HR stelt dezelfde eisen aan "gepleegd door twee of meer verenigde personen" als aan medeplegen

Hoge Raad 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 Aangeefsters (zusjes) betrokkene 1 en 2 werden, terwijl zij in de richting van het metrostation Ganzenhoef in Amsterdam liepen, achtervolgd door drie rennende meisjes. Betrokkene 1 werd door de meisjes naar de grond geduwd, geschopt en geslagen. Een van de meisjes die achter betrokkene 1 en betrokkene 2 waren aangerend rukte een zwarte handtas uit betrokkene 1 haar handen.

Aanvankelijk dachten de aangeefsters, die om hulp hadden geschreeuwd, dat een aantal jongens dat erbij was gekomen, hen kwam helpen. Een van die jongens (verdachte) evenwel schopte en sloeg betrokkene 2 en beroofde haar van haar iPhone. De verdachte is achter de groep jongeren aangerend en is op enig moment ook deel gaan uitmaken van de groep. Hij is met een zakje M&M's en een blikje energydrink die in de tas van een van de aangeefsters hadden gezeten, weggelopen van de plek waar de beroving heeft plaatsgevonden.

Verdachte is veroordeeld tot 223 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met een bijzondere voorwaarde wegens:

  • 1 primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
  • 2 tweede alternatief: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het Hof heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen:

“Bewijsverweren

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de verdachte niet als medepleger van feit 1 en 2 kan worden aangemerkt. Hij heeft geen uitvoeringshandeling gepleegd die in de tenlastelegging is opgenomen.

Het verweer van de raadsman dat geen sprake is van medeplegen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging:

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De slachtoffers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben in hun aangifte verklaard over het aantal daders die zich schuldig hebben gemaakt aan de beroving. [betrokkene 2] verklaart dat er in totaal zes daders bij betrokken waren en dat twee van de daders iets na de anderen aan kwamen rennen, waarbij ze in eerste instantie dacht dat deze jongens haar kwamen helpen. Één van deze jongens (dader 2) kwam echter op [betrokkene 2] afgerend, gaf een schop in haar buik en zei vervolgens "geef mij alles wat je hebt". [betrokkene 2] haalde hierop haar witte iPhone 4S tevoorschijn, welke door dader 2 werd afgepakt. [betrokkene 1] verklaart ook dat er in totaal zes daders waren en dat zij in eerste instantie dacht dat ze door de jongens zouden worden geholpen, maar dat ze vervolgens zag dat één van de jongens haar zusje beroofde.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij tussen de Albert Heijn en het station Ganzenhoef een stukje mee ging rennen met de groep jongens en meisjes.

[betrokkene 3] heeft als getuige op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat drie jongens, waaronder [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en [betrokkene 6], mee gingen rennen richting de bosjes en dat ze vervolgens [verdachte] uit de bosjes terug zag komen met een zak M&M's in zijn handen. Bij de politie heeft [betrokkene 3] verklaard dat [verdachte] terug kwam rennen vanaf de bosjes en dat hij toen een zakje M&M's en iets van drinken in zijn hand droeg. De andere jongens die daarbij waren, waren [medeverdachte], [betrokkene 7] en nog een onbekende jongen. [medeverdachte] is de bijnaam van medeverdachte [medeverdachte].

Verder heeft [betrokkene 3] bij de politie verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte] een telefoon (Blackberry) uit de tas heeft gehaald en vervolgens heeft weggegeven aan een meisje (het hof begrijpt: een van de meisjes die ook betrokken was bij de beroving).

Aangeefster [betrokkene 1] heeft verklaard dat de - door de medeverdachte weggegooide - tas haar eigendom is. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een Blackberry van aangeefster [betrokkene 1] nog niet is teruggevonden. Ook blijkt dat aangeefster [betrokkene 1] heeft gezien dat de daders met haar eten en drinken, een gele zak M&M's, een blikje Red Bull en een blikje energy drink, in hun handen liepen.

Op grond van bovenstaande verklaringen stelt het hof vast dat de verdachte achter de groep jongeren - waarvan hij wist of in elk geval vermoedde dat ze de aangeefsters wilde gaan beroven - aan is gerend, op enig moment ook deel uit is gaan maken van die groep in/bij de bosjes, met een zakje M&M's en een blikje energy drink - die in de tas van aangeefster zaten - wegloopt van de plek waar de beroving heeft plaatsgevonden, en dat niet is gebleken dat hij zich op enig moment heeft gedistantieerd van wat er gebeurde.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten zoals bewezenverklaard.”

