en dier, zonder enige beperking van de ene lidstaat naar de andere mogen worden overgebracht, terwijl vergelijkbare andere producten waarvan de producent zich wil ontdoen daarom als afvalstof worden aangemerkt en wel onder het regime van de EVOA terechtkomen. Zo een verschil tussen deze andere afvalstoffen en dierlijke bijproducten/afvalstoffen is niet te verdedigen. De wens om het beschermingsniveau dat de verschillende Europese instrumenten bieden niet uiteen te laten lopen spreekt mijns inziens ook uit artikel 60 van Verordening 1013/2006 (EVOA), waarin het volgende is opgenomen:

"1. De Commissie voltooit uiterlijk op 15 juli 2006 haar evaluatie van de samenhang tussen de bestaande sectorale wetgeving inzake de gezondheid van dieren en de volksgezondheid, met inbegrip van de regeling van afvalstoffenoverbrengingen die vallen onder Verordening (EG) nr. 1774/2002, en de bepalingen van deze verordening. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen teneinde een gelijkwaardig niveau van procedures en controleregelingen voor de overbrenging van dergelijke afvalstoffen te bewerkstelligen."

Ik onderschrijf dus de uitkomst waartoe het hof is gekomen.

Het middel faalt.

6.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het gaat om een afvalstof en dat het water wordt behandeld met ijzer(III)chloride en een flocculant, zonder in te gaan op het verweer dat niet is vastgesteld waar de mix uit bestaat en welke stoffen uit het productieproces in die mix zijn terecht gekomen. Het productieproces is niet helder geworden en de vervoerde materie is niet onderzocht of bemonsterd.

6.2. Het hof heeft zich voor de beschrijving van de behandeling van het afvalwater gebaseerd op de beschrijving van die behandeling in bewijsmiddel 3. De steller van het middel ziet eraan voorbij dat het hof heeft kunnen oordelen dat de materie die is vervoerd geen product is van dieren en niet het resultaat is van een behandeling van een product van dierlijke oorsprong, maar een substantie is die is verkregen door een bepaalde behandeling van afvalwater. De vraag die dan rijst is of die materie een afvalstof oplevert en daarvoor is de precieze samenstelling niet van belang, maar enkel het door het hof vastgestelde feit dat D zich daarvan wilde ontdoen.

Het middel faalt.

7. Beide voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8.Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Ondervragingsrecht getuigen: vergeetachtige getuige is niet zonder meer beperkt getoetste getuige, geen compensatie vereist

Hoge Raad 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679

Middel

Het middel bevat twee klachten over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen betrokkene 2 (feit 2), betrokkene 3 (feit 2 en feit 3) en betrokkene 4 (feit 3).

Geklaagd wordt in de eerste plaats dat het hof onvoldoende gemotiveerd een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van deze getuigen heeft verworpen.

Daarnaast wordt er over geklaagd dat het hof deze verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt, zonder dat de omstandigheid dat de verdediging ten aanzien van deze getuigen het ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen is gecompenseerd.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat de verdediging niet, althans onvoldoende in gelegenheid is geweest om betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 4 als getuige te ondervragen berust het in de kern op de opvatting dat slechts dan van "an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness" sprake is, indien alle door of namens de verdediging gestelde vragen zijn beantwoord door de getuige. Die opvatting is niet juist.

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de enkele omstandigheid "dat de herinneringen van de bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen aan de voorvallen zijn vervaagd", niet eraan afdoet dat de getuigen betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 4 in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord en dat de verdediging daarbij een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gekregen om vragen te stellen.

Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De in de toelichting op het middel voorts vervatte klacht dat aan de verdachte niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor de beperking van de mogelijkheid tot ondervraging van de genoemde getuigen, treft geen doel.

In zoverre faalt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Civiel- en strafrechtelijk derdenbeslag op banktegoed

Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:628 De Rechtbank heeft de klaagschriften van de klagers bij beschikking van 19 februari 2015 ongegrond verklaard.

De middelen behelzen gezamenlijk de klacht dat de Rechtbank de klaagschriften van de klagers, strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het conservatoir beslag op een bankrekening op naam van betrokkene, op onjuiste, dan wel onbegrijpelijke gronden ongegrond heeft verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 tot en met 3.7 zijn de middelen terecht voorgesteld.

Conclusie AG

3.4. De Rechtbank heeft blijkens haar motivering vastgesteld dat dit strafvorderlijk beslag nog steeds rust op het banktegoed. Met de steller van de middelen ben ik van oordeel dat de Rechtbank daarom aan de hand van de daarvoor - in casu die voor art. 94a Sv - toe te passen toetsingsmaatstaven had dienen te beoordelen of het strafvorderlijk beslag al dan niet gehandhaafd moet blijven en de klaagschriften dus wel of niet gegrond zijn.

3.5. Het is mij niet duidelijk wat de Rechtbank bedoelt met haar oordeel dat de klagers geen materieel belang hebben bij een opheffing van het strafrechtelijk conservatoir derdenbeslag op het banktegoed, nu daarop ook een civielrechtelijk beslag ligt dat de strafrechter niet bevoegd is op te heffen.

Indien de Rechtbank bedoelt dat zij, gelet op dit civielrechtelijk beslag, wel de opheffing van het strafrechtelijk conservatoir derdenbeslag op het banktegoed zou kunnen gelasten maar toch geen last tot teruggave/vrijgave daarvan zou kunnen geven, heeft zij miskend dat art. 552a, zevende lid, Sv bepaalt dat als de rechtbank het beklag gegrond acht, zij de daarmee overeenkomende last moet geven en niet mag volstaan met enkel opheffing van het beslag.

3.6. Ik merk op dat de wet zelf erin voorziet dat een civielrechtelijk beslag gelegd op een voorwerp niet wordt ondermijnd door de beslissing van de strafrechter tot opheffing van een strafvorderlijk beslag gelegd op dat voorwerp en een last tot teruggave daarvan aan de beslagene. Art. 119, vierde lid, Sv bepaalt immers dat de bewaarder - en als zodanig geldt degene onder wie het strafvorderlijk derdenbeslag is gelegd  - het voorwerp niet terug zal geven zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge Boek II, titels 2, 3 en 4, en Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt.

Geeft de rechtbank een last tot teruggave aan de beslagene, dan is deze ingevolge art. 119, eerste lid, Sv tot de bewaarder gericht. Het vierde lid van art. 119 Sv bevat een aanwijzing aan de bewaarder omtrent hetgeen hij moet doen in geval van een beslag als bedoeld in dit artikel op het terug te geven voorwerp.

Tenzij de Rechtbank in geval van gegrondbevinding van de klaagschriften van de klagers uitdrukkelijk anders heeft bepaald, zal een door haar gegeven last tot teruggave/vrijgave van het banktegoed aan betrokkene door de Rabobank, die als derden-beslagene als bewaarder in de zin van art. 119 Sv optreedt, met inachtneming van het vierde lid van dit artikel moeten worden geëffectueerd.

3.7. Heeft de Rechtbank niet bedoeld zij geen last tot teruggave kan geven, maar tot uitdrukking willen brengen dat de klagers in feite geen baat zullen hebben bij een door haar gegeven last tot teruggave omdat het civielrechtelijk beslag daaraan in de weg staat, dan ziet zij eraan voorbij dat aan het geven van een last tot teruggave niet in de weg staat dat aan die last niet kan worden voldaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^