Ontneming & Hoofdelijke betalingsverplichting: HR herhaalt overwegingen.

Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:469 Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 25 juni 2014 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 34.328,02 en aan de betrokkene de hoofdelijke verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De bestreden uitspraak houdt als beslissing van het Hof in:

"Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 34.328,02 (vierendertigduizend driehonderdachtentwintig euro en twee cent).

Legt de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 34.328,02 (vierendertigduizend driehonderdachtentwintig euro en twee cent).

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader van veroordeelde hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat."

Het Hof heeft omtrent de op te leggen betalingsverplichting het volgende overwogen:

"De verklaring van de veroordeelde dat hij slechts € 3.000,00 heeft verdiend, komt het hof niet zonder meer aannemelijk voor. De geschatte winst bij de verkoop van een oogst van 438 hennepplanten is meer dan tien keer groter dan dat bedrag. Er zijn geen objectieve aanwijzingen die een zo ongelijkwaardige verdeelsleutel tussen de veroordeelde en zijn mededader bevestigen. In dit geval acht het hof het daarom aangewezen de veroordeelde hoofdelijk de verplichting op te leggen tot betaling van het volledige wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepteelt. Als dit feitelijk tot gevolg heeft dat de veroordeelde voor een groter deel wordt aangeslagen dan hij daadwerkelijk heeft genoten, heeft hij een civielrechtelijke vordering op zijn mededader."

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 36e, zevende lid, Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 36e, zevende lid, Sr voorziet in het opleggen van een individuele verplichting tot betaling van het totale geschatte bedrag aan voordeel dat door twee of meer verenigde personen uit een door hen gepleegd strafbaar feit wederrechtelijk is verkregen. Met de daarin voorziene regeling is niet beoogd af te doen aan het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder dat is kunnen worden vastgesteld dat de 'schuldenaar' dat voordeel heeft verkregen, zal doorgaans in strijd zijn met het uitgangspunt dat slechts voordeel kan worden ontnomen dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Alleen indien het verkregen wederrechtelijk voordeel als 'gemeenschappelijk voordeel' kan worden aangemerkt waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken, tast oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting het karakter van de ontnemingsmaatregel niet aan. Dit 'gemeenschappelijk voordeel' kan dan aan ieder van de mededaders voor het geheel worden toegerekend. Het hangt af van de omstandigheden van het geval wanneer daarvan sprake zal zijn. (Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878, NJ 2015/326.)

Voor het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting is niet vereist dat ook de mededader(s) die uit het strafbaar feit 'gemeenschappelijk voordeel' hebben behaald, voor dat feit veroordeeld zijn. Indien een veroordeling uitblijft en aan die mededader(s) niet een betalingsverplichting als in art. 36e, zevende lid, Sr bedoeld wordt opgelegd, zal dat evenwel ten gevolge hebben dat de betrokkene aan wie de hoofdelijke betalingsverplichting is opgelegd, zijn uit de hoofdelijke verbondenheid voortvloeiend regresrecht niet zal kunnen uitoefenen. (Vgl. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1781, NJ 215/327.)

Voor zover het middel klaagt dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 36e, zevende lid, Sr aangezien de mededader van de betrokkene niet is veroordeeld ter zake van het feit waaruit het wederrechtelijk voordeel is verkregen, faalt het gelet op hetgeen is overwogen.

Het Hof heeft de oplegging aan de betrokkene van een hoofdelijke betalingsverplichting voor het volledige wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepteelt gebaseerd op zijn oordeel dat de door de betrokkene beweerde verdeling van de winst tussen hem en zijn mededader niet wordt bevestigd door objectieve aanwijzingen. Daaruit volgt evenwel niet zonder meer dat het volledige wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt waarover zowel de betrokkene als zijn mededader kan beschikken of heeft kunnen beschikken. Het Hof heeft de oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting op de betrokkene daarom ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Voorwaardelijk verzoek tot horen getuige. HR: in overwegingen hof ligt afwijzing besloten,en is niet onbegrijpelijk.

