Conclusie AG Hofstee over (gewoonte)witwassen

Parket bij de Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:PHR:2015:685

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 14 juni 2013 het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 14 juli 2011 bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, de opgelegde straffen en de motivering daarvan. Het Hof heeft dit feit bewezenverklaard en gekwalificeerd als “medeplegen van gewoontewitwassen” en verzoeker ter zake van alle bewezenverklaarde feiten (ook voor de hierna onder 3 te vermelden Opiumwetdelicten die door het Hof zijn bevestigd) veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf.

Namens verzoeker heeft mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

In de onderhavige zaak gaat het om het volgende. Blijkens de door het Hof bevestigde bewijsconstructie van de rechtbank heeft verzoeker in de periode van 27 september 2010 tot en met 4 oktober 2010 zich samen met zijn vriendin en zijn broer schuldig gemaakt aan de uitvoer van LSD en XTC-pillen door deze verpakt in enveloppen vanuit Nederland naar Brazilië te versturen (tenlastegelegd feit 1). Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker in die periode in Brazilië verbleef en daar een verdovende middelenhandel had, en dat zijn vriendin en zijn broer in opdracht van verzoeker enveloppen met LSD-trips en XTC-pillen naar Brazilië verstuurden. Ook werden op 4 oktober 2010 XTC-pillen aangetroffen in de woning van verzoekers ouders, dat wil zeggen in de slaapkamer van verzoeker en op de zolder (tenlastegelegd feit 2). Voorts zijn in de periode van 4 februari 2010 tot en met 25 augustus 2010 – deze periode valt dus niet samen met, maar gaat vooraf aan de periode waarin verzoeker volgens het tenlastegelegde feit 1 in verdovende middelen zou hebben gehandeld - in totaal bedragen van € 94.230,- en 14.500 Reais aan contant geld en een aantal Travelcards door verzoeker vanuit Brazilië naar Nederland verzonden. Met de Travelcards is in Nederland € 8.330,- opgenomen. Het geld en de Travelcards waren verstopt in CD-hoesjes, pennen, boeken en daartoe geprepareerde kleding. Uit een afgetapt telefoongesprek op 25 september 2010 blijkt dat verzoeker eerst aan zijn moeder vroeg of het pakketje was aangekomen en vervolgens tegen zijn vader zei dat betrokkene 1 (de vriendin van verzoeker) al die trucjes vond. Betrokkene 2, de broer van verzoeker, heeft verklaard dat het geld dat hij uit de postpakketjes moest halen in opdracht van verzoeker, afkomstig was van de verdovende middelenhandel van verzoeker. In eerste aanleg heeft verzoeker ontkend dat de gelden van misdrijf afkomstig zijn. Hij voerde toen omtrent de herkomst aan dat de geldbedragen door hem in Paraquay waren verdiend en opgespaard uit de handel van belastingvrije artikelen en elektronica. Nadat de rechtbank verzoeker ermee confronteerde dat deze uitleg niet juist kan zijn, deed verzoeker een beroep op zijn zwijgrecht. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat over een lange periode op een verhullende wijze contant geld naar Nederland is verstuurd, dat verzoeker geen aannemelijke verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van de geldbedragen en dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig zijn en dat verzoeker daarvan wist. De in de tenlastelegging omschreven handelingen worden door de rechtbank aangemerkt als het veiligstellen van criminele opbrengsten. De rechtbank acht daarom bewezen dat verzoeker in de periode van 27 november 2008 tot en met 25 augustus 2010 samen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen en/of Travelcards met een totale waarde van in elk geval € 102.560,- - de optelsom van € 94.230,- en € 8.330,-, zo merk ik (AG) op - en 14.500 Reais. Het Hof heeft de pleegperiode gewijzigd in de periode van 7 maart 2009 tot en met 25 augustus 2010 (zie hierna).

Eerste middel

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het Hof dat verzoeker met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring heeft gegeven voor de (legale) herkomst van de geldbedragen. De steller van het middel meent dat het Hof het andersluidende verweer van de verdediging onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

Ten laste van verzoeker is door het Hof onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen gelegen omstreeks de periode van 7 maart 2009 tot en met 25 augustus 2010 in Nederland en/of Brazilië, tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders geldbedragen en/of Travelcards met een totale waarde van in elk geval 102.560 Euro en 14.500 Reais, telkens voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van verzoeker op ’s Hofs terechtzitting het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota. Daarin wordt het volgende naar voren gebracht. De verklaring die verzoeker in eerste aanleg heeft afgelegd – te weten dat hij van eind 2005 tot eind 2009 in de elektronicahandel zat tussen Brazilië, Paraguay en Argentinië -, heeft de verdediging niet met stukken kunnen onderbouwen omdat verzoeker in detentie zat en dus geen ondersteunende bewijsstukken kon vergaren. Na het uitzitten van zijn straf bleek het verzoeker dat zijn woning in Brazilië als gevolg van een inbraak geheel was overhoop gehaald en ook zijn administratie vrijwel geheel was verdwenen. Dit is, aldus de raadsman, echter niet de enige verklaring die verzoeker heeft over de herkomst van de geldbedragen. Verzoeker had namelijk ook inkomsten uit gokactiviteiten. Het is, zo vervolgt de raadsman, echter moeilijk hard te maken dat verzoeker inderdaad die gokwinsten heeft gemaakt. Dat verzoeker hierover in eerste aanleg niet heeft verklaard, is toe te schrijven aan het advies van zijn toenmalige raadsman om zijn gokinkomsten niet naar voren te brengen omdat dit de geloofwaardigheid van verzoeker teveel zou aantasten.