Namens verzoeker heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte zo bewust en nauw met de medeverdachten heeft samengewerkt dat hij kan worden aangemerkt als degene die zich 'tezamen en in vereniging met anderen' aan de onder 1 en 2 tenlastegelegde berovingen heeft schuldig gemaakt.

Beoordeling Hoge Raad

In zijn arrest van 2 december 2014 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Opmerking verdient dat het voorgaande, zoals in genoemd arrest is overwogen en uit de daar aangehaalde voorbeelden ook blijkt, in vergelijkbare zin geldt indien het medeplegen - bij voorbeeld in de vorm van 'in vereniging' - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Ook in een geval waarin de tenlastelegging het delictsbestanddeel 'gepleegd door twee of meer verenigde personen' bevat, zal de rechter derhalve moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

In het hiervoor genoemde arrest is voorts overwogen dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Het oordeel van het Hof dat, anders dan de verdachte heeft verklaard, niet is gebleken dat hij zich op enig moment van het gebeurde heeft gedistantieerd, is - de door het Hof vastgestelde feiten in aanmerking genomen - niet onbegrijpelijk.

Voorts heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de uit de vastgestelde feiten blijkende bijdrage van de verdachte aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde van zodanig gewicht is dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de mededaders. Het oordeel dat de verdachte zich aldus tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de verdachte door, zoals het Hof kennelijk bij zijn oordeel heeft betrokken, het bedreigende karakter van zijn aanwezigheid bij de berovingen als deel van de groep en het weglopen met de buit, de strafbare feiten tezamen met mededaders heeft uitgevoerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Eigen maatstaven belastingrechter bij beoordeling bruikbaarheid bewijsmateriaal

Bewijsmateriaal dat door de strafrechter als onrechtmatig verkregen is aangemerkt, mag door de fiscus in principe wel worden gebruikt als bewijsmateriaal voor de belastingheffing en boeteoplegging. Bij het beoordelen van bewijsmateriaal gebruikt de belastingrechter eigen maatstaven, die kunnen afwijken van die van de strafrechter. Dat is de uitkomst van de procedure waarin de Hoge Raad vandaag uitspraak heeft gedaan. De strafrechter heeft bewijsmateriaal dat is verkregen na de inzet van infiltranten in de strafprocedure uitgesloten. Het hof Amsterdam besliste op 4 juli 2013 dat voor belastingheffing en fiscale boeteoplegging wel betekenis kan worden toegekend aan onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal.

Advocaat-Generaal Wattel adviseerde de Hoge Raad in zijn conclusie van 28 mei 2014 om het beroep in cassatie dat is ingesteld tegen de uitspraak van het hof gegrond te verklaren.

De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof. De belastingrechter is niet gebonden aan een oordeel van de strafrechter over de bruikbaarheid van bewijsmateriaal. Als de belastingrechter over de rechtmatigheid van de wijze waarop het bewijs is verkregen anders wil oordelen dan de strafrechter moet de belastingrechter de redenen voor die afwijking in de uitspraak vermelden. De vraag of bepaald materiaal in verband met de wijze waarop het is verkregen als bewijs kan worden gebruikt, moet de belastingrechter beantwoorden aan de hand van andere maatstaven dan de strafrechter. Dit kan ertoe leiden dat in procedures over belastingaanslagen en fiscale boetes gebruik wordt gemaakt van bewijsmateriaal dat door de strafrechter voor bewijsdoeleinden onbruikbaar is verklaard. In uitzonderlijke gevallen, waarin sprake is van een ernstige schending van een belangrijke rechtsregel, kan de onrechtmatige verkrijging ook tot onbruikbaarheid in de fiscale procedure leiden. Als wordt betoogd dat onrechtmatig overheidsoptreden tot bewijsuitsluiting moet leiden, zal de rechter zich echter steeds moeten afvragen of de belangen van de betrokkene zijn geschaad. Als de belastingrechter zijn beslissing op dit bewijsmateriaal baseert, is dat op zichzelf geen inbreuk op het recht op een behoorlijk proces dat is opgenomen in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Print Friendly and PDF ^

Verontschuldigbare termijnoverschrijding voor het instellen van hb?

Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:517

Verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Amsterdam d.d. 4 december 2012 waarbij zij wegens 1) opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en 2) handelen in strijd met artikel 36, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

“De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven- als volgt.

