Ondervragingsrecht getuigen: vergeetachtige getuige is niet zonder meer beperkt getoetste getuige, geen compensatie vereist

Hoge Raad 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679

Middel

Het middel bevat twee klachten over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen betrokkene 2 (feit 2), betrokkene 3 (feit 2 en feit 3) en betrokkene 4 (feit 3).

Geklaagd wordt in de eerste plaats dat het hof onvoldoende gemotiveerd een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van deze getuigen heeft verworpen.

Daarnaast wordt er over geklaagd dat het hof deze verklaringen voor het bewijs heeft gebruikt, zonder dat de omstandigheid dat de verdediging ten aanzien van deze getuigen het ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen is gecompenseerd.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat de verdediging niet, althans onvoldoende in gelegenheid is geweest om betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 4 als getuige te ondervragen berust het in de kern op de opvatting dat slechts dan van "an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness" sprake is, indien alle door of namens de verdediging gestelde vragen zijn beantwoord door de getuige. Die opvatting is niet juist.

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de enkele omstandigheid "dat de herinneringen van de bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen aan de voorvallen zijn vervaagd", niet eraan afdoet dat de getuigen betrokkene 2, betrokkene 3 en betrokkene 4 in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord en dat de verdediging daarbij een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gekregen om vragen te stellen.

Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. De in de toelichting op het middel voorts vervatte klacht dat aan de verdachte niet een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor de beperking van de mogelijkheid tot ondervraging van de genoemde getuigen, treft geen doel.

In zoverre faalt het middel.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Civiel- en strafrechtelijk derdenbeslag op banktegoed

Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:628 De Rechtbank heeft de klaagschriften van de klagers bij beschikking van 19 februari 2015 ongegrond verklaard.

De middelen behelzen gezamenlijk de klacht dat de Rechtbank de klaagschriften van de klagers, strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het conservatoir beslag op een bankrekening op naam van betrokkene, op onjuiste, dan wel onbegrijpelijke gronden ongegrond heeft verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 tot en met 3.7 zijn de middelen terecht voorgesteld.

Conclusie AG

3.4. De Rechtbank heeft blijkens haar motivering vastgesteld dat dit strafvorderlijk beslag nog steeds rust op het banktegoed. Met de steller van de middelen ben ik van oordeel dat de Rechtbank daarom aan de hand van de daarvoor - in casu die voor art. 94a Sv - toe te passen toetsingsmaatstaven had dienen te beoordelen of het strafvorderlijk beslag al dan niet gehandhaafd moet blijven en de klaagschriften dus wel of niet gegrond zijn.

3.5. Het is mij niet duidelijk wat de Rechtbank bedoelt met haar oordeel dat de klagers geen materieel belang hebben bij een opheffing van het strafrechtelijk conservatoir derdenbeslag op het banktegoed, nu daarop ook een civielrechtelijk beslag ligt dat de strafrechter niet bevoegd is op te heffen.

Indien de Rechtbank bedoelt dat zij, gelet op dit civielrechtelijk beslag, wel de opheffing van het strafrechtelijk conservatoir derdenbeslag op het banktegoed zou kunnen gelasten maar toch geen last tot teruggave/vrijgave daarvan zou kunnen geven, heeft zij miskend dat art. 552a, zevende lid, Sv bepaalt dat als de rechtbank het beklag gegrond acht, zij de daarmee overeenkomende last moet geven en niet mag volstaan met enkel opheffing van het beslag.

3.6. Ik merk op dat de wet zelf erin voorziet dat een civielrechtelijk beslag gelegd op een voorwerp niet wordt ondermijnd door de beslissing van de strafrechter tot opheffing van een strafvorderlijk beslag gelegd op dat voorwerp en een last tot teruggave daarvan aan de beslagene. Art. 119, vierde lid, Sv bepaalt immers dat de bewaarder - en als zodanig geldt degene onder wie het strafvorderlijk derdenbeslag is gelegd  - het voorwerp niet terug zal geven zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge Boek II, titels 2, 3 en 4, en Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt.

Geeft de rechtbank een last tot teruggave aan de beslagene, dan is deze ingevolge art. 119, eerste lid, Sv tot de bewaarder gericht. Het vierde lid van art. 119 Sv bevat een aanwijzing aan de bewaarder omtrent hetgeen hij moet doen in geval van een beslag als bedoeld in dit artikel op het terug te geven voorwerp.

Tenzij de Rechtbank in geval van gegrondbevinding van de klaagschriften van de klagers uitdrukkelijk anders heeft bepaald, zal een door haar gegeven last tot teruggave/vrijgave van het banktegoed aan betrokkene door de Rabobank, die als derden-beslagene als bewaarder in de zin van art. 119 Sv optreedt, met inachtneming van het vierde lid van dit artikel moeten worden geëffectueerd.

