HR doet uitspraak over de te volgen procesgang in het geval een beslagene, niet zijnde de verschoningsgerechtigde, in een beklagprocedure aanvoert dat zich bij de onder hem in beslaggenomen bescheiden, brieven of andere stukken bevinden ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen

Hoge Raad 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076

Namens de klager is bij de Rechtbank een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag op onder hem inbeslaggenomen stukken op de grond dat deze stukken object zijn van het (afgeleide) verschoningsrecht van A B.V.

Juridisch kader

Voor de beoordeling van een klacht als de onderhavige is van belang dat de wetgever heeft voorzien in een nieuwe wettelijke regeling met betrekking tot een versnelde beklagprocedure voor verschoningsgerechtigden. Daarbij komt de kwestie aan de orde of en in hoeverre deze versnelde beklagprocedure ook van toepassing is in een geval, zoals thans, waarin de beslagene niet de verschoningsgerechtigde is.

Met de nieuwe wettelijke regeling wordt gedoeld op de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing, vervolging, alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (Stb. 2014, 445; verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit). Daarbij zijn de art. 98, 552a en 552d Sv gewijzigd.

De versnelde beklagprocedure geldt voor de behandeling van een klaagschrift dat is ingediend door een persoon met bevoegdheid tot verschoning. De art. 98, 552a, zevende lid, en 552d, derde lid, Sv voorzien in de alsdan te volgen procesgang.

In het geval dat een beslagene, niet zijnde de verschoningsgerechtigde, in een beklagprocedure aanvoert dat zich bij de onder hem in beslaggenomen bescheiden, brieven of andere stukken bevinden ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, brengt een redelijke wetstoepassing het volgende mee.

Ook in dat geval is de rechter-commissaris bevoegd ter zake te beslissen. Beslist hij dat de inbeslagneming is toegestaan, dan dient gehandeld te worden zoals in art. 98, derde lid, Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist.

In het hiervoor bedoelde geval doet zich de situatie voor dat in twee beklagprocedures het verschoningsrecht aan de orde is.

In de beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, dient het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt te worden genomen. Indien in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de desbetreffende brieven of andere stukken in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene in zoverre gegrond en is kennisneming van die bescheiden niet toegestaan.

In het geval dat het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.

Indien de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat inbeslagneming is toegestaan, moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. Ook in dat geval moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft. In deze gevallen geldt dat, zodra vaststaat dat een beroep op het verschoningsrecht niet is gedaan of niet opgaat, van de desbetreffende brieven of andere stukken kan worden kennisgenomen.

In het geval dat de beslagene in zijn klaagschrift ook andere klachten heeft opgeworpen tegen de inbeslagneming van die brieven of andere stukken dan die betreffende het verschoningsrecht, zal over de gegrondheid daarvan nog moeten worden beslist in de beklagprocedure van de beslagene.

Onderhavige zaak

In de onderhavige zaak is door de klager, de beslagene, aangevoerd dat het verschoningsrecht van A is geschonden. Namens A is, gelijktijdig met het klaagschrift van de klager, bij de Rechtbank een klaagschrift ingediend dat eveneens strekt tot opheffing van het beslag op die onder de klager inbeslaggenomen stukken en waartoe is aangevoerd dat deze stukken onder het (afgeleide) verschoningsrecht van A vallen. Nu in de beklagzaak van A nog niet onherroepelijk is beslist - bij beschikking van 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2636, heeft de Hoge Raad in die zaak de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank - heeft de klager zijn belang bij zijn klacht niet verloren. De klager is derhalve ontvankelijk in het cassatieberoep.

Beoordeling van het middel

Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank bij haar beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast dan wel de beslissing onvoldoende met redenen heeft omkleed.