Ik wist van de zitting bij de rechtbank. Mijn dochter had de dagvaarding in ontvangst genomen. Ik wilde dat er in mijn zaak eerst getuigen werden gehoord. Hierover heb ik verschillende faxen naar de rechtbank gestuurd. Naar aanleiding hiervan ben ik er van uitgegaan dat de behandeling van mijn zaak zou worden aangehouden. Ik heb hierover nog telefonisch contact gehad met betrokkene 1. Mij is toegezegd dat er eerst getuigen zouden worden gehoord. Het was mij in die tijd allemaal te veel geworden; ik liep nog bij de crisisdienst. (…)

De advocaat-generaal voert het woord, waarin hij concludeert dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. De vordering houdt in dat de verdachte niet ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

De verdachte en de raadsman/vrouw voeren het woord tot verdediging.

De raadsman voert daarbij verweren als weergegeven in het arrest.”

Het Hof heeft in zijn arrest overwogen:

“Bespreking van een verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte er van mocht uitgaan dat tijdens de behandeling in eerste aanleg de zaak niet zou worden afgedaan. Hij heeft hiertoe gesteld dat de verdachte had verzocht eerst getuigen te horen. Zij heeft hierover contact gehad met betrokkene 1, uit welk contact de verdachte heeft begrepen dat de zaak niet zou worden afgedaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de stukken van het dossier is niet gebleken dat de behandeling in eerste aanleg zou worden geschorst, omdat voorafgaande aan de behandeling getuigen zouden worden gehoord. Voorts heeft de verdachte, die op de hoogte was van de zittingsdatum in eerste aanleg, na die zittingsdatum niet geïnformeerd omtrent het verdere verloop van haar zaak. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 4 december 2012 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte op 25 oktober 2012 in persoon betekend.

De verdachte is op 4 december 2012 bij verstek veroordeeld.

Tegen dit vonnis heeft verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 14 januari 2013.

Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding, zal verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het beroep op verontschuldigbare overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep, op ontoereikende gronden heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte en de raadsman hebben betoogd dat de verdachte ervan mocht uitgaan dat haar zaak zou worden aangehouden, omdat eerst nog getuigen zouden worden gehoord. Daartoe hebben zij ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte "verschillende faxen" naar de Rechtbank heeft gestuurd in verband met haar wens dat getuigen zouden worden gehoord en dat zij over de aanhouding van haar zaak nog "telefonisch contact heeft gehad met betrokkene 1".

In de overwegingen van het Hof ligt besloten dat het Hof de feiten en omstandigheden waaraan door de verdachte en de raadsman de conclusie is verbonden dat de verdachte ervan mocht uitgaan dat de behandeling van haar zaak op de in de dagvaarding genoemde zittingsdag zou worden aangehouden omdat eerst getuigen zouden worden gehoord, niet aannemelijk heeft bevonden. Dat oordeel van het Hof is gebaseerd op het ontbreken van enig aanknopingspunt voor het gestelde in de stukken van het dossier en op de omstandigheid dat de verdachte na die zittingsdag niet heeft geïnformeerd naar het verdere verloop van haar zaak, terwijl dat naar het kennelijke oordeel van het Hof in de situatie waarvan de verdachte was uitgegaan, wel in de rede had gelegen. Het Hof heeft op grond van dit een en ander kunnen oordelen dat niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. De niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door haar ingestelde hoger beroep is, mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte in dit verband is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Overwegingen van de HR over de combinatie van heling en witwassen aan de hand van de wetsgeschiedenis

Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:501

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren wegens 1 meest subsidiair schuldheling en 2 schuldwitwassen. Het hof was, anders dan de verdediging, van oordeel dat aangezien heling en witwassen niet hetzelfde belang beschermen, sprake is van een meerdaadse samenloop.

Namens verdachte heeft mr. J. Kuiper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

Beoordeling van het eerste middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1 en 2, voor zover inhoudende dat de verdachte "redelijkerwijs moest vermoeden" dat het door misdrijf verkregen goederen respectievelijk uit enig misdrijf afkomstige voorwerpen betrof, onvoldoende is gemotiveerd.

Het oordeel van het Hof dat de verdachte met betrekking tot de door hem verkochte sieraden in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling respectievelijk schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld is, in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de omstandigheden waaronder de verdachte de sieraden van de destijds 17-jarige betrokkene 5 in ontvangst heeft genomen teneinde deze voor betrokkene 5 te verkopen, toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen klagen over het oordeel van het Hof dat het onder 2 bewezenverklaarde "schuldwitwassen" oplevert.

De middelen doen daartoe een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302)

De middelen stellen daardoor tevens de vraag aan de orde in hoeverre de onder 1 bewezenverklaarde schuldheling, bestaande uit het voorhanden hebben en overdragen van door misdrijf verkregen sieraden, gevolgen heeft voor het onder 2 bewezenverklaarde schuldwitwassen, bestaande uit het voorhanden hebben en omzetten van diezelfde, uit misdrijf afkomstige sieraden.