In het ongewisse blijft echter waarom verzoeker in eerste aanleg wel verklaarde over zijn beweerdelijke inkomsten uit de elektronicahandel, maar niet over zijn aangevoerde gokinkomsten, en zo ook waarom een (aantoonbaar onjuiste) verklaring van verzoeker over de inkomsten uit de elektronicahandel de geloofwaardigheid van verzoeker niet zou (hebben) doen aantasten, doch een verklaring over zijn gokinkomsten wel.

Enfin, de bestreden uitspraak van het Hof houdt in:

“Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat niet voor de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard dat de geldbedragen die vanuit Brazilië naar Nederland werden verzonden, van misdrijf afkomstig zijn. Nu niet kan worden vastgesteld dat de pakketten die vóór 4 februari 2010 aan de verdachte zijn verzonden, zijn gecontroleerd, is het mogelijk dat die zendingen legale waar bevatten en dient de verdachte in ieder geval te worden vrijgesproken voor witwassen vóór 4 februari 2010 (datum aantreffen geldbedragen in koerierspakketten aan de verdachte, afkomstig uit Brazilië).

Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat de geldbedragen die op de rekening van de verdachte zijn gestort een legale herkomst hebben. Een deel daarvan is verdiend met elektronicahandel tussen Brazilië, Paraguay en Argentinië. Een ander deel betreft volgens de verdachte gokwinsten die hij in Nederland en in het buitenland heeft behaald.

De raadsman heeft ten slotte de juistheid van de inhoud van het aanvullend proces-verbaal d.d. 29 mei 2013, opgesteld door verbalisant, betwist. Indien het hof het proces-verbaal voor het bewijs wenst te gebruiken, dan verzoekt de verdediging om onderzoek te laten verrichten - al dan niet door een onafhankelijk deskundige - naar de juistheid van hetgeen in voornoemd proces-verbaal is gerelateerd en wenst de verdediging verbalisant als getuige te (doen) horen.

Het hof gaat uit van het navolgende.

In de periode van 4 februari 2010 tot en met 24 augustus 2010 is door de Douane geconstateerd dat er contante geldbedragen in postpakketten en enveloppen vanuit Brazilië Nederland worden binnengebracht. De geldbedragen zijn veelal aangetroffen in cd-hoesjes, pennen, boeken en kleding. In de koerierspakketten is in totaal € 92.430,00 aangetroffen en in de enveloppen totaal € 1.800,00 en 14.500 Braziliaanse Reais. Daarnaast werden in een postpakket twee confidence travelcards van Visa aangetroffen. De pakketten en enveloppen waren met uitzondering van één pakket, welke was geadresseerd aan betrokkene 2 te Alkmaar, geadresseerd aan verdachte te Alkmaar (proces-verbaal van ambtshandeling, AH-068).

Voorts is uit onderzoek gebleken dat vanaf 27 november 2008 tot en met 8 februari 2010 in ieder geval 35 koerierszendingen vanuit Brazilië aan verdachte in Nederland zijn verstuurd.

In de periode vanaf 7 maart 2009 (boekdatum 9 maart 2009) tot en met 13 juli 2010 is een totaalbedrag van € 89.705,00 contant op de rekening van de verdachte gestort (overzicht van de contante stortingen op rekeningnummer 001, door de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 30 juni 2011 overgelegd).

Het hof is van oordeel dat met het enkele gegeven dat er vanaf 27 november 2008 koerierzendingen vanuit Brazilië naar de verdachte in Nederland zijn verstuurd niet kan worden bewezen dat deze zendingen geldbedragen bevatten. Dat zou anders zijn, indien er zich omstandigheden voordoen waaruit kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat er geldbedragen in die pakketten moeten hebben gezeten. Het hof is van oordeel dat door de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg dat hij pakketten en enveloppen met geldbedragen naar de a-straat 1 te Alkmaar heeft gestuurd, het feit dat deze vanaf 4 februari 2010 door de Douane zijn onderschept en het feit dat er vanaf 7 maart 2009 (boekdatum 9 maart 2009) grote contante stortingen op de rekening van de verdachte zijn gedaan, waarvoor - zoals hierna zal blijken - geen aannemelijke verklaring is gegeven, wettig en overtuigend bewezen is te achten dat de verdachte omstreeks de periode van 7 maart 2009 tot en met 25 augustus 2010 pakketten met geldbedragen vanuit Brazilië naar Nederland heeft verstuurd. (…)”