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.2 en 6.3 is het middel terecht voorgesteld:

6.2 Op 21 april 2015 vond een nagenoeg gelijke overweging- in zaken die eveneens afkomstig waren van de Rechtbank Oost-Brabant - geen genade in de ogen van de Hoge Raad:

“2.3. Ingevolge art. 98 (oud) Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. (Vgl. HR 22 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0422, NJ 1992/315)

2.4. Het oordeel van de Rechtbank dat "gelet op de feiten en omstandigheden en de wijze waarop artikel 98 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering moet worden uitgelegd" de inbeslaggenomen geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend is, mede beschouwd in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld en van hetgeen door de Rechtbank omtrent die feiten en omstandigheden is vastgesteld, alsmede gelet op hetgeen in dit verband bij de behandeling in raadkamer namens de klager is aangevoerd, ontoereikend gemotiveerd. Voor zover de Rechtbank in haar hiervoor weergegeven overwegingen als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven het verschoningsrecht van de advocaat (vgl. HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439) is dat oordeel eveneens ontoereikend gemotiveerd.”
6.3. Ook in de onderhavige zaak is uitdrukkelijk betwist dat de in beslag genomen geheimhouderstukken onderdeel uitmaken van het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht of tot het begaan daarvan hebben gediend, maar ook nu heeft de Rechtbank haar andersluidende oordeel van geen enkele motivering voorzien, terwijl zij niets heeft vastgesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die zouden maken dat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht van A. Dit brengt mee dat het middel terecht is voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Witwassen van pseudo-koopgeld i.v.m. diefstal schilderijen Frans Hals Museum Haarlem

Hoge Raad 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043

De voorliggende zaak heeft te maken met de destijds opzienbarende inbraak in het Frans Halsmuseum in Haarlem. Op 24 maart 2002 kreeg de politie de melding dat vijf kostbare schilderijen waren weggenomen, te weten: “De kwakzalver” en “De tevreden drinker” van Adriaen van Ostade, “De kwakzalver” van Jan Steen, “Drinkgelag” van Cornelis Dusart en “De Straatmuzikanten” van Cornelis Bega.

Het spreekt vanzelf dat dergelijke wereldwijd bekende en kostbare stukken niet heel snel in het helercircuit zijn te verkopen. Pas in 2007, op 14 maart, werd door de ingezette politie-infiltranten opererend onder de aliasnamen ‘A’ en ‘B’ een eerste contact gelegd met verzoeker. Daarna volgden meer ontmoetingen met ook medeverdachten (onder wie medeverdachte 1). Uiteindelijk, na langdurig onderhandelen, werden op 12 september 2008 tweemaal twee schilderijen overgedragen en vond op 13 september 2008 de overdracht van het vijfde schilderij plaats, waarna de aanhoudingen van de verdachten volgden. Het pseudokoopgeld van tweemaal € 500.000 werd op 12 september 2008 op verschillende momenten overhandigd, bij elke overdracht een bedrag van € 500.000. Van het totaalbedrag van € 1.000.000 is € 100.000 (van de eerste betaling) aangetroffen in twee kussens op een bank in de woning van medeverdachte 2 en € 95.500 (van de tweede betaling) gevonden achter een plint van het keukenblok in de woning van medeverdachte 1, nadat dit laatste geldbedrag eerst was weggeborgen in een blokhut van medeverdachte 1.

Verzoeker is bij arrest van 24 mei 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren wegens:

  • Feit 1: Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd en Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,
  • Feit 2 Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en
  • Feit 3 Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Namens verzoeker heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, tien middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het negende middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaring onder 1 voor zover inhoudende dat de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, (medeplegen van) "witwassen" oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 12 en 13 september 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens van geldbedragen de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en die geldbedragen heeft verworven en overgedragen en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Het Hof heeft deze bewezenverklaring gekwalificeerd als "Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd".

De klacht doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het 'verwerven of voorhanden hebben' van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het 'verwerven of voorhanden hebben' als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte van de geldbedragen "de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld" als bedoeld onder a van het genoemde artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het "verwerven" en "voorhanden hebben" van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden, wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij deze klacht.

Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat bedoelde recente rechtspraak van de Hoge Raad ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, verdient opmerking dat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304, rov. 3.3).

Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Afzien horen niet verschenen getuige

Hoge Raad 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3072 De verdachte is een professioneel schapenhouder. Het hof heeft vastgesteld dat op 6 april 2010 op het erf van de verdachte kadavers van schapen en lammeren zijn aangetroffen, zonder dat deze in de periode daaraan voorafgaand bij het destructiebedrijf Rendac waren aangemeld (feit 1). Ook zijn op voornoemde datum kadavers van schapen aangetroffen die niet op adequate wijze zijn bewaard (feit 2).