Hoge Raad 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:409 Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren ter zake van poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 16 juni 2012 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (kampeer)auto (Fiat Challenger) weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn, verdachtes, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die auto te verschaffen door middel van braak, opzettelijk zich naar die auto heeft begeven en een slot (van het rechter voorportier) van die auto heeft geforceerd en die auto heeft doorzocht."

Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in:

"Bespreking van verweren De raadsvrouw van de verdachte heeft opgemerkt dat niet blijkt in welke taal de aangever heeft verklaard en vanuit welke taal de verklaring is vertaald naar de Nederlandse taal.

Het hof verwijst naar het aanvullend proces-verbaal omtrent het woonadres van de verdachte. Uit deze e-mail begrijpt het hof dat de communicatie in de Engelse taal heeft plaatsgevonden en dat zowel de aangever als de opsporingsambtenaren deze taal voldoende machtig zijn. Voorts voert de raadsvrouw het volgende aan. De verdachte kan zich niet herinneren dat hij op plaats delict is geweest. De raadsvrouw stelt dat de aanwezigheid van het DNA op de plaats delict onvoldoende is om betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit aan te nemen. Niet kan worden uitgesloten dat het hier om een zwerfspoor kan gaan. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Het DNA van de verdachte is aangetroffen in de binnenzijde van een sigarettenverpakking van het merk 'Camel' en op de buitenzijde (nabij de handgreep) van een plastic tas met de Finse opdruk 'Vikingline'. Deze voorwerpen lagen in de kampeerauto van aangever en behoorden toe aan zijn medereizigers. De verdachte kan of wil geen verklaring geven hoe zijn bloedsporen in de auto aan de binnenzijde van een sigarettenverpakking en op de buitenzijde van een plastic tas terecht zijn gekomen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2012 (doorgenummerde pag. 17 en 18) blijkt dat de twee aangetroffen bloedsporen met elkaar matchen en deze profielen vervolgens matchen met het profiel opgenomen in de DNA-databank onder nummer 21463, op naam van de verdachte. Het betreffen bloedsporen die zijn aangetroffen op twee verschillende goederen, die zich in de kampeerauto bevonden. Tevens blijkt dat er slechts een kort tijdsbestek ligt tussen het deugdelijk afsluiten van de auto (om 14.00 uur) en de terugkomst van de aangever bij de auto (om 16.00 uur). Op grond hiervan wordt de mogelijkheid dat het hier zou kunnen gaan om een zwerfspoor uitgesloten."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van de aangever als getuige.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Feiten en omstandigheden Cliënt is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2013 veroordeeld voor poging tot diefstal, waarbij cliënt zich de toegang zou hebben verschaft tot de plaats van het misdrijf door middel van braak. Als bewijsmiddelen hiervoor wordt door de rechtbank het DNA van verdachte dat is aangetroffen in de verpakking van de sigaretten en op de tas (met Fins opschrift) van aangevers gebruikt. De plaats van het aantreffen van het DNA is volgens de rechtbank zo specifiek dat een zwerfspoor is uitgesloten en acht de politierechter bewezen dat verdachte in de auto is geweest en degene is geweest die de auto heeft opengebroken. Openbreken van de auto Cliënt stelt dat hij niet degene is geweest die de auto heeft opengebroken. Voor het openbreken van de auto door cliënt is ook geen bewijs in het dossier aanwezig. De auto heeft van 14.00 uur tot 16.00 uur geparkeerd gestaan aan de Plantage Parklaan. Er is niet bekend wat er in de twee uur met de kampeerauto is gebeurd en wat het tijdstip van het forceren van de rechterportier was. Er is geen enkele bewijs in het dossier aanwezig dat het cliënt is die het portier heeft geforceerd. Geen bloed is aangetroffen in de nabijheid van het rechterportier. DNA delict gerelateerd Er is bloed gevonden in een sigarettenverpakking en