3.7. Heeft de Rechtbank niet bedoeld zij geen last tot teruggave kan geven, maar tot uitdrukking willen brengen dat de klagers in feite geen baat zullen hebben bij een door haar gegeven last tot teruggave omdat het civielrechtelijk beslag daaraan in de weg staat, dan ziet zij eraan voorbij dat aan het geven van een last tot teruggave niet in de weg staat dat aan die last niet kan worden voldaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Rb mocht niet volstaan met de enkele vaststelling dat het beslag i.h.k.v. art. 94a Sv is gelegd, maar had ervan blijk moeten geven onderzoek te hebben gedaan naar de juridische grondslag van het beslag en haar oordeel dienaangaande nader dienen te motiveren

Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:630 De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 16 maart 2015 het namens de klager ingediende beklag ex art. 552a Sv gegrond verklaard en daarbij de teruggave aan hem gelast van een personenauto, merk Mercedes Benz. De klager is een derde. Uit binnengekomen CIE informatie is gebleken dat de zoon van de klager (betrokkene), die woonachtig is in Duitsland, aan zijn twee dochters ieder een Mercedes had gegeven, terwijl bij de belastingdienst in Nederland geen inkomens- en/of vermogensgegevens van hem bekend waren. De personenauto’s zijn zeer kort na de aanschaf door klagers zoon op naam gesteld van klager. De personenauto waar het in deze zaak om gaat (Mercedes Benz) is op 10 november 2014 onder klagers zoon inbeslaggenomen. De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager alsmede tegen diens zoon wegens - kort gezegd - witwassen. Op 9 maart 2015 is namens de klager - als derde belanghebbende - een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen auto.

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:

“(…)

Tevens is verschenen ter zitting als belanghebbende [betrokkene] (geboren [geboortedatum] 1971).

(…)

Belanghebbende:

Deze auto is van [klager] (1930) en wordt gebruikt door mijn dochter omdat zij belast is met de mantelzorg van [klager] (1930).

(…)

Raadsman:

Jegens mijn cliënt is er geen enkele verdenking ter zake witwassen. Het is aan het openbaar ministerie om aan te geven waarop deze verdenking gebaseerd is. Aan de auto hoeft niets te worden onderzocht. Het openbaar ministerie heeft geen enkele reden om het beslag te laten voortduren. Het openbaar ministerie had conservatoir beslag moeten leggen op deze auto. Financieel gezien is er geen noodzaak voor een onderzoek aan de auto. Ik ben dan ook van mening dat de auto aan cliënt dient te worden teruggegeven.

Officier van justitie:

Ik ben van mening dat het beslag gehandhaafd dient te blijven, gelet op de vermogenspositie van klager (geen beschikking over legale bronnen van geld) en het feit dat de auto direct na aankoop door [betrokkene] (1971) op naam van klager werd gezet. Het betreft in deze een auto waarvan de herkomst wordt verhuld en het is nog steeds onduidelijk waarom de auto op naam van klager werd gezet. Ik acht het derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, deze inbeslaggenomen personenauto verbeurd zal verklaren en verzoek om het klaagschrift ongegrond te verklaren.

Raadsman:

Mijn cliënt heeft zijn hele leven gespaard en telkens auto’s gekocht met inruil. De kleindochter van cliënt rijdt in deze auto omdat zij belast is met de mantelzorg van klager. Mijn cliënt heeft nooit iets verkeerds gedaan en een legale herkomst van de auto is niet uitgesloten.”

De Rechtbank heeft de gegrondverklaring van het beklag als volgt gemotiveerd:

“De beoordeling

(…)

De rechter is van oordeel dat er in deze sprake is van onrechtmatig gelegd beslag op voornoemde personenauto, nu dit beslag op 3 november 2014 [ik begrijp: 10 november 2014; AEH] in het kader van 94a van het Wetboek van Strafvordering door de politie Oost-Brabant werd gelegd en niet door de daartoe bevoegde personen (officier van justitie krachtens schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris (art. 103 lid 1 Sv) of in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek (art. 126b lid 1 Sv) de rechter-commissaris). Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren als na te melden en, nu klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, de teruggave gelasten van voornoemde personenauto aan klager."

Middel

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de gegrondverklaring van het beklag. Daartoe wordt aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat sprake is van een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.5.1 tot en met 4.5.5 is het middel terecht voorgesteld.