De economische kamer van het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 24 juli 2013 de verdachte bij verstek veroordeeld tot (ten aanzien van feit 1) een geldboete van € 10.000 waarvan € 5.000 voorwaardelijk en (ten aanzien van feit 2) een geldboete van € 500 wegens overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 81g van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd (feit 1 en 2).

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof zonder uitdrukkelijke toestemming van de verdediging en de Advocaat-Generaal bij het Hof heeft afgezien van het horen van een niet verschenen getuige.

Beoordeling Hoge Raad

Ter terechtzitting van 16 januari 2013 heeft het Hof bevolen getuige 1 als getuige op te roepen voor de nadere terechtzitting. Op de daarop volgende terechtzitting van 10 juli 2013, waarop de verdachte noch diens raadsman aanwezig was, heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Het Hof heeft toen kennelijk afgezien van een nadere oproeping van de niet verschenen getuige 1. Gelet op art. 331, tweede lid, Sv kon het Hof ook zonder de toestemming van de verdachte aldus beslissen (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161, rov. 4.3). Door de verdachte kan niet met vrucht worden geklaagd dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat de Advocaat-Generaal heeft ingestemd met het afzien van de nadere oproeping van die getuige.

Op het voorgaande stuit het middel af.

Conclusie AG: contrair 

Het middel slaagt.

6. Het bij brief van 13 april 2012 gedane en bij brief van 2 januari 2013 herhaalde verzoek van de verdachte om getuige 1 als getuige op te roepen, kan worden aangemerkt als een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, in aanmerking genomen dat dit verzoek niet is gedaan vóór de eerste terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2012. Op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2013 heeft het hof op de voet van art. 315, eerste lid, Sv de oproeping van deze getuige bevolen. Hoewel de samenstelling van het hof na de schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2013 is gewijzigd, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 vermeldt dat het onderzoek opnieuw is aangevangen en het arrest van het hof inhoudt dat het wat betreft het hoger beroep slechts is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2013, is het bevel tot oproeping van de getuige 1 in stand gebleven. Een redelijke wetstoepassing brengt immers mee dat art. 322, vierde lid, Sv ook het op grond van art. 315, eerste lid, Sv gegeven bevel tot oproeping van een getuige omvat.

7. Een getuige die na een bevel zoals bedoeld in art. 315, eerste lid, Sv niet is verschenen, moet worden aangemerkt als een “niet verschenen getuige” in de zin van art. 287, derde lid, Sv en art. 288, eerste lid, Sv, welke bepalingen op grond van art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Dit betekent dat het hof een beslissing uit hoofde van deze bepalingen dient te geven indien de getuige aan de bevolen oproeping geen gevolg heeft gegeven. Voorts kan het hof ingevolge art. 288, derde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, van de hernieuwde oproeping van de niet verschenen getuige afzien indien de advocaat-generaal bij het hof en de verdachte daarmee uitdrukkelijk hebben ingestemd.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2013 houdt niet in dat de (niet verschenen) verdachte en de advocaat-generaal bij het hof op de voet van art. 288, derde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, uitdrukkelijk hebben ingestemd met het afzien van de hernieuwde oproeping van de aldaar niet verschenen getuige 1. Het moet er daarom voor worden gehouden dat die instemming niet is gegeven. Bij die stand van zaken had het hof in beginsel op grond van art. 287, derde lid, aanhef en onder b, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, de hernieuwde oproeping van die getuige moeten bevelen. Het hof had daarvan alleen op de voet van art. 288, eerste lid, Sv dan wel op de voet van art. 418, derde lid, Sv bij een met redenen omklede beslissing kunnen afzien op één van de in die bepalingen genoemde gronden. Noch in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 noch in het arrest van het hof is ter zake enige beslissing neergelegd. Van een hernieuwde oproeping dan wel een met redenen omklede afwijzende beslissing van het hof ten aanzien van deze getuige blijkt niet. Dit verzuim heeft nietigheid tot gevolg.