een plastic tas. Het NFI heeft de resultaten van het onderzoek in een grafiek weergegeven (pagina 19, identiteitszegel AAEL97O9 en AAEL971O). Het lijkt te gaan om DNA-profielen die afkomstig zijn van mengprofielen. Mengprofielen duiden op kenmerken in het spoor van meer dan 1 persoon. Slechts van het mengprofiel afkomstige enkelvoudige DNA profiel met nummer AAEL97O9 is door de DNA databank gegaan en heeft geleid tot een match met het in de databank opgenomen DNA van cliënt. Dat beide bloedsporen onderling met elkaar matchen wordt niet onderbouwd door een rapportage afkomstig van het NFI. De verdediging meent dat het bloedspoor op de tas derhalve niet als bewijs kan worden gebruikt nu rapportage ontbreekt. We houden dan het bloed op de sigarettenverpakking over. Volgens de rechtbank is uit de specifieke plaats van het aantreffen van het DNA de conclusie te trekken dat het hier niet gaat om een zwerfspoor. De verdediging kan zich in deze redenering niet vinden. Het is ongewis op welk tijdstip het portier van de auto is geforceerd en op welke wijze de auto is doorzocht. Wel is bekend dat er geen goederen zijn weggenomen. Zijn de daadwerkelijke daders gestoord bij hun werkzaamheden en op de vlucht geslagen? Zijn daarbij goederen zoals een sigarettenverpakking en plastic zak naar buiten gekomen? Uitsluitsel hierover zou mijn cliënt kunnen geven, doch hij herinnert zich het voorval niet. Ook aangever kan uitsluitsel geven over waar de verpakking is gevonden. Uit de verklaring op pagina 2 blijkt dat hij verklaart dat er in de auto bloed is aangetroffen. Waar aangever de plastic tas en de kartonnen doos heeft aangetroffen verklaart hij niet. In het aanvullend proces-verbaal van verhoor (pagina 3A) wordt aan aangever gevraagd wie de eigenaar is van de sigarettenverpakking. Aangever verklaart dat de goederen in de auto lagen, maar verklaart niet of hij deze ook na de forcering van het portier in de auto aantrof. Kortom; volgens de verdediging gaat het hier wel degelijk om een zwerfspoor. Het betreft een verpakking van sigaretten; een verplaatsbaar object. Dat de verpakking voor de inbraak in de auto heeft gelegen wordt door de verdediging niet betwist, doch waar de verpakking precies is aangetroffen na de inbraak is niet duidelijk. Het dossier laat de mogelijkheid open dat de verpakking buiten de auto heeft gelegen. Dit zou het aantreffen van DNA in een heel ander daglicht plaatsen, in die zin, dat het heel goed mogelijk is dat cliënt de verpakking heeft opgeraapt, danwel een ander dan cliënt zijn DNA op de verpakking heeft achtergelaten. In ieder geval is het DNA geen ondersteuning meer voor de betrokkenheid van cliënt bij de poging tot diefstal. Voor de goede orde vraag ik nog uw aandacht voor het feit dat de verklaring van aangever in de Nederlandse taal is opgeschreven. Niet blijkt in welke taal aangever heeft verklaard en op welke wijze zijn verklaring is vertaald in de Nederlandse taal. Aan de precieze vertaling van hetgeen aangever heeft verklaard kan om deze reden worden getwijfeld. Er lijkt geen tolk aanwezig te zijn geweest. Concluderend: Primair meent de verdediging dat de aanwezigheid van het DNA zoals in het dossier gesteld onvoldoende is om betrokkenheid van cliënt bij het tenlastegelegde feit aan te nemen, want er blijkt nergens uit dat bloed in de auto op de doos terecht is gekomen. Heeft de doos buiten gelegen? Wat is de gang geweest van de doos voor en tijdens de poging diefstal? De verdediging meent dan ook dat u cliënt dient vrij te spreken. Mocht uw hof dit verweer passeren en mocht u dus menen dat het DNA van cliënt wel zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde kan aantonen, dan meent de verdediging dat het noodzakelijk is de aangever te horen; meer specifiek over de doos waarin of waarop DNA is aangetroffen. Hoe is de doos verkregen? Waar heeft de doos gestaan? Is het mogelijk de doos te hebben aangeraakt zonder zich noodzakelijkerwijs schuldig te hebben gemaakt aan een diefstal met braak, bijvoorbeeld bij aanschaf? Ook kan aangever opheldering geven over de wijze waarop de aangifte is opgenomen en in welke taal aangever heeft verklaard."