Het Hof heeft geoordeeld dat de door de verdediging ingebrachte stukken betreffende de belastingaangiften en Holland Casino de verklaring van verzoeker dat de op zijn rekening gestorte geldbedragen een legale herkomst hebben, te weten gokwinsten, niet kunnen staven. Deze gestelde inkomstenbron is als herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen dus door het Hof terzijde geschoven. Dat - met waarderingen van feitelijke aard verweven - oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat een deel van die stukken geen betrekking heeft op de bewezenverklaarde pleegperiode (feitelijk van 4 februari 2010 tot en met 24 augustus 2010), terwijl de overige stukken helemaal niets zeggen over de bewezenverklaarde geldbedragen. Dan resteert geen andere conclusie dan dat verzoeker geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Ik voeg daaraan nog toe dat ook het oordeel van het Hof dat gelet op de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat verzoeker voorhanden heeft gehad - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van verzoeker mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt met een beroep op HR 27 mei, ECLI:NL:HR:2014:1237 dat het Hof onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan witwashandelingen, nu het verpakken van geldbedragen in diverse voorwerpen en het aldus vervolgens versturen naar Nederland onvoldoende is om te kunnen spreken van het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van deze geldbedragen.

Het bestreden oordeel van het Hof luidt als volgt:

“(…). Ten aanzien van de vraag of er voorts sprake is van witwassen overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat in de onderhavige zaak geen direct bewijs is verkregen van het van enig misdrijf afkomstig zijn van de vanuit Brazilië verzonden geldbedragen en/of Travelcards. Wel kan worden vastgesteld, dat de verdachte heeft getracht grote bedragen op een ongebruikelijke wijze Nederland in te voeren, zonder daarvan aangifte te doen. Zo waren in ieder geval de geldbedragen in de pakketten vanaf 4 februari 2010 veelal verstopt in cd-hoesjes, pennen, boeken en kleding.

Gelet op de hiervoor genoemde concrete omstandigheden, is naar het oordeel van het hof sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden is het hof van oordeel, dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en min of meer verifieerbaar moet zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

De verdachte heeft verklaard dat de geldbedragen deels afkomstig waren uit de elektronicahandel die hij van eind 2005 tot eind 2009 bedreef tussen Brazilië, Paraguay en Argentinië. Het hof is van oordeel dat deze verklaring niet min of meer verifieerbaar is. De stukken die ter onderbouwing van deze stelling in eerste aanleg zijn overgelegd, dragen daar naar het oordeel van het hof niet aan bij.

De verdachte heeft tevens verklaard dat de geldbedragen afkomstig waren uit gokwinsten die hij heeft behaald. Het hof is ten aanzien van deze verklaring eveneens van oordeel dat deze niet min of meer verifieerbaar is. De belastingaangiften die de verdachte heeft overgelegd dateren van een tijdstip dat de vervolging reeds in een gevorderd stadium verkeerde. Bovendien bevatten deze niet meer dan een bewering van de verdachte dat hij gokwinsten heeft behaald. De stukken afkomstig van Holland Casino maken de verklaring van de verdachte al evenmin min of meer verifieerbaar.

Bij deze stand van zaken is geen sprake van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring.

Het voorgaande leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat geldbedragen en/of Travelcards met een totale waarde van in elk geval 102.560 Euro en 14.500 Reais een legale herkomst hebben en dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte ervan op de hoogte was dat het geld (on)middellijk van misdrijf afkomstig was.”

Uit de vooropstelling van het Hof dat in de onderhavige zaak geen direct bewijs is verkregen van het van enig misdrijf afkomstig zijn van de vanuit Brazilië verzonden geldbedragen en/of Travelcards, kan worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat niet kan worden gezegd dat de bedoelde geldbedragen en Travelcards afkomstig zijn uit een door verzoeker zelf begaan misdrijf. Ook het verschil in pleegperiode tussen het bewezenverklaarde feit 1 (27 september 2010 tot en met 4 oktober 2010) en feit 3 (7 maart 2009 tot en met 25 augustus 2010) duidt daar niet op. Als ik het goed zie vloeit uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering evenmin rechtstreeks voort dat de geldbedragen afkomstig zijn uit een door verzoeker zelf begaan misdrijf. Voorts is zulks blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 4 juni 2013 en de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota niet door of namens verzoeker aangevoerd in hoger beroep; verzoeker stelt zich immers op het standpunt dat de geldbedragen een legale herkomst hebben. Ook het middel houdt niets in omtrent een door verzoeker zelf begaan misdrijf in verband met het bewezenverklaarde gewoontewitwassen.3 Dat betekent dat hier niet van toepassing is de door de Hoge Raad aangescherpte rechtsregels met betrekking tot het voorhanden hebben of verwerven van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, welke gedraging een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen (grond)misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Het door de steller van het middel aangehaalde arrest van (naar ik vermoed) HR 27 mei, ECLI:NL:HR:2014:1237 kan hier niet als voorbeeld dienen. Dat arrest, dat overigens louter over het enkele “voorhanden hebben” gaat, past in een reeks arresten van de Hoge Raad die gaat over de nadere motiveringsplicht en de rechtsregels die (slechts) betrekking hebben op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Reeds op grond van het voorgaande meen ik dat het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als gewoontewitwassen, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat in de overwegingen van het Hof als zijn oordeel besloten ligt dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen en de Travelcards uit enig misdrijf afkomstig zijn. Niet hoeft hier te worden vastgesteld “om welk grondmisdrijf het precies gaat en door wie dat waar en wanneer is begaan”. Verder heeft het Hof niet onbegrijpelijk overwogen dat (gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden) het ervoor moet worden gehouden dat verzoeker ervan op de hoogte was dat het geld (on)middellijk van misdrijf afkomstig was.