Wat betreft het beroep op de recente rechtspraak geldt dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof over het schuldwitwassen dat zich niet een geval voordoet waarin sprake is van voorwerpen die "onmiddellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, niet onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering volgt dat een op 25 oktober 2010 gepleegde overval het misdrijf is waaruit de sieraden afkomstig zijn, en zich met betrekking tot de vraag wie die overval heeft begaan niet een van de in het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618, rov. 2.3.2 onder (i) tot en met (iii) aangeduide omstandigheden voordoet die kunnen duiden op betrokkenheid van de verdachte bij die overval.

In zoverre falen de middelen.

Wat betreft de bedoelde combinatie van heling en witwassen houdt de wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, onder meer het volgende in:

  • de memorie van toelichting:

"Sinds de herziening van de helingbepalingen in 1991 is de aandacht voor witwassen verder toegenomen. Justitie en politie hebben meer kennis gekregen van de aard en verschijningsvormen van dit fenomeen en van de mogelijke bestrijdingswijzen. Duidelijk is geworden dat het witwassen niet zozeer als een species van heling moet worden gezien als wel als een zelfstandig delict met een eigen aard, dat een aparte aanpak verdient. Het bewustzijn is toegenomen dat van manipulaties met misdaadgeld een grote bedreiging uitgaat voor de samenleving. De integriteit van het financiële en economische verkeer wordt aangetast doordat gelden met een criminele oorsprong worden «gewit» en weer een (schijnbaar) legale rol in dat verkeer kunnen gaan spelen zonder dat dit voor de bonafide deelnemers aan dat verkeer kenbaar is. Deze laatsten worden dus ongemerkt betrokken bij het handelen van criminelen. Anderen, die wel op de hoogte zijn, worden door de grote sommen geld waarom het gaat, in de verleiding gebracht om hun medewerking te verlenen aan de betrokken constructies door beschikbaarstelling van hun (financiële of juridische) expertise of door gebruikmaking van de gelegenheid die hun functie hun biedt. Hierbij kan worden gedacht aan medewerkers van financiële instellingen of ambtenaren belast met overheidstoezicht of subsidieverlening. In het uiterste geval zouden grootschalige witwashandelingen ertoe kunnen leiden dat van misdrijf afkomstig geld een machtsfactor wordt die de samenleving corrumpeert. Witwassen vormt dus een bedreiging voor de maatschappelijke orde.

Op dit punt bestaat een verschil met de klassieke heling. Heling bestaat uit het profiteren van andermans misdrijven door het overnemen en/of verhandelen van de door die misdrijven (de zogenaamde gronddelicten) verkregen goederen. Daardoor wordt bevorderd dat anderen die misdrijven (blijven) plegen. Dit zogenaamde begunstigende karakter van heling staat voorop. Ook witwassen werkt in zekere zin begunstigend ten opzichte van misdrijven zoals drugshandel en fraude. Zoals in de inleiding gezegd zouden bepaalde lucratieve vormen van criminaliteit immers niet zo aantrekkelijk zijn als de daders er niet in slaagden wegen te vinden om de opbrengsten ervan aan het zicht van de overheid te onttrekken. Primair gaat het bij het witwassen echter om de aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer en de bedreiging van de openbare orde. Dit is reden om de nieuwe strafbaarstelling niet op te nemen in de titel over begunstiging maar in een aparte titel over witwassen.

Ook in ander opzicht verschilt de klassieke heling van het witwassen. In de opvatting van de wetgever behoefde de heler voor het beheer van de grotendeels concrete en tastbare voorwerpen geen gecompliceerde handelingen te verrichten en behoefde die persoon daarbij geen hulp van of samenwerking met anderen. Dit is anders bij het witwassen. Daar blijft het zelden bij één laakbare handeling en gaat het vaak om een aantal samenhangende kunstgrepen.

Behalve overeenkomsten tussen heling en witwassen zijn er dus verschillen tussen beide delicten, in het bijzonder gelegen in de aard ervan. De twee strafbaarstellingen hebben een verschillende bestaansgrond. Dit neemt overigens niet weg dat de strafbaarstellingen van heling en witwassen, tekstueel gezien, elkaar deels overlappen. In het bijzonder de onderdelen a van de artikelen 416 en 417bis en de onderdelen b van de voorgestelde artikelen 420bis en 420quater zijn grotendeels gelijkluidend. Dit betekent dat in bepaalde gevallen zowel een van de helingbepalingen als een van de witwasbepalingen toepasbaar zal zijn. De officier van justitie kan in zo'n geval kiezen welk feit hij telastelegt (eventueel kan hij de twee feiten ook alternatief telaste leggen). Deze keuze heeft geen gevolgen voor het toepasselijke strafmaximum. Dat is namelijk voor heling en witwassen gelijk, zowel wat betreft de opzettelijke als wat betreft de culpoze varianten." (Kamerstukken II 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 5, 6)