9. Aan het voorgaande doet niet af dat zich bij de stukken van het geding wel een schriftelijke verklaring van getuige 1 van 9 februari 2010 bevindt, die op de terechtzitting in eerste aanleg door de verdachte is overgelegd. In dat verband merk ik op dat het hof, anders dan de rechtbank, in zijn uitspraak niet expliciet op deze verklaring is ingegaan. Bovendien ondersteunt deze verklaring de lezing van de verdachte. Zoals blijkt uit de onderbouwing van het getuigenverzoek in de brief van de verdachte van 13 april 2012, kan getuige 1 verklaren dat de verdachte de kadavers van de schapen heeft aangemeld bij Rendac (ten aanzien van feit 1) en dat hij de kadavers heeft klaargelegd voor destructie (ten aanzien van feit 2). De verdachte heeft derhalve belang bij het horen van deze getuige.

10. De onderhavige zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5154, NJ 2012/576. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat het hof op de voet van art. 288, derde lid, Sv met toestemming van de advocaat-generaal bij het hof van de hernieuwde oproeping van de getuige heeft afgezien en dat het hof gelet op art. 331, tweede lid, Sv ook zonder toestemming van de verdachte aldus kon beslissen. Ook in die zaak was de getuige, nadat het hof op een eerdere terechtzitting zijn oproeping had bevolen, niet op de nadere terechtzitting verschenen, terwijl op die terechtzitting de verdachte en diens raadsman evenmin waren verschenen. Anders dan in de onderhavige zaak, had het hof in die zaak in zijn arrest een overweging gewijd aan het niet verschijnen van de verdachte, waaruit kan worden afgeleid dat de (wel aanwezige) advocaat-generaal bij het hof heeft ingestemd met het niet opnieuw oproepen van de getuige. In het onderhavige geval heeft het hof noch in het proces-verbaal van de terechtzitting noch in zijn arrest enige overweging opgenomen ten aanzien van het niet verschijnen van de opgeroepen getuige. Van instemming door de advocaat-generaal is in ieder geval niet gebleken. Voorts geldt - in verband met het onder 9 opgemerkte - ook in dit verband dat niet gezegd kan worden dat de verdachte geen belang heeft bij het horen van de getuige en daarmee geen belang heeft bij cassatie.

11. Ten slotte rijst de vraag of het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 inzake getuigenverzoeken tot een ander oordeel zou nopen. De Hoge Raad heeft daarin overwogen dat, in geval een opgeroepen getuige niet is verschenen, een beslissing uit hoofde van art. 287 Sv en art. 288 Sv zal moeten worden gegeven, indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan tot hernieuwde oproeping van de niet verschenen getuige. In het onderhavige geval is door of namens de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2013 niet verzocht de niet verschenen getuige 1 opnieuw op te roepen. De verdachte was op die terechtzitting echter niet verschenen, terwijl er evenmin namens hem een (gemachtigde) raadsman aanwezig was. Bovendien heeft de verdachte in de vorm van een aanhoudingsverzoek wel uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij op die terechtzitting aanwezig wenste te zijn. Gelet hierop kan het ontbreken van voornoemd verzoek de verdachte in dit geval niet worden tegengeworpen. Het voert te ver van de verdachte te verlangen dat hij anticipeert op een mogelijk niet verschijnen van een opgeroepen getuige door voor dat geval op voorhand de hernieuwde oproeping te verzoeken.

12. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 24 juli 2013 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal hoogstwaarschijnlijk uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In dat geval zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM worden overschreden. In het onderhavige geval behoeft de Hoge Raad evenwel niet ambtshalve te onderzoeken of de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Gelet op het slagen van het middel, kan het tijdsverloop immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie m.b.t. artikel 13 Wet bodembescherming

Hoge Raad 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2976 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 augustus 2010 tot en met 10 september 2010 te Kessel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, op of in de bodem handelingen heeft verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming (WBB), door -zakelijk weergegeven- (paarden)mest op te slaan op de bodem en/of in een op de bodem geplaatste container, zonder een absorberende laag onder die mest aan te brengen en/of die mest (voldoende) af te dekken, terwijl hij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast en hij, hoewel daartoe verplicht, niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen en/of op het moment dat die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan niet heeft beperkt en/of zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt."

