Profijtontneming & Overschrijding redelijke termijn

Hoge Raad 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2849

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 9 september 2013 aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 86.100 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat in een ontnemingszaak als de onderhavige, waarin de redelijke termijn is overschreden, de enkele con- statering van die overschrijding het passende rechtsgevolg is van die overschrijding.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 en waarnaar is verwezen in HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR: 2014:296, NJ 2014/135 is het middel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 86.100,–. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting, overeenkomstig het in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 weergegeven uit- gangspunt dat de vermindering van de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken in beginsel niet meer bedraagt dan € 5.000,–, verminderen met € 5.000,–.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG Vegter over artikel 69 AWR & "kwaliteit"

Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2784

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 9 juli 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden ter zake van 1.) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en 2.) valsheid in geschrift.

Mr. E.M.G. van Nuenen, advocaat te Breda, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad verwerpt het beroep op grond van artikel 81 RO.

Eerste Middel

Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat verdachte als pleger van het onder 1 tenlastegelegde kan worden beschouwd, althans dat het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, is gekwalificeerd als overtreding van art. 69, tweede lid AWR.

AG Vegter

De klacht is allereerst gestoeld op de stelling dat artikel 69 van de AWR een (impliciet) kwaliteitsdelict is. Het middel berust kennelijk op de veronderstelling dat daaruit voor de motivering van de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing in het algemeen nadere vereisten voortvloeien. Vereist wordt dat de kwaliteit van verdachte als belastingplichtige uit de bewijsmiddelen moet volgen dan wel dat de kwalificatiebeslissing op dit punt motivering behoeft. De zojuist vermelde stelling wordt in de schriftuur onderbouwd. Dat brengt echter geen strenge nadere eisen met zich. De Hoge Raad overwoog eerder: ”Immers, ook een onverplicht gedane aangifte, zoals een aangifte die is gedaan door middel van een zogenoemd T-biljet of een daarmee vergelijkbare, langs elektronische weg gedane aangifte, heeft te gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR.“ Aangifte doen heeft dus kennelijk onder omstandigheden reeds te gelden als aangifte doen als belastingplichtige in de zin van de wet.

De vereisten die in de schriftuur liggen besloten vinden geen steun in het recht. Alleen voor het bewijs van bestanddelen van de tenlastelegging geldt immers dat deze moeten worden belegd met enig bewijsmiddel. In de bewezenverklaring is niet vermeld dat verdachte de belastingplichtige is en dat hoeft dus ook niet te worden bewezen. Nadere motivering is evenmin in het kader van de kwalificatiebeslissing noodzakelijk, omdat de wettelijke kwalificatie niet de kwaliteit van belastingplichtige bevat. De AG begrijpt ook meer in het algemeen niet goed wat het stellen van dergelijke eisen voor zin heeft ingeval de belastingdienst zich richt tot een burger, omdat de belastingdienst deze burger als belastingplichtige beschouwt en die burger vervolgens aangifte doet. Indien in een dergelijk geval door de aangeslagene noch tegenover de belastingdienst noch (in vervolg daarop) tegenover de feitenrechter wordt betoogd dat de kwaliteit van belastingplichtige ontbreekt, mag er vanuit worden uitgegaan dat die kwaliteit aanwezig is. Nadere motivering inzake de kwaliteit van belastingplichtige is alleen vereist indien die kwaliteit ten overstaan van de feitenrechter uitdrukkelijk en onderbouwd wordt betwist. Bij de omzetbelasting lijkt het Vegter niet principieel anders te liggen dan bij de inkomstenbelastingbelasting. Verdachte die een aangiftebiljet invult om omzetbelasting terug te ontvangen gedraagt zich daarmee als belastingplichtige.

De steller van het middel wijst er op dat is bewezenverklaard dat het een aangifte ten name van betrokkene betreft, dat zulks ook naar voren komt uit de bewijsmiddelen 1 en 15 en dat uit die bewijsmiddelen tevens blijkt dat die betrokkene eigenaar is van een eenmanszaak met de naam A. Onbegrijpelijk maakt dat echter de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing niet, omdat zowel door de fiscus als door het Hof door die kennelijk louter papieren werkelijkheid is heengekeken. Immers bewijsmiddel 15 houdt voorts nog als verklaring van verdachte in: “[betrokkene] was op papier de eigenaar, maar ik runde eigenlijk de zaak. Ik verzorgde de administratie van [A], die bestond uit inkomende en uitgaande facturen, kostenbonnen, urenlijsten en dergelijk. Ik maakte de facturen, alle binnenkomende post werd door mij behandeld.”