  • de nota naar aanleiding van het verslag:

"De leden van de D66 fractie (...) vragen verder in welke gevallen zowel een van de helingbepalingen als een van de witwasbepalingen toepasbaar is. Het gaat om gevallen van witwassen die kunnen worden gekwalificeerd als het «verwerven, voorhanden hebben of overdragen» van opbrengsten uit misdrijf. In zulke gevallen zullen veelal zowel de artikelen 416, eerste lid, onder a, of 417bis, eerste lid, onder a, Sr als de voorgestelde artikelen 420bis, eerste lid, onder b, of 420quater, eerste lid, onder b, Sr van toepassing zijn. Voorbeelden hiervan zijn de koerier die wordt aangetroffen met een grote hoeveelheid vreemde valuta afkomstig uit drugshandel of de persoon die in het bezit is van een luxe motorboot betaald met crimineel geld. (...)

De aan het woord zijnde leden van de VVD-fractie vragen of zij uit de separate strafbaarstelling van het witwassen mogen afleiden dat naast de veroordeling voor bijvoorbeeld diefstal ook een veroordeling kan volgen voor witwassen? Zij noemen het voorbeeld van de fietsendief die wegrijdt op de zojuist door hem gestolen fiets en zich aldus waarschijnlijk schuldig maakt aan het «gebruik maken» - in de zin van het nieuwe artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr - van een voorwerp waarvan hij weet dat het afkomstig is uit enig misdrijf. Betekent dit dat fietsendiefstal voortaan dubbel kan worden gestraft, zo vragen deze leden. Inderdaad betekent het feit dat witwassen voortaan strafbaar is óók als het betrokken voorwerp uit eigen misdrijf (het gronddelict) afkomstig is, dat de betrokken persoon voor beide feiten vervolgd en veroordeeld zou kunnen worden: het plegen van het gronddelict en het plegen van witwassen. Dit zou in theorie ook kunnen gelden voor de opgevoerde fietsendief. Hoewel dit niet als een typisch geval van witwassen kan worden beschouwd, moet worden vastgesteld dat de internationale strafbaarstellingsverplichtingen zich naar de letter ook tot dit soort gevallen uitstrekken. Overigens is deze situatie - waarin een reeks van nauw samenhangende handelingen van één persoon verschillende strafbare feiten oplevert - in het strafrecht geenszins ongebruikelijk. Ik wijs bijvoorbeeld op de situatie in het verkeer waarin een persoon, na een ernstig ongeval te hebben veroorzaakt, doorrijdt zonder gelegenheid te hebben geboden tot vaststelling van zijn identiteit; dit zou zowel overtreding van artikel 6 als van artikel 7 Wegenverkeerswet 1994 kunnen opleveren. Dergelijke situaties leiden - mits de verschillende strafbare feiten in een en dezelfde vervolging worden telastegelegd - niet tot een verboden geval van dubbele bestraffing, zoals de aan het woord zijnde leden kennelijk vrezen. De zogenaamde samenloopbepalingen van de artikelen 55 e.v. Sr stellen immers grenzen aan de cumulatie van de op de verschillende feiten gestelde maximumstraffen." (Kamerstukken II 2000-2001, 27 159, nr. 5, p. 8-10)

Uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt dat bij de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven onder ogen is gezien dat een identiek feitencomplex op zichzelf tot de tenlastelegging en bewezenverklaring van zowel (schuld)heling als (schuld)witwassen zou kunnen leiden. Uit die wetsgeschiedenis komt voorts naar voren dat het in zo een geval op de weg van het openbaar ministerie ligt bij het opstellen van de tenlastelegging een keuze te maken tussen die heling en dat witwassen (desgewenst in de vorm van een alternatieve of een primair/subsidiaire tenlastelegging), alsmede dat de samenloopbepalingen van de art. 55 e.v. Sr grenzen stellen aan de cumulatie van de op de verschillende feiten gestelde maximumstraffen.

Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat niet is uitgesloten dat zich gevallen kunnen voordoen waarin sprake is van eendaadse samenloop (art. 55, eerste lid, Sr) van heling en witwassen van hetzelfde voorwerp. Dat de strafbaarstelling van witwassen in sterkere mate dan bij de strafbaarstelling van heling het geval is strekt ter bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer, staat daaraan niet in de weg indien het gaat om een - naar de kern genomen - identiek feitencomplex.