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, Economische Kamer, heeft bij arrest van 10 september 2013 de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde overtreden van art. 13 van de Wet bodembescherming.

Het Hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Uit het dossier blijkt onder meer het volgende.

Op 17 augustus 2010 is door verbalisant [verbalisant 1] geconstateerd dat verdachte een (niet afgedekte) container op zijn terrein had staan en dat deze container aan de voorzijde, nabij de deuren, perculaatwater lekte op de klinkerbestrating, waarbij [verbalisant 1] vermoedde dat het perculaatwater uit mest was. Voorts werd door hem die dag geconstateerd dat er losse paardenmest op de klinkerbestrating was geplaatst.

Op 24 augustus 2010 en 26 augustus 2010 werd geconstateerd dat de situatie, zoals die op 17 augustus 2010 was aangetroffen bij verdachte, niet was veranderd. Op 24 augustus 2010 werd door verbalisant [verbalisant 2] geconstateerd dat een bruinachtige vloeistof vanuit de op de klinkers geplaatste berg paardenmest de grond in sijpelde en tevens dat vanuit de container een bruinachtige vloeistof, waarvan het vermoeden bestond dat het een stof was afkomstig uit mest, op de klinkerbestrating liep.

Op 2 september 2010 was voornoemde situatie nog niet veranderd en bij een op 10 september 2010 verrichtte controle evenmin.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad paardenmest op zijn terrein had opgeslagen in een niet afgedekte container, die op de klinkerbestrating stond, en dat hij tevens paardenmest direct op de klinkerbestrating heeft geplaatst omdat de container vol was. Voorts heeft verdachte verklaard dat er vloeistof uit de container sijpelde. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat hij bij het aanleggen van de klinkerbestrating onder de klinkerbestrating een puinlaag heeft laten aanbrengen.

De tenlastelegging is toegesneden op "op of in de bodem handelingen verrichten".

Art. 1 van de Wet bodembescherming definieerde "bodem" ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

'het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen'.

Het hof stelt vast dat verdachte de paardenmest niet direct op de 'bodem' had opgeslagen, maar deels in een container die was geplaatst op de klinkerbestrating van zijn terrein en deels op deze klinkerbestrating zelf. Tussen de bodem en de klinkerbestrating bevond zich echter een puinlaag, naar zeggen van de verdachte. Dit acht het hof niet onaannemelijk. Over de samenstelling noch over de dikte van deze puinlaag heeft het hof gegevens. Voor het hof staat om die reden niet buiten enige mate van redelijke twijfel vast of door de handelingen van verdachte de bodem zoals bedoeld in de wet, kon worden verontreinigd en/of aangetast, laat staan dat verdachte dat wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Gelet daarop acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken."

Middel

Het middel richt zich tegen de gegeven vrijspraak en tegen de uitleg die het Hof heeft gegeven over het begrip “bodem” in de zin van art. 1 Wet bodembescherming.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel klaagt dat het Hof door te oordelen dat de puinlaag geen onderdeel uitmaakt van de bodem als bedoeld in de Wet bodembescherming blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het tevergeefs voorgesteld. Aan de klacht ligt ten grondslag de opvatting dat een puinlaag die de onderlaag vormt voor bestrating ongeacht de samenstelling en dikte daarvan onderdeel uitmaakt van de bodem als bedoeld in de Wet bodembescherming. Die opvatting is onjuist (vgl. ABRvS 9 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC1508).

Voor zover het middel klaagt dat 's Hofs oordeel dat niet buiten enige mate van redelijke twijfel vast staat of door de handelingen van de verdachte de bodem zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, kon worden verontreinigd en/of aangetast onbegrijpelijk is, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. In aanmerking genomen dat niets vastgesteld is kunnen worden omtrent de samenstelling en de dikte van de puinlaag is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk en is het toereikend gemotiveerd.

Voor zover het middel een beroep doet op het Besluit landbouw milieubeheer faalt dat eveneens nu de tenlastelegging niet is toegesneden op de naleving van enige bepaling van dat Besluit.