Het verzoek is een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv. Nu de voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan is vervuld, diende het Hof daarop te beslissen. In de overwegingen ligt als beslissing van het Hof besloten dat het verzoek moet worden afgewezen. Dat kennelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

Het gaat om een poging tot diefstal met braak in een kampeerauto op 16 juni 2012, toebehorende aan de - naar uit de stukken van het dossier blijkt: Finse - aangever betrokkene 1.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter onderbouwing van het - voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2014 gedane - voorwaardelijke verzoek alsnog de aangever als getuige te horen, concentreert zich op het punt dat het aangetroffen bloedspoor aan de binnenzijde van de sigarettenverpakking een zogenoemd zwerfspoor zou kunnen zijn. Dat standpunt heeft het Hof - niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd - niet aannemelijk bevonden. Daarvan uitgaande, heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk beantwoording van vragen die de verdediging aan de aangever zou willen stellen over hetgeen mogelijk met die verpakking is gebeurd, niet noodzakelijk geacht voor zijn te nemen beslissingen. Voor zover het verzoek de vraag betreft op welke wijze de aangifte is opgenomen en in welke taal de aangever is gehoord, heeft het Hof vastgesteld dat bij aanvullend proces-verbaal daaromtrent is gerelateerd en dat de communicatie in de Engelse taal heeft plaatsgevonden, zodat het verzoek nadere onderbouwing vergde, die ontbreekt.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG: contrair

Uit het voorgaande blijkt dat een verzoek is gedaan tot het horen van een getuige als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, en dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in over het door de raadsman gedane verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over verdenking en anonieme tip terzake WWM

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:389 Het Gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van 500 euro ter zake van ‘de voortgezette handeling van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd’.Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middelen

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof het dat er sprake was van een redelijk vermoeden zoals bedoeld in art. 49 Wet wapens en munitie (WWM), terwijl het vermoeden enkel is gebaseerd op CIE-informatie die onvoldoende concreet en specifiek was en waarvan over de betrouwbaarheid geen oordeel kon worden gegeven, terwijl er desondanks geen nadere onderzoekshandelingen zijn verricht ter verificatie van de informatie.

Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat aan de verdachte niet tijdig de cautie is gegeven en dat derhalve de verklaring van de verdachte van het bewijs had moeten worden uitgesloten ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

6. Het Hof heefthet volgende vastgesteld en overwogen:

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat het bewijsmateriaal dat is aangetroffen op de woonboot waar de verdachte verbleef en - op aanwijzing van de verdachte - in een auto in een garage, onrechtmatig is verkregen en van het bewijs moet worden uitgesloten.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat:

(i) de onderhavige CIE-melding onvoldoende concrete informatie bevatte, om op grond daarvan zonder nadere verificatie de machtiging tot doorzoeking te kunnen verstrekken, mede omdat de redenen van wetenschap niet zijn vermeld en een oordeel over de betrouwbaarheid niet kon worden gegeven;

(ii) (…);

(iii) (…);

(iv) het in de auto aangetroffen bewijsmateriaal is verkregen als gevolg van het feit dat verzuimd is de verdachte tijdig de cautie te geven.