Afhankelijk van de omstandigheden is het voorts niet uitgesloten dat sprake is van een voortgezette handeling (art. 56, eerste lid, Sr) van heling en witwassen indien aan de gedragingen van de verdachte met betrekking tot hetzelfde voorwerp één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt.

Daarnaast kan zich in gevallen waarin sprake is van meerdaadse samenloop (art. 57, eerste lid, Sr) van heling en witwassen, de situatie voordoen waarin de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde heling moet worden aangemerkt als het misdrijf waaruit het witgewassen voorwerp onmiddellijk afkomstig is. Voor de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen geldt dan de hiervoor aangeduide rechtspraak.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaringen en de door het Hof gebezigde bewijsvoering volgt dat het bij de heling en het witwassen van de sieraden afkomstig uit een op 25 oktober 2010 gepleegde overval gaat om een uit het oogpunt van tijd, plaats, gedragingen en voorwerpen identiek feitencomplex, is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof dit helen en witwassen als meerdaadse, en niet als eendaadse samenloop heeft aangemerkt. In zoverre slagen de middelen.

Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu, gelet op de in geval van toepassing van art. 55, eerste lid, Sr respectievelijk 57, eerste lid, Sr toepasselijke strafmaxima en de in het onderhavige geval opgelegde straf bestaande uit een werkstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident is. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Cassatie in het belang der wet. Verhouding tussen zittingsrechter en RC.

Hoge Raad 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505

Deze vordering tot cassatie in het belang der wet betreft een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, Locatie Alkmaar van 19 augustus 2013 waarbij de Rechtbank bezwaarde ontvankelijk verklaarde in zijn bezwaar ex artikel 182 lid 6 Sv en het bezwaarschrift vervolgens ongegrond verklaarde.

Tegen de beschikking staat ingevolge art. 445 Sv geen gewoon beroep in cassatie open (HR 10 oktober 1978, NJ 1979, 156). Cassatie in het belang der wet is wel mogelijk (art. 78 RO in verband met art. 456 Sv). De Procureur-Generaal J.W. Fokkens heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld.

Achtergrond cassatie in het belang der wet

De reden om deze vordering in te stellen is dat er in de praktijk na de op 1 januari 2013 ingevoerde Wet versterking positie rechter-commissaris diverse onduidelijkheden bestaan over de taken en bevoegdheden van de rechter-commissaris in geval deze zijn onderzoek ex de artikelen 181 e.v. Sv nog niet heeft voltooid op het moment waarop de officier van justitie te kennen heeft gegeven tot dagvaarding over te willen gaan (art. 238 lid 2 Sv) en in geval van verwijzing ex. art. 316 Sv door de zittingsrechter. Met name bleek onzekerheid te bestaan over de vraag of na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 lid 1 Sv na een zogenaamde regiezitting voor de verdachte bezwaar openstaat tegen een afwijzende beslissing van de rechter-commissaris op een verzoek van de verdachte om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Deze vordering heeft in het bijzonder betrekking op die vraag, maar ik wil de Hoge Raad verzoeken deze te beantwoorden in de bredere context van het onderzoek door de rechter-commissaris nadat de dagvaarding is uitgebracht.

Modernisering WbSv

Opmerking verdient dat het voornemen bestaat in het kader van de door de Minister van Veiligheid en Justitie geïnitieerde Fundamentele herziening /Modernisering van het Wetboek van strafvordering ook de verhouding vooronderzoek - eindonderzoek te herzien en daarbij in het bijzonder de regeling rond de zogenoemde pro forma zitting. De planning van dit project is nu volgens de desbetreffende site van de Rijksoverheid dat de wetsvoorstellen begin 2017 naar de Raad van State zullen zijn gezonden. Dat betekent dat inwerkingtreding van deze voorstellen pas over een aantal jaren te verwachten is en dat er geen reden is van een vordering over deze kwestie af te zien omdat het onderwerp ook de aandacht van de wetgever heeft.

Inhoud van de bestreden beschikking, vraagstelling & wettelijk kader

Het gaat in dit geding om het volgende. In de zaak die heeft geleid tot de bestreden beschikking heeft de Rechtbank de zaak op de terechtzitting van 10 juni 2013 verwezen naar de Rechter-Commissaris "teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht." De verdediging heeft bij de Rechter-Commissaris diverse verzoeken ingediend om onderzoekshandelingen te verrichten. Bij beschikking van 1 augustus 2013 heeft de Rechter-Commissaris deze verzoeken gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Tegen de afwijzing heeft de raadsvrouwe namens de verdachte op 7 augustus 2013 een bezwaarschrift ingediend. De Rechtbank heeft de verdachte bij beschikking van 19 augustus 2013 in zijn bezwaarschrift ontvankelijk verklaard.