Het middel faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Geen toetsing aan criteria 359a Sv bij oordeel over publicatie privacy-gerelateerde beelden door OM

Hoge Raad 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024 Het gaat hier om de zogenoemde “Eindhovense kopschopperzaak”, een zaak die veel media-aandacht heeft gekregen en tot grote beroering in de samenleving heeft geleid. De verdachte is bij arrest van 11 december 2013 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk wegens medeplegen van poging tot doodslag.

Namens het Openbaar Ministerie heeft de advocaat-generaal bij het ressortsparket, mr. M.E. de Meijer, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Feiten

In de nacht van 3 op 4 januari 2013 is de (minderjarige) verdachte met een groep jongeren aan het stappen in Eindhoven. Omstreeks half vier loopt de groep over de openbare weg de Oude Stadsgracht richting de Vestdijk. De verdachte schopt onderweg een fiets om en slaat met een kabelslot tegen verschillende fietsen aan. Het latere slachtoffer [slachtoffer] spreekt de verdachte daarop aan. Hierop wordt [slachtoffer] in een explosie van geweld door de verdachte en enkele andere personen uit de groep mishandeld. Daarbij wordt het slachtoffer met name door de verdachte diverse keren met kracht en op korte afstand tegen het hoofd geschopt. Terwijl het slachtoffer in kennelijk bewusteloze toestand op de grond ligt, trapt de verdachte hem nogmaals met kracht tegen het hoofd. Het slachtoffer wordt door de groep bewusteloos achtergelaten.

Om achter de identiteit van de daders te komen, worden - nadat andere, minder ingrijpende opsporingsmiddelen tevergeefs waren beproefd - de beelden van het voorval, vastgelegd door ter plaatse aangebrachte toezichtcamera's, door het Openbaar Ministerie vrijgegeven en op 21 januari 2013 uitgezonden in het televisieprogramma "Bureau Brabant" van de regionale zender Omroep Brabant. De dag na de uitzending is de identiteit van de verdachten bij justitie bekend. De verdachte zelf meldde zich eerst bij de (Belgische) politie nadat de camerabeelden door Omroep Brabant waren vertoond. Vervolgens zijn na de uitzending door Omroep Brabant de beelden opgepikt door andere, landelijke media. Deze beelden van het voorval hebben geleid tot grote verontwaardiging in de samenleving en tot heftige reacties op de sociale media in de richting van de verdachten, die daarbij met naam en toenaam werden genoemd.

Naar het Hof heeft vastgesteld, heeft de verdachte nadelige gevolgen ondervonden van het uitzenden van de camerabeelden door de "enorme media-aandacht" die aan het incident is gegeven en "de hetze die daardoor jegens hem in de diverse media, onder welke internet, is ontketend". Tot de nadelige gevolgen voor de verdachte behoorde dat hij door bekende en onbekende personen is benaderd, dat zijn naam, telefoonnummers en adressen op internet stonden, dat hij op straat is herkend, dat de verdachte zich zeer bedreigd heeft gevoeld door in het bijzonder de weinig genuanceerde reacties via de sociale media en dat hij tot aan zijn ouderlijk huis door de media is belaagd. Deze negatieve media-aandacht is het gevolg van zo onzorgvuldig handelen van het Openbaar Ministerie, dat daardoor strafvermindering gerechtvaardigd is, aldus het Hof. De cassatiemiddelen van het Openbaar Ministerie richten zich tegen dit oordeel van het Hof.

Middelen

Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat "het gebruik maken van opsporingsberichtgeving in deze strafzaak, door camerabeelden te verstrekken aan Omroep Brabant en het vertonen daarvan, zonder meer een inbreuk op het privéleven van de verdachte oplevert".

Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de uit art. 8 EVRM voortvloeiende zorgvuldigheidseisen niet door het Openbaar Ministerie zijn nageleefd, nu niet is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel bij de totstandkoming van de beslissing tot het doen uitzenden respectievelijk het tonen van bewegende beelden waarop de verdachte te zien is. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het door de verdachte geleden nadeel het gevolg is van aan het Openbaar Ministerie toerekenbaar handelen.