Conclusie AG  

4.5.1. De Rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een conservatoir beslag ex art. 94a Sv (en vervolgens bepaald dat die inbeslagneming onrechtmatig is geschied). Het middel keert zich tegen deze vaststelling.

4.5.2. Kennelijk heeft de Rechtbank haar oordeel gebaseerd op het stuk ‘Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94a Sv)’ van 11 november 2014. Alleen in dit stuk heb ik een aanwijzing aangetroffen dat het om beslag in de zin van art. 94a Sv zou gaan. In bedoelde kennisgeving staat vermeld dat het gaat om conservatoire inbeslagneming, maar als grondslag voor het beslag is vermeld: ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen’. Dit is opmerkelijk aangezien dit één van de beslaggronden ex art. 94 Sv betreft.

4.5.3. Uit andere stukken van het geding blijkt het volgende. In het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2015 opgemaakt door de politie is af te leiden dat op 3 november 2014 de personenauto Mercedes Benz op grond van art. 94 Sv in beslag is genomen onder klagers zoon. In het kader van hetzelfde strafrechtelijk onderzoek is op 10 november 2014 onder klagers zoon de onderhavige Mercedes Benz, die zich ten tijde van de doorzoeking op 3 november 2014 in Duitsland bij een garagebedrijf bevond, in beslag genomen. De conclusie OM, getiteld: ‘Beklag over inbeslagneming (art. 552a Sv) c.q. beklag teruggave of bewaring t.b.v. rechthebbende (art. 116, lid 3 Sv)’, opgemaakt op 12 maart 2015 door G.H.M. Broeren, senior parketsecretaris, vermeldt duidelijk dat het hier beslag ex. art. 94 Sv betreft. De officier van justitie heeft aangegeven met verwijzing naar art. 94 Sv dat bezwaar tegen teruggave bestaat in verband met de waarheidsvinding, het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en de eventuele verbeurdverklaring/onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed.

4.5.4. Aan het vorenstaande kunnen sterke aanwijzingen worden ontleend dat het hier (eerder) art. 94 Sv beslag betreft. De vermelding van art. 94a Sv in de kennisgeving van inbeslagneming duidt mogelijk op een kennelijke verschrijving. Ook bij de behandeling in raadkamer komt naar voren dat de officier van justitie, gelet op zijn betoog, er van uitgaat dat het beslag is gebaseerd op art. 94 Sv. Mede naar aanleiding van het betoog van de officier van justitie lijkt ook de raadsman van de klager daarvan uit te zijn gegaan, nu de raadsman heeft aangevoerd dat er geen noodzaak is voor een onderzoek aan de auto (m.b.t. de waarheidsvinding). Voorts heeft de raadsman nog aangevoerd dat hij geen reden ziet om het beslag te laten voortduren; dan had het openbaar ministerie maar conservatoir beslag moeten leggen op de auto.

4.5.5. Gelet op de stukken van het geding en in het licht van hetgeen is aangevoerd door de partijen had de Rechtbank mijns inziens niet kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat het onderhavige beslag in het kader van 94a Sv is gelegd, maar had zij ervan blijk moeten geven onderzoek te hebben gedaan naar de juridische grondslag van het beslag en haar oordeel dienaangaande nader dienen te motiveren. Het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van conservatoir beslag ex art. 94a Sv is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu de Rechtbank niet ervan blijk heeft gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom geen sprake is van art. 94 Sv beslag. De beslissing van de Rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd.

4.6. Het middel klaagt daarover terecht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming & rechtsgevolg overschrijding redelijke termijn

Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:577 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 november 2014 de betrokkene ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 261.763,13.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Redelijke termijn:

De raadsman heeft verzocht de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren door de betalingsverplichting op een lager bedrag vast te stellen dan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid, dat in deze zaak in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met de betekening van de vordering het machtiging SFO op 9 februari 2010 - welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak - en afgerond met een eindbeslissing op 23 april 2012. De zaak is vervolgens in hoger beroep niet afgerond met een eindbeslissing binnen twee jaar na de instelling van het rechtsmiddel op 2 mei 2012, doch eerst op 4 november 2014. Het hof stelt vast, dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met bijna 3 maanden en in hoger beroep met 6 maanden.

Het hof zal volstaan met louter de constatering van deze overschrijding en overweegt daartoe toe als volgt.

Het hof gaat ervan uit dat ten gevolge van de overschrijding immateriële schade is ontstaan. Het hof ziet in dat licht bezien aanleiding, gelet op het uniforme aspect van behandeling van soortgelijke kwesties op andere rechtsgebieden (bestuursrecht en civiel recht), ook in het ontnemingsrecht als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade het (standaard) bedrag te hanteren van € 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel.