Het hof stelt op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

Blijkens een proces-verbaal van de CIE van 23 januari 2014 is in de maand januari van 2014 via een informant de volgende informatie binnengekomen: “[verdachte] woont op een woonboot op de [a-straat 1] te Amsterdam. In deze woonboot heeft [verdachte] een vuurwapen liggen. Dit vuurwapen is van [verdachte]”. In dit proces-verbaal is voorts vermeld dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie niet kan worden gegeven en dat uit onderzoek is gebleken dat met [verdachte] wordt bedoeld: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1977 ingeschreven op het adres [c-straat 1] te Almere ingeschreven, doch verblijvende op een woonboot aan de [a-straat 1] te Amsterdam.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 27 januari 2014 is er naar aanleiding van de CIE- informatie op 27 januari 2014 een onderzoek ingesteld naar een woonboot welke vermoedelijk zou zijn gelegen achter perceel [a-straat 1] te Amsterdam. Aan de verbalisanten was door hulpofficier van justitie H.R. Keijzer een machtiging tot binnentreden verstrekt. Daarin is de woning waarop de machtiging betrekking heeft als volgt omschreven: “In de woning gelegen aan het adres [a-straat 1], de woonboot gelegen achter perceel [a-straat 1] te Amsterdam”. De verbalisanten beschikten voorts over informatie dat in de boot de verdachte, een vrouw, een jongetje van ongeveer vijfjaar oud en een tweeling van twee maanden oud woonachtig waren. De verbalisanten hebben in het bijzijn van hulpofficier van justitie H.R. Keijzer aangebeld bij de woonboot aan de [a-straat 2] te Amsterdam, alwaar de deur werd geopend door een oudere man. Op dat moment zien de verbalisanten in de woonboot gelegen naast de woonboot van [a-straat 2] een jonge vrouw met een baby op haar arm. Gelet op de voorinformatie belde verbalisant [verbalisant 1] aan bij [a-straat 3] en deelde aan een,-vrouw, welke later [betrokkene 1] bleek te zijn, mede dat de verbalisanten in verband met een tip op zoek waren naar een vuurwapen dat in de woonboot aanwezig zou zijn. Verbalisant [verbalisant 1] gaf aan te beschikken over een machtiging tot binnentreden en vroeg [betrokkene 1] of met haar toestemming de woonboot mocht worden doorzocht. [betrokkene 1] verklaarde dat ze niets te verbergen had en dat ze naar binnen mochten om de woonboot te doorzoeken.

Tijdens de doorzoeking kreeg verbalisant [verbalisant 1] de verdachte aan de telefoon. De verdachte verklaarde dat er geen vuurwapen in de woonboot aanwezig was. De verdachte verklaarde dat er wel een doos van een vuurwerkpistool op het keukenkastje lag. Die doos met inhoud is gevonden en in beslag genomen. De verdachte deelde tevens telefonisch mee dat het pistool dat bij de blauwe doos hoorde, niet in de woonboot, maar in zijn auto in Amsterdam Noord lag. Vervolgens arriveerde de verdachte in de woonboot. De verdachte verklaarde desgevraagd nogmaals dat het pistool dat bij het blauwe doosje hoorde in zijn auto lag, die in Amsterdam Noord in een garage zou staan. De verdachte verklaarde mee te werken en met de verbalisanten mee te willen gaan naar de garage teneinde het pistool uit te leveren. Vervolgens zijn op aanwijzen van de verdachte door de verbalisanten uit voornoemde auto losse onderdelen van een zilverkleurig vuurwapen gehaald.

In het licht van deze feiten en omstandigheden faalt het verweer in al zijn onderdelen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat

(i) aan de ClE-informatie — bestaande in de anonieme tip, die in zoverre is geverifieerd dat uit onderzoek bleek dat de verdachte (die [verdachte] heet) aan de [a-straat 1] verbleef- een redelijk vermoeden kon worden ontleend in de zin van art. 49 Wet wapens en munitie ten aanzien van de woonboot aan de [a-straat 1] die tot verblijfplaats van de verdachte diende.

Dat door de CIE geen uitspraak kon worden gedaan over de betrouwbaarheid van de informatie en dat de redenen van wetenschap niet blijken, doet hieraan niet af.

(ii) (…).

(iii) (…).

(iv) de verdachte aan de telefoon spontaan heeft verteld over de spullen die in de woonboot en over het pistool dat in zijn auto in Amsterdam Noord lagen. Op aanwijzen van de verdachte zijn door verbalisanten uit deze auto losse onderdelen van een zilverkleurig vuurwapen gehaald. Nu door de verdachte spontaan is verklaard over de later aangetroffen goederen, is het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, niet van toepassing.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het op de woonboot en in de auto aangetroffen bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen en voor het bewijs kan worden gebezigd. (…)”

7. Vooropgesteld moet worden dat anoniem aan de politie verstrekte informatie aanleiding kan zijn voor een redelijk vermoeden van overtreding van de WWM. Reijntjes heeft er in zijn noot bij de nader te vermelden rechtspraak uit 2013 op gewezen dat drie vragen relevant kunnen zijn voor de vraag of op basis van dergelijke informatie mag worden opgetreden: 1. Is de informatie voldoende concreet en specifiek?; 2. Bevat de informatie een oordeel over de betrouwbaarheid? ; 3. Is de informatie geverifieerd? Het accent ligt in de rechtspraak van de Hoge Raad op de eerste vraag.