De middelen van de Advocaat-Generaal bij het Hof behelzen geen klachten tegen het oordeel van het Hof dat de in de Aanwijzing opsporingsberichtgeving onder 4.1 als vereiste opgenomen toestemming van de hoofdofficier van justitie zich naar inhoud en strekking ertoe leent om als rechtsregel jegens de verdachte te worden toegepast, en dat het ontbreken van deze toestemming een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek oplevert in de zin van art. 359a Sv.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft in dit geval een, aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige verdachte aangenomen door het doen vertonen van de desbetreffende beeldopnamen, en in de door de uitzending veroorzaakte nadelige gevolgen voor de verdachte aanleiding gezien daarmee bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening te houden.

Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is niet absoluut. Bij de beantwoording van de vraag of (on)gerechtvaardigd inbreuk wordt gemaakt op het, onder meer in art. 8 EVRM gewaarborgde, recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte komt het aan op een weging van de omstandigheden van het geval.

In het algemeen geldt dat door het verspreiden van persoonlijke informatie ten aanzien waarvan de betrokkene redelijkerwijs mag verwachten dat deze niet zonder zijn toestemming wordt openbaar gemaakt, een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. De enkele omstandigheid dat met zo een publicatie het belang van opsporing van verdachten van een (ernstig) strafbaar feit is gediend, maakt dat niet anders. Een beroep op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan afstuiten op de omstandigheid dat openbaarmaking van de persoonlijke gegevens een voorzienbaar gevolg is van het eigen handelen van de betrokkene, in het bijzonder wanneer dit een ernstig strafbaar feit betreft.

Voor de beantwoording van de vraag of in gevallen als de onderhavige sprake is van inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en of deze inbreuk gerechtvaardigd is, kunnen onder meer - zoals ook blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal aangehaalde jurisprudentie van het EHRM - de volgende factoren van belang zijn:

  • het publieke dan wel private karakter van de plaats welke op het beeldmateriaal waarneembaar is waar of van de situatie waarin de betrokkene zich bevindt;
  • de persoon van de betrokkene, waaronder diens leeftijd of bijzondere kwetsbaarheid;
  • de hoedanigheid van de betrokkene, zoals de publieke bekendheid van de betrokkene, dan wel of hij verdachte is van een (ernstig) strafbaar feit;
  • de mate van herkenbaarheid van de betrokkene op het beeldmateriaal en de aard en indringendheid van de informatie die door of in samenhang met het beeldmateriaal wordt verstrekt omtrent de identiteit, uiterlijke kenmerken of gedragingen van de betrokkene;
  • het doel waarmee het beeldmateriaal is vergaard en geopenbaard, waarbij aan de orde kan komen of het gaat om opsporing of identificatie van verdachten van (ernstige) strafbare feiten en of voorzienbaar is dat het beeldmateriaal wordt gebruikt op een wijze die verder gaat dan hetgeen redelijkerwijze nodig is voor het te bereiken doel;
  • de wijze van vergaring en openbaarmaking van het beeldmateriaal, waarbij aan de orde kan komen of het beeldmateriaal is gemaakt en gepubliceerd met toestemming van de betrokkene, of de beeldopnamen zijn gemaakt op publieke plaatsen waar opnameapparatuur normaliter wordt gebruikt met een gelegitimeerd en voorzienbaar doel, en of er sprake is van een naar tijd en reikwijdte beperkt gebruik dan wel dat de beelden integraal zijn vrijgegeven aan het algemene publiek;
  • de mate waarin het beeldmateriaal in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving is verkregen en verspreid.

Het Hof heeft geoordeeld dat het verstrekken van de camerabeelden van het geweldsincident aan Omroep Brabant en het integraal doen vertonen daarvan voor het algemene publiek een inbreuk oplevert op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, dat deze inbreuk niet heeft plaatsgevonden op een voor de verdachte zo min mogelijk ingrijpende en bezwarende wijze en dat door het nadeel dat is veroorzaakt door het vertonen van de beelden sprake is van een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 8 EVRM van de verdachte.

Het Hof heeft de toetsing aan art. 8 EVRM geplaatst in de sleutel van "de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals een redelijke en billijke belangenafweging" en overwogen dat een geconstateerde schending van deze bepaling een zelfstandig verzuim oplevert, voor de beoordeling van de rechtsgevolgen waarvan het Hof aansluiting heeft gezocht bij de factoren genoemd in het tweede lid van art. 359a Sv.