Het middel faalt.

Overigens permitteer ik mij nog de volgende opmerking. Ook als de stukken van het geding zouden nopen tot de aanname dat de geldbedragen en de Travelcards wel uit verzoekers drugshandel in Brazilië afkomstig moeten zijn, is het middel tevergeefs voorgesteld. In de onderhavige zaak gaat het niet alleen om het onmiddellijk voorhanden hebben van die geldbedragen en Travelcards in Brazilië, maar ook om de bewezenverklaring van het middellijk voorhanden hebben, het overdragen en het omzetten van de geldbedragen en de Travelcards. In dat verband haal ik uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716 het volgende aan:

“Deze regels (de bedoelde rechtsregels, AG) zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het "overdragen" en het "omzetten" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt - van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip "gebruik maken".

In het vorenstaande wordt gesproken over "in beginsel", omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 2.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven onder 2.3 omschreven zin.

In het onderhavige geval verschilt het middellijk voorhanden hebben, het overdragen en het omzetten wezenlijk van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Het geld is in beweging geweest, waardoor ook in tijd verschil bestaat tussen het “overdragen” en “omzetten” en het “voorhanden hebben”. De geldbedragen en de Travelcards zijn immers, verstopt in allerlei goederen, in de loop van de tijd in beweging geweest op de door het Hof vastgestelde manier, waarna verzoeker deze voorwerpen (middellijk) voorhanden heeft gekregen.

Lees hier de volledige conclusie.

 

Print Friendly and PDF ^

Valse hoedanigheid?

Hoge Raad 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1336 Het Hof heeft - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 21 mei 2013 - in hoger beroep de verdachte ter zake van 1. en 3. oplichting, meermalen gepleegd en 2. witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. 

Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring het volgende overwogen:

"Valse hoedanigheid

Het oplichtingsmiddel 'valse hoedanigheid' is zowel bij feit 1 als bij feit 3 aanwezig. Verdachte deed zich in beide gevallen voor als een zogenoemde bonafide verkoper van respectievelijk wit- en bruingoed en evenemententickets. Hij had bij de in de tenlastelegging genoemde gevallen noch de mogelijkheid noch de intentie om de producten daadwerkelijk te leveren. In beide gevallen bediende verdachte zich van een professioneel ogende website, waarbij er een veelheid aan producten werd aangeboden tegen voor consumenten aantrekkelijke doch niet onredelijk lage prijzen. Bij beide sites bestond de mogelijkheid om elektronisch te betalen, hetgeen - en dit is een feit van algemene bekendheid - het vertrouwen van de consument in de goede intenties van de verkoper doet vergroten. Tevens werd er een fysiek adres weergegeven op de site, hetgeen eveneens vertrouwen opwekt. Daarbij was de naamgeving van beide websites dusdanig gekozen dat deze op zijn minst de associatie opriep met bestaande en betrouwbare websites. Onder 1 deed de naam prolecto.nl denken aan prolectro.nl, een bestaande elektronica-site. Dat de lay-out voorts werd geïnspireerd door de huisstijl van Scheer&Foppen versterkt het voorgaande in aanzienlijke mate. Onder 3 deed de gekozen naam worldticketscentre.eu denken aan de site worldticketcentre.nl, een bestaande vliegticket-site.

Onder 1 bediende verdachte zich voorts van een telefoonnummer, waarbij gedupeerden door de lange wachttijd naast het betaalde geld voor niet-geleverde goederen voorts nog geld betaalden voor de wachttijd, zonder - in veruit de meeste gevallen - ooit iemand aan de lijn te krijgen. Ten slotte speelt bij 1 mee dat verdachte - nadat kopers hadden aangegeven elektronisch te willen betalen - het deed voorkomen dat er een storing was. Hij verzond dan een mail naar de koper met daarin de belofte om direct de volgende dag te leveren, indien het bedrag maar direct via een normale overboeking werd overgemaakt op het bankrekeningnummer van verdachte.

Het voorgaande maakt dat het oplichtingsmiddel 'valse hoedanigheid' - in de vorm van het zich voordoen als bonafide verkoper - bewezen kan worden verklaard."

Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring onder 1 en 3, voor zover inhoudende dat de verdachte telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid personen heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel faalt voor zover het klaagt dat het Hof heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide verkoper die in staat en voornemens is de bij hem gekochte en aan hem vooruitbetaalde goederen te leveren, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr. Het Hof heeft immers onder meer vastgesteld dat de verdachte zich, bij het op internet aanbieden van elektronische apparatuur en evenemententickets, het vragen van betaling daarvoor en het niet leveren daarvan, heeft bediend van professioneel ogende websites waarop een veelheid aan producten werd aangeboden zonder dat de verdachte de mogelijkheid en de intentie had die producten daadwerkelijk te leveren, waarbij de verdachte de namen van die websites (prolecto.nl en worldticketscentre.eu) dusdanig heeft gekozen dat deze de associatie opriepen met bestaande betrouwbare websites (prolectro.nl en worldticketcentre.nl). Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte zijn aan te merken als het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Motivering van "samenweefsel van verdichtsels"

Hoge Raad 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1335 Verzoeker is bij arrest van 5 juni 2013 door het Gerechtshof Den Haag wegens oplichting, meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 44 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 

Middel

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring onder 1, 3, 4 en 5 voor zover telkens inhoudende dat sprake is van een "samenweefsel van verdichtsels" ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

De bewezenverklaring onder 1, 3, 4 en 5, voor zover telkens inhoudende dat sprake is van een "samenweefsel van verdichtsels", kan niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, nu daaruit de onwaarheid van de telkens bewezenverklaarde mededelingen van de verdachte niet zonder meer volgt. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG Hofstee over onder meer art. 177 Sr & art. 177a Sr: begunstiging, omkoping, handelingen van ambtenaren al dan niet in strijd met hun plicht

Hoge Raad 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1274 Verzoeker in cassatie is bij arrest van 27 december 2012 door het Gerechtshof ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor feit 1:

  • medeplegen van een ambtenaar een gift of een belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd en
  • een ambtenaar een gift of een belofte doen dan wel een dienst te verlenen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd en
  • een ambtenaar een gift of een belofte doen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige bediening is gedaan, meermalen gepleegd.

Medeverdachte 1 was ambtenaar van de gemeente Sittard-Geleen en projectmanager. Medeverdachte 2 was ook ambtenaar (projectleider) en gedetacheerd in de gemeente Beek. Verzoeker en medeverdachte 4 waren beiden werkzaam bij het bedrijf A.

Namens verzoeker heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar artikel 81 RO.

Eerste middel

Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt over de verwerping van het Hof op een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan beroep op de (gedeeltelijke) nietigheid van de tenlastelegging met betrekking tot het onder I (hoofdletters A t/m H) tenlastegelegde “anders dan om zakelijke redenen” nu deze in de tenlastelegging omschreven beoogde tegenprestatie voor tweeërlei uitleg vatbaar is (immers zowel handelen in strijd met de ambtsplicht kan opleveren als handelen dat niet in strijd is met de ambtsplicht).

Het bestreden arrest houdt in (p. 13):

“Geldigheid van de dagvaarding

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de tenlastelegging nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder I ten laste gelegde omdat de tenlastelegging in zoverre niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de in de tenlastelegging omschreven tegenprestatie voorafgegaan met de woorden "anders dan om zakelijke redenen begunstigen" zowel handelen in strijd met de ambtsplicht kan opleveren als handelen dat niet in strijd is met de ambtsplicht. De formulering "anders dan om zakelijke redenen begunstigen" is derhalve niet eenduidig in haar betekenis, waardoor het ten laste gelegde - aldus de verdediging - onduidelijk is en nietig op deze onderdelen.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

A2. Het hof is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder I ten laste gelegde voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen en voor wat betreft de onderdelen die zien op het "anders dan om zakelijke redenen begunstigen" voldoende feitelijk is omschreven. Dat er een verschillende uitleg kan worden gegeven aan deze feitelijke omschrijving maakt dit niet anders. Mede gezien tegen de achtergrond van het dossier is voor de verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich kan verdedigen.

Dit oordeel vindt mede zijn bevestiging in de omstandigheid dat de verdediging en verdachte zelf ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep er blijk van hebben gegeven goed te hebben begrepen wat is ten laste gelegd en te weten waartegen verdachte zich moest verweren.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.”

Conclusie AG

Het onder I tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) is toegesneden op art. 177, eerste lid, Sr. Onder II is hetzelfde feitencomplex tenlastegelegd, maar dan gestoeld op art. 177a, eerste lid, Sr. Daarvan is verzoeker vrijgesproken. Beide artikelen zien op het een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst te verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of niet te doen. Het verschil zit enkel hierin dat art. 177, eerste lid, Sr betrekking heeft op het geval dat de ambtenaar daarmee in strijd met zijn plicht iets doet of nalaat, terwijl art. 177a Sr het oog heeft op een gedraging van de ambtenaar zonder dat deze daarmee in strijd met zijn plicht raakt.

De tenlastelegging onder I verzet zich niet tegen de (tussen haakjes geplaatste) toevoeging in de tenlastelegging, luidende: “anders dan om zakelijke redenen begunstigen”, van welk onderdeel verzoeker overigens door het Hof is vrijgesproken. Met het Hof meent de AG dat de tenlastelegging onder I een voor verzoeker voldoende duidelijke en begrijpelijke opgave bevat van de beschuldiging jegens hem. De overweging van het Hof dat er aan de feitelijke omschrijving “anders dan om zakelijke redenen begunstigen” een verschillende uitleg kan worden gegeven, doet daaraan niet af. Het Hof heeft het nietigheidsverweer op goede gronden verworpen.

Het eerste middel faalt.