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De rechtbank overweegt ambtshalve dat bezwaarde in zijn bezwaarschrift kan worden ontvangen op grond van de volgende overwegingen.

Ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013 heeft de rechtbank de zaak - open - verwezen naar de rechter-commissaris teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht. De rechtbank heeft daarmee aangegeven dat de rechter-commissaris beslissingsbevoegdheid toekomt om binnen de wettelijke en de door de rechtbank vermelde (in casu geen bijzondere) grenzen bepaalde onderzoeken uit te voeren, zulks ter beoordeling door de rechter-commissaris. Voor zover de rechter-commissaris in dat kader bepaalde beslissingen neemt waarmee de verdediging zich niet kan verenigen, komt de vraag aan de orde of daartegen een rechtsmiddel bij de raadkamer van de rechtbank openstaat of dat de beslissing bij de verwijzende zittingsrechter dient te blijven.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat bezwaarde tegen deze tussentijdse beslissing van de rechter-commissaris een bezwaarschrift kan indienen bij (de raadkamer van) de rechtbank. Het enkele feit dat in artikel 316, lid 3 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de eerste afdeling van de Derde Titel van dit wetboek niet is vermeld, maakt dat niet anders. In bedoelde afdeling is aan de verdachte het recht toegekend een bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten (artikelen 182, lid 6 en 183, lid 3 Sv). Laatstgenoemde artikelen hebben betrekking op het vóóronderzoek (voorheen gerechtelijk vooronderzoek) als er van (een voornemen tot) dagvaarden, laat staan een zittingsrechter, nog geen sprake is. In die zin is het begrijpelijk dat de eerste afdeling van de Derde Titel niet in artikel 316, lid 3, Sv is opgenomen: van vooronderzoek in evenbedoelde zin kan immers in de situatie van artikel 316 Sv geen sprake meer zijn. Het wegvallen van de bij dit wetboek bepaalde mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen staat in het onderhavige geval echter niet in de weg aan de ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift.

In de thans aan de orde zijnde zaak, waarin een open verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, heeft de zittingsrechter aan de rechter-commissaris opdracht gegeven om nader vooronderzoek te verrichten dat feitelijk nauwelijks verschilt van een vooronderzoek vóór dagvaarding, mede gelet op de toepasselijkverklaring van tal van bepalingen betreffende de uitvoering van het vooronderzoek in artikel 316 Sv. Als onder deze omstandigheden door de zittingsrechter de voortzetting van het vooronderzoek (weer) aan de rechter-commissaris wordt overgelaten, staat een redelijke wetstoepassing er niet aan in de weg dat de verdediging de bevoegdheid wordt gegeven om een bezwaarschrift in te dienen tegen bepaalde beslissingen van de rechter-commissaris op gelijke wijze als bij het vooronderzoek vóór dagvaarding. Het tegendeel komt de rechtbank onredelijk voor ten opzichte van de verdediging. Op de voet van de artikelen 445 en 446 Sv zou de verdediging bijvoorbeeld na een regiezitting, waarin vorderingen respectievelijk verzoeken van de officier van justitie en de verdediging aan de orde kunnen komen, géén beroep tegen beschikkingen van de rechter-commissaris bij de rechtbank kunnen instellen (artikel 445 Sv) en de officier van justitie wèl (artikel 446 Sv). Dit klemt te meer nu artikel 185 Sv (over de regiezitting) zowel van toepassing is op de situatie vóór als ná dagvaarding. Een en ander nog los van de onpraktische gevolgen waarbij in het bijzonder valt te denken aan vertraging van het strafproces, onder meer bestaande uit extra regiezittingen, welk gevolg de wetgever nu juist door de nieuwe wetgeving wil voorkomen. De in de wet verankerde afbakening van de regiefunctie tussen de zittingsrechter en de rechter-commissaris blijft bij dit alles overigens altijd en geheel in handen van de uiteindelijk verantwoordelijke zittingsrechter. Deze immers bepaalt of en op welke wijze zaken naar de rechter-commissaris worden verwezen. Dat kan open gebeuren, zoals in het onderhavige geval, of beperkt, in welk geval bezwaarschriften tegen beslissingen van de rechter-commissaris minder voor de hand liggen.

Gelet op al het voorgaande en gelet op het feit dat het bezwaarschrift binnen veertien dagen na het nemen van de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris is ingediend, is bezwaarde ontvankelijk in zijn bezwaarschrift."