Aantekening verdient dat in gevallen als de onderhavige, waarin het gaat om privacy-gerelateerd beeldmateriaal dat vanwege het openbaar ministerie wordt openbaar gemaakt, voor de beoordeling van (de gerechtvaardigdheid van) de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte op wie het beeldmateriaal betrekking heeft, een zelfstandige of afzonderlijke toets aan de hand van beginselen van een behoorlijke procesorde of aan de hand van de factoren van art. 359a, tweede lid, Sv niet nodig is. De hiervoor in 4.3.2 genoemde, niet limitatief opgesomde, factoren, waarin ook eisen van proportionaliteit en subsidiariteit een plaats hebben, bieden een toereikend autonoom beoordelingskader.

Voorop staat dat het het Hof in beginsel vrij staat bij het bepalen van de straf rekening te houden met nadeel dat door media-aandacht voor een verdachte is veroorzaakt, ook indien dit niet aan het toedoen van het openbaar ministerie is te wijten of indien dit niet als een schending van art. 8 EVRM kan worden aangemerkt. Deze factoren kunnen wel van belang zijn voor het bepalen van de ernst van het nadeel en mate waarin met die nadelige gevolgen bij de strafoplegging rekening wordt gehouden. Dat betekent overigens niet dat een verdachte indien hij te lijden heeft gekregen van indringende media-aandacht omtrent zijn strafzaak, recht heeft op matiging van de hem op te leggen straf.

In cassatie kan de motivering van de strafoplegging slechts op zijn begrijpelijkheid worden onderzocht.

Het Hof heeft vastgesteld – hetgeen in cassatie ook niet bestreden is - dat de uitzending van de beelden en de daardoor veroorzaakte media-aandacht en onder meer op internet ontketende hetze ernstige nadelige gevolgen voor de minderjarige verdachte en zijn omgeving hebben gehad en hebben geleid tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Met die gevolgen heeft het Hof bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening kunnen en mogen houden.

De mate waarin de op zichzelf passend geachte straf als gevolg van (de ernst van) deze door het Hof geconstateerde inbreuk wordt gematigd, is in beginsel aan het Hof.

De door het Hof in zijn overwegingen betrokken feiten en omstandigheden komen erop neer dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet ongerechtvaardigd is voor zover het gaat om het, kenbare en niet onvoorzienbare, vergaren in de openbare ruimte van beeldmateriaal van het zeer ernstige publiekelijke groepsgeweld tegen een hulpeloos slachtoffer en voor zover het gaat om het op instigatie van het Openbaar Ministerie in de regio Brabant doen openbaar maken van beeldmateriaal waarop de verdachte zichtbaar is vanwege het legitieme en zwaarwegende doel van opsporing en identificatie van de (op het beeldmateriaal ook niet aanstonds duidelijk als minderjarigen herkenbare) verdachten van dit ernstige strafbare feit en omdat andere toegepaste opsporingsmiddelen niet tot enig resultaat hadden geleid.

In dit geval heeft het Hof evenwel de (ernstige) schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte in het bijzonder daarin gezocht dat het Openbaar Ministerie in strijd met het vereiste van subsidiariteit minder ingrijpende alternatieven - het doen openbaar maken van 'stills' in plaats van bewegende beelden - niet heeft benut en heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat uitzending van bewegende beelden van het geweldsincident aan de bedoelde media-aandacht en de daardoor veroorzaakte ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte hebben bijgedragen, hetgeen aan het Openbaar Ministerie valt toe te rekenen.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof klaarblijkelijk doorslaggevend heeft geacht en kunnen achten dat het Openbaar Ministerie zelf zich weliswaar op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van 'stills' als minder zwaar middel had kunnen worden benut teneinde de identiteit van de verdachten te achterhalen, maar dat het Openbaar Ministerie desondanks bewust heeft gekozen voor het vertonen van de bewegende beelden van het geweldsincident, niet alleen om de samenleving niet de zeer indringende beleving van dit soort geweldsincidenten voor slachtoffers en omstanders niet te onthouden, maar ook om daarmee een indringend beroep te doen op de familie, dan wel op de directe omgeving van de (minderjarige) verdachten om hun identiteit bekend te maken.

Op het voorgaande stuiten de middelen af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^