Tweede middel

Het tweede middel borduurt voort op de uitleg die de verdediging aan de tenlastelegging onder I heeft willen geven, te weten dat in de feitelijke omschrijving daarvan ook ruimte is gelegen voor handelingen die niet in strijd met de ambtsplicht zijn verricht.

Conclusie AG

Het Hof heeft telkens bewezenverklaard dat verzoeker door giften (in geld of natura) heeft willen bereiken dat de betrokken ambtenaren het bedrijf A BV zouden begunstigen. Het begunstigen is door de opsteller van de tenlastelegging onder I, en zo ook door het Hof in de bewijsvoering, beperkt tot handelingen die de ambtenaren zouden moeten doen (en hebben gedaan) als tegenprestatie in strijd met hun plicht. De AG herhaalt nog eens dat de tenlastelegging onder I is gegrond op art. 177, eerste lid, Sr dat kortgezegd het omkopen van ambtenaren strafbaar stelt teneinde hen te bewegen iets te doen of nalaten in strijd met hun plicht, bijvoorbeeld het doorgeven van vertrouwelijke informatie. Niet aan de tenlastelegging onder I ten grondslag gelegd is het paaien en fêteren van ambtenaren om iets te doen of na te laten dat niet in strijd is met hun plicht, bijvoorbeeld het vergunnen van een opdracht (art. 177a Sr).

Van een innerlijke tegenstrijdigheid binnen ’s Hofs bewijsconstructie van de bewezenverklaring (of, ruimer, zijn arrest) als gevolg van de vrijspraak van “anders dan om zakelijke redenen begunstigen” aan de ene kant en de bewezenverklaring van het (telkens) begunstigen van A BV aan de andere kant is naar mijn inzicht in het geheel geen sprake. De bewezenverklaring houdt met betrekking tot alle genoemde ambtenaren immers in dat de giften waren bedoeld om hen in strijd met hun plicht iets te laten doen (of nalaten) ten gunste van het bedrijf A BV. De AG meent dat tegenstrijdigheden juist door het Hof zijn voorkomen door de desbetreffende onderdelen van de tenlastelegging niet bewezen te achten en verzoeker daarvan vrij te spreken.

Het tweede middel faalt eveneens.

Derde middel

Het derde middel klaagt dat het Hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zonder dat het Hof heeft voldaan aan de te dien aanzien geldende responsieplicht.

Conclusie AG

Hetgeen is voorgedragen aangaande de “één op één opdrachten” – in de onderhavige zaak beperkt tot alleen hetgeen is bewezenverklaard onder hoofdletter (zaak) B (“betrokkene 6”) - haalt  niet de ondergrens van wat er moet worden verstaan onder een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. De enkele stelling van de verdediging dat bij een dergelijke aanbesteding “per definitie” sprake is van een discretionaire bevoegdheid, zodat de mogelijkheid van handelen in strijd met de plicht van de ambtenaar zich niet kan voordoen, wordt nergens onderbouwd. Weliswaar wordt verwezen naar “Ambtelijke corruptie in Strafrecht” van E. Sikkema (p. 262), maar daarin wordt die stelling niet expliciet onderschreven. Dat is ook wel begrijpelijk, want ook bij één op één opdrachten kunnen zulke riante geschenken als waarvan in de onderhavige zaak sprake is heel makkelijk corrumperen en bewerkstelligen dat de ambtenaar zich daardoor laat inpakken en het bedrijf een volgende keer op troebele wijze de voorkeur geeft. Illustratief is de volgende overweging van het Hof:

“B3.2.3

betrokkene 6 heeft verklaard dat A werd begunstigd doordat hij bij het verstrekken van één op één opdrachten alleen A benaderde en geen andere partijen. Betrokkene 6 verklaarde dat hij loyale gevoelens naar A had omdat hij die giften van hun kreeg. Hij voelde zich daardoor verplicht ervoor zorg te dragen dat voor het product van A zou worden gekozen.

(Zie verklaring van betrokkene 6 ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2012)

Uit het dossier blijkt voorts dat betrokkene 6:

  • in 2005 informatie verstrekt aan A inzake het project N281 met welke informatie A de gewenste offerte kon opstellen;
  • in het voorjaar van 2007 informatie verstrekt aan A inzake het project N572 Echt-Koningsbos;
  • medio 2008 informatie verstrekt aan A met betrekking tot werkzaamheden aan de N280;
  • in de ten laste gelegde periode een groot aantal enkelvoudige opdrachten aan A verstrekt;
  • in december 2008 een fictieve opdracht verstrekt aan A met overtollig budget en hiertoe in overleg met verdachte een valse offerte heeft opgemaakt.

(Zie o.a. verklaring van betrokkene 6 ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 oktober 2012, tapgesprekken verdachte en betrokkene 6 van 1 april 2008, 2 april 2008, 8 april 2008 en 5 december 2008 (zaaksdossier 3, pagina's 031215-031217, 031257, 031258, 033212)).”

Daaruit blijkt bovendien dat het handelen van betrokkene 6 in zijn hoedanigheid van ambtenaar méér inhield dan een één op één opdracht. Hij heeft A niet alleen van informatie voorzien, maar deze ook eenfictieve opdracht verstrekt waarna verzoeker en A een valse offerte hebben opgemaakt. Het behoeft, lijkt mij, geen betoog dat het verstrekken van een fictieve opdracht en het opmaken van een valse offerte door een ambtenaar van de provincie in strijd is met zijn (ambts)plicht.