Tweede middel

Het tweede middel komt op tegen de motivering van het in het kader van het eerste feit bewezenverklaarde opzet. De klacht is dat het verweer dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het onjuist doen van belastingaangifte(n) ontoereikend gemotiveerd is verworpen, althans dat de bewezenverklaring van opzet onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

Het Hof heeft het bedoelde verweer strekkende tot vrijspraak in verband met het ontbreken van opzet als volgt samengevat en verworpen:

“C.1 Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde, omdat er onvoldoende bewijs is dat de aangiften opzettelijk onjuist zijn gedaan. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven - dat de omstandigheid dat verdachte denkfouten heeft gemaakt waardoor hij onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan, onvoldoende bewijs oplevert om opzet te kunnen bewijzen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2. Het hof stelt voorop dat het doen van aangiftes voor de omzetbelasting de nodige kennis vraagt, gelet in het bijzonder op de complexiteit van de regelgeving. Om die reden wordt het doen van aangiftes voor de omzetbelasting door bedrijven veelal uitbesteed. Naar het oordeel van het hof mag dan ook van een ondernemer die zelf de aangiftes voor de omzetbelasting doet, worden verlangd dat hij zich goed en terdege laat informeren over de juiste wijze van invullen van de aangifte voor de omzetbelasting.

C. 3 Verdachte heeft blijkens de inhoud van bewijsmiddel 16 tegenover de verbalisanten verklaard dat hij de aangiftes gewoon had geschat. 'Het is allemaal wel een heel globale schatting. Ik kon dat niet staven aan de hand van de administratie omdat deze niet bij was.' Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard over de wijze waarop hij de aangiftes voor de omzetbelasting heeft gedaan, dat hem dat 'zo is uitgelegd'. Gelet op deze vage bewoordingen is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte zich goed en terdege heeft laten informeren over de juiste wijze van invullen van de aangifte voor de omzetbelasting.

Door zulks na te laten en te volstaan met een globale schatting heeft verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangiftes voor de omzetbelasting onjuist zou doen.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.”

AG Vegter

Blijkens de toelichting op het middel heeft het Hof de juiste maatstaf voor opzet gehanteerd, maar "is de vervolgens door het Hof getrokken conclusie (te weten dat rekwirant de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangifte voor de omzetbelasting onjuist zou doen) niet te verenigen met de door het Hof voor het bewijs gebezigde onderdelen van de verklaringen van rekwirant voor zover inhoudende hetgeen hierboven is weergegeven.” Voorop gesteld moet worden dat de bewijsoverweging van het Hof echter niet alleen op zich zelf kan en moet gelezen worden, maar in de context van de overige bewijsmiddelen.

In de bewijsoverweging wordt de als bewijsmiddel 16 gebezigde verklaring van verdachte geciteerd dat de schatting waarop verdachte de aangifte baseerde, wel heel globaal was. Die omstandigheid komt ook in de laatste zin van de bewijsoverweging weer naar voren als de (naar het oordeel van de AG) centrale bouwsteen voor voorwaardelijk opzet. Uit bewijsmiddel 3 (analyse van de administratie) valt af te leiden dat die zeer globale schatting nauwelijks iets met de werkelijkheid te maken had. In dit bewijsmiddel is te lezen dat het verschil tussen de werkelijkheid en de fictie(ve schatting) zich zo ongeveer verhoudt als 1:10. Volgens verdachte kon hij zijn globale schatting niet staven aan de hand van administratie. Uit bewijsmiddel 5 blijkt dat de administratie die ten behoeve van het fiscale boekenonderzoek dat werd overgelegd negen verkoopfacturen van A aan B (bewijsmiddelen 6 t/m 14) bevatte tot een factuurbedrag van in totaal meer dan 250 duizend euro en een BTW bedrag van globaal ergens tussen 40 en 50 duizend euro. Voor het bewijs is verder gebruikt de verklaring van verdachte dat hij binnen het A zorgde voor de facturen, dat van de negen facturen niets klopt (bewijsmiddel 15) en dat er nooit werkzaamheden voor B zijn verricht (bewijsmiddel 17). Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat een belangrijk deel van de te veel terug ontvangen belasting (totaal meer dan 73 duizend euro) voor zeer aanzienlijk meer dan de helft is terug te voeren tot de door verdachte zelf opgemaakte fictieve facturen. Uit deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang kon het Hof de opzet op het doen van een onjuiste aangifte afleiden.