Voor de beoordeling van de vordering zijn de volgende wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van belang:

  • art. 181 Sv
  • art. 182 Sv
  • art. 183 Sv
  • art. 185 Sv
  • art. 237 Sv
  • art. 238 Sv
  • art. 316 Sv
  • art. 446, eerste lid, Sv

De Procureur-Generaal heeft in zijn vordering gewezen op de volgende drie vragen die in het bijzonder beantwoording zouden behoeven.

  1. In hoeverre is de rechter-commissaris nog bevoegd onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op vorderingen of verzoeken om nader onderzoek indien de verdachte is gedagvaard?
  2. Kunnen de officier van justitie en de verdachte na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 Sv op grond van art. 185 Sv de in art. 181 Sv en 183 Sv bedoelde vorderingen respectievelijk verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen doen?
  3. Staat een rechtsmiddel open tegen afwijzende beslissingen die de rechter-commissaris na dagvaarding of na verwijzing neemt op wensen tot het verrichten van onderzoekshandelingen?

Opgeworpen vragen

Bevoegdheid rechter-commissaris tot voortzetting onderzoek na dagvaarding?

Ter beantwoording staat in de eerste plaats de vraag of de rechter-commissaris bevoegd is nog onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op verzoeken of vorderingen om nader onderzoek in het geval dat de officier van justitie de rechter-commissaris op de voet van art. 238, tweede lid, Sv in kennis heeft gesteld dat tot dagvaarding van de verdachte zal worden overgegaan.

Het volgende moet worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting neemt een aanvang door het doen uitroepen van de zaak door de voorzitter (art. 270 Sv). Dat brengt mee dat vanaf dat moment de zaak in handen is van de zittingsrechter, dat de zaak niet meer bij hem weggehaald kan worden en dat het de zittingsrechter is die de regie heeft over de behandeling van de zaak. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is het de zittingsrechter die op de voet van art. 316 Sv moet beslissen of enig (nader) onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is.

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld en mede in aanmerking genomen het in de geschiedenis van zijn totstandkoming tot uitdrukking gebrachte streven om het onderzoek van de rechter-commissaris zoveel mogelijk afgerond te doen zijn voordat de zaak op de terechtzitting komt, brengt een redelijke uitleg van art. 238, tweede lid, Sv het volgende mee.

Na de kennisgeving van de officier van justitie dat tot dagvaarding zal worden overgegaan is de rechter-commissaris bevoegd tot voortzetting van zijn op grond van art. 181 – 183 Sv reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken als bedoeld in art. 181 en 183 Sv om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats.

Dientengevolge staat tegen afwijzing door de rechter-commissaris van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek voor de verdachte geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv open en voor de officier van justitie geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv.

Vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris tot onderzoekshandelingen na verwijzing?

De tweede opgeworpen vraag is of na verwijzing uit hoofde van art. 316 Sv door de zittingsrechter naar de rechter-commissaris de toepasselijkheid van art. 185, tweede lid, Sv op het onderzoek van de rechter-commissaris impliceert dat de officier van justitie kan vorderen (art. 181, eerste lid, Sv) en de verdachte kan verzoeken (art. 183, eerste lid, Sv) dat de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht.

Art. 181 en art. 183 Sv zijn krachtens het derde lid van art. 316 Sv niet van overeenkomstige toepassing op het onderzoek door de rechter-commissaris na verwijzing. Voor vorderingen van de officier van justitie of verzoeken van de verdachte als in die bepalingen bedoeld is na verwijzing op de voet van art. 316 Sv dan ook geen plaats. Aan de in het tweede lid van (het wel van overeenkomstige toepassing verklaarde) art. 185 Sv geformuleerde bevoegdheid van de rechter-commissaris een regiebijeenkomst te beleggen, kan dan ook niet worden ontleend dat de bedoelde vorderingen of verzoeken toch kunnen worden gedaan.

Beroep of bezwaar tegen beslissingen van de rechter-commissaris na dagvaarding of verwijzing?

Zoals hiervoor is overwogen, is na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing op de voet van art. 316 Sv geen plaats voor vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 181 Sv en art. 183 Sv. Dat brengt mee dat tegen een in die fase door de rechter-commissaris gegeven afwijzing van aan hem door de officier van justitie of de verdachte kenbaar gemaakte onderzoekswensen geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv openstaat, respectievelijk geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv kan worden ingediend. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan de sturende positie van de zittingsrechter en nodeloze complicaties kunnen veroorzaken.

Beoordeling van het middel

Het middel bevat de klacht dat de raadkamer ten onrechte heeft geoordeeld dat de bezwaarde ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking van de Rechter-Commissaris.

Het middel slaagt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^