Het middel faalt.

Vierde middel

Het vierde middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het Hof in de bewijsoverwegingen het oogmerk heeft gebaseerd op “een collectieve redenering met betrekking tot enerzijds de frequentie en de omvang van alle bewezen verklaarde giften en anderzijds de essentiële positie (voor wat de toebedeling van werken betreft) van alle betrokken ambtenaren” en aldus het oogmerk heeft losgekoppeld van de tenlastegelegde tegenprestaties, waarmee het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans waardoor ’s Hofs bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is of, minst genomen, onvoldoende met redenen is omkleed.

Conclusie AG

Zoals eerder opgemerkt heeft het Hof kennelijk onder ogen gezien dat bepaalde in de tenlastelegging opgenomen tegenprestaties niet kunnen dienen voor het bewijs van het in strijd met de plicht handelen. Anders gezegd: het Hof heeft verzoeker van die onderdelen van het onder I tenlastegelegde vrijgesproken omdat de bedoelde feitelijke gedragingen niet zijn te verenigen met het kwalificatieve gedeelte van de tenlastelegging. Aldus heeft het Hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten, maar er juist voor gezorgd dat de feitelijke omschrijving zoals bewezenverklaard - en die ruimte wordt gelaten door de wijze waarop de tenlastelegging is geformuleerd – en het kwalificatieve gedeelte geheel met elkaar in overeenstemming zijn.

Het middel faalt.

Vijfde middel

Het vijfde middel klaagt dat het Hof verzoeker heeft vrijgesproken van de in de tenlastelegging opgenomen tegenprestaties, maar deze toch in de bewijsoverwegingen heeft opgenomen, zodat het bewijsoordeel van het Hof innerlijk tegenstrijdig is, althans het Hof daarmee minst genomen de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

Conclusie AG

Het Hof heeft in de bewijsoverwegingen geconcretiseerd hoe de bewezenverklaarde “begunstiging” door het bedrijf A BV eruit heeft gezien of had moeten zien. Daarbij zijn in de bewijsoverwegingen handelingen opgenomen die (nagenoeg) allemaal kunnen worden gekwalificeerd als gedragingen in strijd met de plicht:

  • betrokkene 5: het maken van fictieve opdrachten;
  • betrokkene 6: het geven van een voorkeursbehandeling (“loyale gevoelens”), het verstrekken van informatie, het verstrekken van fictieve opdrachten, het betrokken zijn bij het opmaken van een valse offerte en het verstrekken van “een groot aantal enkelvoudige opdrachten”. Dat laatste, slechts een onderdeel van een groter geheel, lijkt niet in strijd te zijn met de ambtsplicht. Uit bewijsmiddel 12 blijkt evenwel dat betrokkene 6 heeft verklaard dat hij deze opdrachten heeft verstrekt aan verzoeker omdat hij giften had gekregen. In zoverre is een voorkeursbehandeling bewerkstelligd en dat valt – mede gelet op HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584 en HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8318 - onder “in strijd met de ambtsplicht”;
  • betrokkene 9: het verhogen van eindafrekeningen en het verstrekken van voorinformatie en van vertrouwelijke informatie;
  • betrokkene 10: het verstrekken van informatie/stortbonnen en het regelen dat verzoeker een rotonde mocht reconstrueren. Uit bewijsmiddel 85 blijkt dat de giften ertoe leiden dat betrokkene 10 in strijd met de regels niet méér (andere) aannemers benaderde, maar alleen A B.V. Uit bewijsmiddel 81 volgt dat betrokkene 10 stortbonnen voor teerhoudend asfalt heeft verstrekt, maar dat het bedrijf het teerhoudend asfalt van een ander werk bij deze vracht heeft gedaan. Met enige moeite kan daaruit worden afgeleid dat in een dergelijk geval geen stortbonnen hadden mogen worden verstrekt, zodat betrokkene 10 ook in zoverre handelde in strijd met zijn ambtsplicht;
  • betrokkene 11: het naar voren schuiven van werkopdrachten, het maken en verstrekken van fictieve werkopdrachten, het ophogen van facturen en het, tegen de regels in, verstrekken van stortbonnen;
  • medeverdachte 2: “iets teruggedaan voor de giften en diensten”. Uit bewijsmiddel 214 kan worden afgeleid dat medeverdachte 2 als tegenprestatie informatie heeft doorgegeven aan A zodat deze daarmee voordeel had bij inschrijvingen op aanbestedingen. Uit de bewijsmiddelen 203 en 207 kan worden afgeleid dat medeverdachte 2 ten behoeve van het bouwbedrijf bemoeienissen heeft getoond bij aanbestedingen. Kennelijk beschikte hij ten behoeve van het bouwbedrijf over een B&W-advies dat intern en vertrouwelijk was en dat het bouwbedrijf met deze informatie zijn voordeel heeft gedaan, door bijvoorbeeld een (perfect) plan van aanpak op te kunnen stellen voor het project Diepestraat te Nuth. Met betrekking tot medeverdachte 2 is trouwens meer bewezenverklaard dan alleen “begunstigen”;
  • medeverdachte 1: het alleen aan het bedrijf A B.V. opgeven van een richtprijs.