8. Over de tweede en derde vraag verschaft het arrest van het Hof expliciet duidelijkheid. In de onderhavige zaak bevatte het proces-verbaal waarin de CIE-informatie was opgenomen de mededeling dat de betrouwbaarheid van de anoniem verschafte informatie niet kon worden vastgesteld. Dat betekent volgens de Hoge Raad niet zonder meer dat dergelijke informatie onbruikbaar is. Ook het ontbreken van verificatie behoeft nog niet aan het gebruik daarvan in de weg te staan. Anders dan de steller van het middel meent, heeft echter in de onderhavige zaak enige verificatie door de politie plaatsgevonden. Immers de voornaam uit de informatie komt, zoals het Hof heeft overwogen, overeen met de voornaam die uit adresverificatie blijkt. Ik voeg daaraan toe dat er ook nog voorinformatie over de bewoners van de (doorzochte) woonboot was die (hoewel kennelijk bij toeval) in zekere mate werd bevestigd voorafgaande aan de daadwerkelijke doorzoeking.

9. Het Hof heeft niet uitdrukkelijk overwogen dat de CIE informatie voldoende concreet en specifiek was. In het oordeel van het Hof ligt dit mijns inziens echter wel besloten temeer nu het informatie betrof die op een onderdeel is geverifieerd. In zoverre is het oordeel van het Hof dat het bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen niet onjuist dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat aan de verdachte niet tijdig de cautie is gegeven en dat derhalve de verklaring van de verdachte van het bewijs had moeten worden uitgesloten ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

12. Ingevolge art. 29 Sv dient de verhorende ambtenaar vóór aanvang van het verhoor aan de verdachte mede te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Voor de bepaling van de aanvang van het verhoor zijn de feitelijke omstandigheden van doorslaggevende betekenis. De Hoge Raad omschrijft een verhoor in de zin van art. 29 Sr als ‘alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit’. Van een verhoor is echter geen sprake indien de verdachte geheel op eigen initiatief en zonder dat hem dienaangaande een vraag is gesteld ten overstaan van een niet met het onderzoek belaste politieman een bekentenis aflegt.

13. Uit het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van bevindingen, opgenomen onder 4, volgt dat nadat de verbalisanten de woning van de verdachte binnenkwamen, de partner van de verdachte, die de deur had opengedaan, de telefoon aan een van de verbalisanten gaf met de mededeling dat de verdachte met de verbalisant wilde spreken. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte vervolgens telefonisch heeft meegedeeld waar het wapen zich bevond. Weliswaar is de verklaring van de verdachte afgelegd ten overstaan van een met het onderzoek belaste verbalisant, maar uit het proces-verbaal blijkt niet van vragen van de zijde van de verbalisant. Gelet op de door het Hof feitelijk vastgestelde spontane mededeling die overigens ook in cassatie niet wordt betwist, is het oordeel van het Hof dat de politie niet gehouden was de in art. 29 Sv bedoelde cautie te geven en het bewijsmateriaal in zoverre eveneens rechtmatig is verkregen niet onjuist dan wel ontoereikend of onbegrijpelijk gemotiveerd.

14. Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^

Ook in ontnemingszaken gaat het in de cassatieprocedure niet meer om het oproepen / horen van getuigen maar om de toetsing van de beslissingen dienaangaande

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:379  Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 26 februari 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 50.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het door de raadsman van de betrokkene gedane verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur opgegeven getuigen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

Beoordeling Hoge Raad

Ook in ontnemingszaken geldt hetgeen is overwogen in HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 rov. 273 en 276, te weten dat het in de cassatieprocedure niet meer gaat om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. Bij een afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen wordt in cassatie beoordeeld of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.