In totaal is een termijn verstreken van 4 jaren en 9 negen maanden, waarvan te doen gebruikelijk als redelijk is aan te merken een periode van 4 jaren. Een vergoeding van immateriële schade van € 750,00 komt het hof daarom als redelijk voor.

Op dit aldus vastgestelde bedrag dient - naar het oordeel van het hof - in mindering te worden gebracht het materiële voordeel dat door de veroordeelde is verkregen doordat hij de beschikking heeft gehad over het door het hof geschatte wederrechtelijk verkregen vermogen van afgerond € 261.763,13. Vanaf minst genomen de oplegging van de betalingsverplichting in eerste aanleg op 23 april 2012 tot de dag van de feitelijke betaling, die gemakshalve in deze procedure wordt vastgesteld op de datum van arrestwijzing van 4 november 2014, heeft de veroordeelde aldus gedurende die periode van 2 jaren en ruim 6 maanden rente kunnen (doen) genereren, dan wel rente kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen).

Het hof hanteert schattenderwijs als redelijke maatstaf voor de vergoeding van rente een percentage van 2% per jaar, hetgeen bezien over de gehele periode (van 2 jaren en 6 maanden x 2% x € 261.763,13) neerkomt op een totaalbedrag - naar beneden afgerond en afgezien van rente over rente - van € 13.088,00, welk bedrag op zich niet voor ontneming in aanmerking kan komen vanwege het ontbreken van een (daartoe vereist) aanvullend financieel rapport. Dit neemt echter niet weg, dat minst genomen de rente over de gelden waarop beslag rust aan de veroordeelde ten goede zal komen en in mindering kan worden gebracht op de betalingsverplichting.

Het hof komt - alles overziend - tot een bedrag aan vergoeding van (immateriële) schade van € 750,00, minus het materiële voordeel, geschat op € 13.088,00.

Nu het laatstgenoemde bedrag het bedrag van de (immateriële) vergoeding aanzienlijk overtreft, zal het hof (mede) in het belang van de veroordeelde thans volstaan met louter de constatering dat de termijn is overschreden, welke uitkomst overigens ook strookt met het rechtskarakter van de ontnemingsmaatregel."

Middel

De middelen klagen over het oordeel van het Hof dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Beoordeling Hoge Raad

Door bij de berekening van het te verminderen bedrag in aanmerking te nemen het voordeel aan rente dat de betrokkene, doordat hij de beschikking had over het geschatte wederrechtelijk verkregen vermogen, heeft kunnen (doen) genereren, dan wel dat hij heeft kunnen besparen, geeft het oordeel van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De middelen zijn terecht voorgesteld. (Vgl. HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:296, NJ 2014/135.)

De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 261.763,13. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting, overeenkomstig het in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 weergegeven uitgangspunt dat de vermindering van de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken in beginsel niet meer bedraagt dan € 5.000,–, verminderen met € 5.000,–. Aantekening verdient dat de opvatting van het Hof, dat als maatstaf "voor de vergoeding van immateriële schade" ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van "€ 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel", niet als juist kan worden aanvaard.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 256.763,13 bedraagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Handvatten voor afbakening medeplegen en medeplichtigheid

De Hoge Raad heeft in de afgelopen anderhalf jaar een aantal arresten gewezen waaruit blijkt dat de Hoge Raad een strakkere grenslijn trekt tussen medeplegen aan de ene kant en medeplichtigheid aan de andere kant (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713/716/718).

Daarmee heeft de Hoge Raad tevens de reikwijdte van de strafbaarstelling van medeplegen ingeperkt. De Hoge Raad overweegt in deze arresten dat het in de praktijk een belangrijke en moeilijke vraag is wanneer de samenwerking tussen de daders zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. De regelmaat waarin in cassatie over deze problematiek bij de Hoge Raad wordt geklaagd, bevestigt deze constatering.

Naar aanleiding daarvan hebben de advocaten-generaal Hofstee en Spronken zeven cassatiezaken geselecteerd en daarin simultaan op 5 april 2016 een conclusie genomen. Deze conclusies bevatten alle een gelijkluidende door hen gezamenlijk geschreven voorafgaande beschouwing.  Hierin brengen Hofstee en Spronken aan de hand van recente arresten van de Hoge Raad gewezen na 2 december 2014  mogelijke onduidelijkheden omtrent medeplegen in samenhang met medeplichtigheid in kaart. Deze analyse wordt afgesloten met  een hopelijk voor de rechtspraktijk bruikbaar beslisschema, dat vervolgens op de zeven zaken bij de bespreking van de klachten wordt toegepast.

Lees hier de volledige conclusies:

 

 

Print Friendly and PDF ^