Sommige van de hiervoor vermelde gedragingen stonden min of meer concreet omschreven in de tenlastelegging. Het Hof heeft er echter voor gekozen om de bewijsvoering – mogelijk omwille van de leesbaarheid - wat algemener te houden. Daarmee is niet gezegd dat, zoals in het middel wordt gesteld, het arrest innerlijk tegenstrijdig is, of dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten of dat ’s Hofs bewijsoordeel onvoldoende met redenen is omkleed. De bewezenverklaring is hoogstens met teveel redenen omkleed. Daarover wordt echter niet geklaagd.

Ook het laatste middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak van de Hoge Raad en hier de conclusie van de AG.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming: moeten bedragen aan betaalde inkomstenbelasting in mindering op het te betalen bedrag aan ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gebracht?

Hoge Raad 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1346 Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 27 januari 2014 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 25.619,= aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het middel keert zich tegen de overweging van het hof dat het bedrag aan inkomstenbelasting dat de betrokkene heeft betaald buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het middel klaagt dat het hof met dit oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De steller van het middel voert aan dat de betaalde bedragen aan inkomstenbelasting op de voet van art. 36e, achtste lid, Sr in mindering op het te betalen bedrag aan ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel hadden moeten worden gebracht.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Art. 36e, achtste lid, (thans: negende lid) Sr ziet op het in mindering brengen van in rechte toegekende vorderingen van ‘benadeelde derden’. Het gaat daarbij om degenen die ‘door de gedragingen naar aanleiding waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld rechtstreeks zijn benadeeld’. Vorderingen van niet rechtstreeks benadeelde derden worden niet op het voordeel in mindering gebracht. “Het gaat dus niet om vorderingen die andere derden crediteuren uit andere hoofde nog op de betrokkene mochten hebben. Met hen komt de staat in een verhouding als die van concurrente schuldeisers te staan, voor zover die derde aan de wet geen preferente positie ontleent”, aldus de memorie van toelichting. Daaraan is in de memorie van toelichting toegevoegd: “Onder benadeelde «derden» wordt overigens niet verstaan de staat zelve, als fiscus.” Indien de ontnemingsrechter bij de hoogte van het te ontnemen bedrag rekening houdt met mogelijke of reeds betaalde belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, kan dat er - kort en vereenvoudigd gezegd – volgens de wetgever toe leiden dat de betrokkene alsnog een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel behoudt. Dat gevolg strookt niet met het doel en de strekking van de ontnemingsmaatregel. Het is dan ook aan de Belastingdienst een beslissing te nemen over de mogelijke fiscale consequenties van een opgelegde ontnemingsmaatregel. In de wetsgeschiedenis is in dit verband een suggestie gedaan:

“Heeft de veroordeelde reeds aan zijn fiscale verplichtingen voldaan, dan zou hij, als gevolg van de door de ontnemingsmaatregel ontstane restitutievorderingen op de fiscus, aan de bij die maatregel opgelegde financiële verplichtingen althans deels kunnen voldoen door cessie van zijn vorderingen op de fiscus aan het met de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel belaste openbaar ministerie.”

De Hoge Raad heeft zich bij de in de wetsgeschiedenis uitgezette koers aangesloten. In het arrest van 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947, NJ 1998/499 oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht de mogelijke fiscale consequenties bij de toepassing van de ontnemingsmaatregel buiten beschouwing had gelaten. De Hoge Raad verwees daartoe naar de wetsgeschiedenis en overwoog:

“(…) het fiscale mechanisme dat, voorzover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer wordt ongedaan gemaakt indien en voorzover dat voordeel weer wordt ontnomen, [leidt] naar het oordeel van de wetgever zowel in strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke zin tot een evenwichtig resultaat, terwijl daarentegen een rekening houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting bij de bepaling van het te ontnemen voordeel naar het oordeel van de minister tot een onevenwichtig en onbedoeld resultaat zou leiden. De keuze voor vorenomschreven fiscaal systeem brengt volgens de wetgever mee dat de strafrechter bij de bepaling van het aan voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing.”

Ik zie geen reden te concluderen dat thans een andere weg moet worden ingeslagen.

Voor de onderhavige zaak betekent zulks het volgende. Het middel keert zich tegen de overweging van het hof dat de inkomstenbelasting die de betrokkene heeft betaald bij de vaststelling van het voordeel buiten beschouwing dient te worden gelaten “nu die niet als een kostenpost kan worden aangemerkt voor het opzetten en exploiteren van de hennepkwekerij”. Uit het voorafgaande wordt duidelijk dat het hof de fiscale consequenties bij de toepassing van de ontnemingsmaatregel terecht buiten beschouwing heeft gelaten, wat er ook zij van de door het hof gebezigde bewoordingen. Dat betekent dat het middel geen doel kan treffen.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

Lees hier de volledige uitspraak van de Hoge Raad en hier de conclusie van de AG.

 

Print Friendly and PDF ^