Voorts geldt ook in ontnemingszaken dat het karakter van het voortbouwend appel kan worden betrokken bij de motivering van de beslissingen ter zake van verzoeken tot het (doen) horen van getuigen (vgl. HR 6 september 2011, ECLI:NL: HR:2011:BP2675, NJ 2011/496)

Aan het verzoek tot het horen van getuigen heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat de Rechtbank bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van een te groot aantal transacties en van een te ruime periode waarin die transacties zouden hebben plaatsgevonden. Het Hof heeft het verzoek tot het horen van de getuigen afgewezen op de grond dat het verzoek, gelet op de inhoud van de in het dossier aanwezige printgegevens, gesprekscontacten en weergegeven gesprekken onvoldoende is onderbouwd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij de beoordeling van het verzoek, gezien het karakter van het voortbouwend appel, het Hof mocht betrekken, zoals de Rechtbank in het vonnis had gedaan, dat in de financiële rapportage wordt beredeneerd dat en waarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van bepaalde, voor de betrokkene meest voordelige, gegevens, zoals een beperking van het aantal telefonische contacten per dag tot de unieke contacten, van het aantal transacties tot een afname per uniek contact per dag en van een aanzienlijke beperking van de periode waarin de transacties zouden hebben plaatsgevonden.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Oordeel van Rb dat strafvorderlijk belang niet beperkt is tot Nederlandse strafvorderlijke belang getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting

Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:385 Het gaat in deze beklagprocedure om het volgende. Omstreeks oktober 2012 is er vanuit Nieuw-Zeeland in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de smokkel in methamfetamine contact gezocht met Nederlandse opsporingsautoriteiten en is verzocht om inlichtingen rond een Nederlands telefoonnummer. Daarop is door Nederlandse opsporingsdiensten onderzoek gedaan naar dat telefoonnummer.

Het verzoek is niet gevolgd door een officieel rechtshulpverzoek, zodat het onderzoek daarna is stopgezet. Enkele weken later is wederom informatie uit Nieuw-Zeeland binnengekomen over een internationaal verdovende-middelentransport. Hierop is het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek Toric opgestart. In dat onderzoek is klager naar voren gekomen als degene die in verband kon worden gebracht met het bedoelde telefoonnummer. Op 31 januari 2013 hebben de Nieuw-Zeelandse autoriteiten een rechtshulpverzoek ingediend. Op 5 februari 2013 zijn in het kader van het onderzoek Toric doorzoekingen verricht in woningen in Amsterdam waarbij inbeslagnemingen hebben plaatsgevonden. Die dag is klager ook aangehouden, waarna hij na een daartoe strekkend verzoek is uitgeleverd aan Nieuw-Zeeland en heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt voornemens te zijn de in beslag genomen voorwerpen over te dragen aan de autoriteiten in Nieuw-Zeeland. In de bij de stukken aanwezige schriftuur van het Openbaar Ministerie is te lezen:

“Het onderzoek Toric heeft weliswaar een gerede verdenking opgeleverd jegens verdachte klager, maar in het belang van Nieuw-Zeeland om hem aldaar te vervolgen voor zijn aandeel in het Nieuw-Zeelandse onderzoek is uiteindelijk groter geacht dan het belang om hem in Nederland verder te vervolgen voor Toric.”

Klager heeft nadat de Rechtbank Oost-Brabant zich onbevoegd had verklaard op 26 mei 2014 een klaagschrift ingediend bij de griffie van de Rechtbank Amsterdam. In het klaagschrift is onder meer namens klager gesteld dat het Nederlands strafvorderlijk belang bij het handhaven van het beslag ontbreekt omdat de Nederlandse strafzaak met de overdracht en uitlevering aan Nieuw-Zeeland is geseponeerd.

De Rechtbank Amsterdam heeft op 30 december 2014 het door klager op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift ongegrond verklaard.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank, die had te onderzoeken of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, heeft geoordeeld dat het strafvorderlijk belang niet beperkt is tot het Nederlandse strafvorderlijke belang. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat de Officier van Justitie voornemens is de in beslag genomen voorwerpen over te dragen aan de autoriteiten van Nieuw-Zeeland naar aanleiding van het ingediende rechtshulpverzoek. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat die voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen in het strafrechtelijk onderzoek waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, en dat met het voortduren van het beslag dan ook een belang van strafvordering is gediend, is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^