De steller van het middel kwalificeert hetgeen in feitelijke aanleg omtrent opzet is aangevoerd als een verweer. Het is hem ongetwijfeld bekend dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de rechter niet gehouden is op een bewijsverweer te reageren. In deze zaak wordt de juistheid daarvan ook weer eens geïllustreerd. Weerlegging van het opzetverweer is op zich zelf niet nodig, omdat dat ‘verweer’ wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Uitzondering op deze regel is (in hoofdzaak) het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In de schriftuur wordt het ‘opzetverweer’ terecht niet zo gekwalificeerd.

Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, wordt het opzet in de onderhavige zaak niet alleen of in overwegende mate gestoeld op de omstandigheid dat verdachte zich niet heeft geïnformeerd over de wijze van aangifte doen. Het is kennelijk slechts een factor die in aanmerking is genomen en meer ook niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Dat het Hof uit de verklaring van verdachte dat het ‘hem zo is uitgelegd’ gelet op de vaagheid in het licht van kennelijk specifieke vragen afleidt dat hij zich niet heeft geïnformeerd, is niet onbegrijpelijk en voor het overige ook sterk verweven met de feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Gebruik van bij politie afgelegde, nadien bij de R-C of ttz. ingetrokken, getuigenverklaringen & verplichting tot oproeping betreffende getuige. HR ziet in ‘voortbouwend appel’ aanleiding de regels wat betreft de appelfase te nuanceren.

Hoge Raad 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2755

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft verdachte op 8 juli 2013 voor poging tot zware mishandeling, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Tevens heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en gelast dat het deel van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling nog niet ten uitvoer was gelegd, te weten 487 dagen, alsnog moet worden ondergaan.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "hij op 18 oktober 2012 te Nieuwegein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer] eenmaal (met kracht) met zijn vuist tegen het gezicht en/of de rechteroogkas van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond is gevallen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 40-41 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten: Op 18 oktober 2012 omstreeks 17.02 uur kregen wij verbalisanten de melding te gaan naar de Zonnestudio op de [a-straat] te Nieuwegein. Er zou daar een vrouw zijn geslagen door een ex vriend. Omstreeks 17.05 waren wij ter plaatse. Wij zagen dat de genoemde vrouw een hoofdwond had net boven haar rechteroog. Wij zagen dat deze wond aan het bloeden was. De vrouw gaf op te zijn [slachtoffer]. Wij hoorden haar in het kort verklaren:

  • dat ze met een vriendin naar de zonnestudio was gegaan
  • dat ze bij het aankleden iemand op de deur hoorde kloppen
  • dat ze de deur opendeed en dat haar ex naar binnen liep
  • dat ze zag dat hij boos was en steeds bozer werd
  • dat ze op een gegeven moment een harde klap kreeg, met vermoedelijk zijn vuist en dat ze hierdoor op de grond viel
  • dat ze gelijk voelde dat ze begon te bloeden
  • dat ze bij het opstaan zag dat haar ex inmiddels was verdwenen
  • dat ze hier absoluut geen aangifte wilde doen omdat ze bang was voor de gevolgen van een aangifte
  • dat haar ex [verdachte] zou heten.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 45 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant: Op 19 oktober 2012 heb ik gebeld met [slachtoffer]. [slachtoffer] vertelde het volgende:

  • dat zij met een vriendin in een zonnestudio in Nieuwegein was
  • dat haar ex-vriend [verdachte] ineens binnen was gekomen en haar in haar gezicht had geslagen waardoor zij een snee boven haar oog had
  • dat in het ziekenhuis was gebleken dat ze een gebroken oogkas had door de mishandeling
  • dat zij bang was dat [verdachte] haar wat aan zou doen als ze aangifte tegen [verdachte] zou doen.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een verslag CT van M.J.L. Descamps, radioloog (als bijlage op pagina 52 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende zakelijk weergegeven: Vraagstelling en/of klinische informatie: status na vuistslag op rechteroogkas waarna val op achterhoofd met bewustzijnsverlies. Conclusie: er is een fractuur van de rechter orbitabodem.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 71-72 van het proces-verbaal genummerd 2012232897) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige]: Op 18 oktober 2012 zat ik op de bank in de zonnestudio op de [a-straat] in Nieuwegein. Ik hoorde een luid gegil komen uit hokje 2 of 3. Ik zag dat de deur open ging en dat er een hele brede man uit dit hokje kwam lopen. Achter deze man zag ik op de grond een vrouw liggen. Ik zag dat ze bloedde aan de rechterzijkant van haar gezicht. Ik zag op de grond naast haar hoofd bloed liggen. Ik zag dat ze een wond had boven haar rechteroog. Toen wij op de politie zaten te wachten vertelde de vrouw aan ons dat haar man boos was omdat ze iets heeft weg laten halen. Ze vertelde dat hij haar net had geslagen.

5. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 24 juni 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: U vraagt mij waar wij op 18 oktober 2012 ruzie over hadden. [slachtoffer] en ik hadden sowieso al ruzie, zij belde mij om het goed te maken. Ik ben daarom naar de zonnestudio gegaan."

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. [slachtoffer] heeft op 18 en 19 oktober 2012 tegenover de politie verklaard dat zij door haar ex-vriend [verdachte] in haar gezicht was geslagen. [slachtoffer] durfde uit angst voor de gevolgen geen aangifte te doen. [slachtoffer] heeft haar verklaring later bij de rechter-commissaris gewijzigd. [slachtoffer] zou zijn uitgegleden en ten val zijn gekomen bij het duwen en trekken om een mobiele telefoon in handen te krijgen. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer], afgelegd op 18 en 19 oktober 2012 (opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen) geloofwaardiger dan haar latere verklaring bij de rechter-commissaris. Het hof acht deze eerste verklaringen geloofwaardiger, mede omdat haar latere verklaring is afgelegd toen het contact tussen verdachte en [slachtoffer] weer was hersteld. De eerste verklaringen van [slachtoffer] passen bovendien bij het geconstateerde letsel. Het hof acht op grond van die eerste verklaring van [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een poging heeft gedaan om aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door haar met zijn vuist tegen het gezicht (oogkas) te slaan."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen van het slachtoffer (bewijsmiddelen 1 en 2) voor het bewijs heeft gebezigd.

Beoordeling Hoge Raad

In zijn arrest van 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB7528, NJ 1994/427, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

  1. (Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het tenlastegelegde feit door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient op te roepen dan wel dat de rechter zodanige oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voor zover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
  2. Dit zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal, inhoudend een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

Nadien is op 1 maart 2007 de Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de tenlastelegging (Wet stroomlijnen hoger beroep) in werking getreden. Die wet strekt ter invoering van een zogenoemd voortbouwend appel. Dit is in art. 415, tweede lid, Sv aldus verwoord: "Het gerechtshof richt het onderzoek ter terechtzitting op de bezwaren die door de verdachte en het openbaar ministerie worden ingebracht tegen het vonnis, in eerste aanleg gewezen, en op hetgeen overigens nodig is."

Aan het voortbouwend appel ligt onder meer de gedachte ten grondslag dat, hoewel de behandeling van de zaak in hoger beroep in beginsel als een nieuwe behandeling van de zaak moet worden aangemerkt, de appelrechter nochtans de bevoegdheid wordt geboden de behandeling van de zaak te concentreren op de geschilpunten die door de procesdeelnemers zijn kenbaar gemaakt, bijvoorbeeld door middel van de appelschriftuur als bedoeld in art. 410 Sv, en dat hij aan onbestreden onderdelen van het vonnis in eerste aanleg in beginsel geen aandacht behoeft te besteden mits hij deze onderdelen niet uit hoofde van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste beoordeling van de vragen van de art. 348 en 350 Sv aan de orde wil stellen.

In de omstandigheid dat in verband met de Wet stroomlijnen hoger beroep een strafzaak - in daarvoor in aanmerking komende gevallen - in hoger beroep niet in volle omvang ter terechtzitting behandeld behoeft te worden, ziet de Hoge Raad thans aanleiding zijn eerdere rechtspraak, zoals hiervoor weergegeven, wat betreft de appelfase te nuanceren. Met een 'voortbouwend appel' valt immers niet goed te verenigen dat de rechter in hoger beroep steeds ambtshalve ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moet oproepen de persoon wiens in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring welke tijdens een verhoor door de rechter-commissaris of tijdens de terechtzitting in eerste aanleg is ingetrokken, het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen. Het ligt bij een voortbouwend appel in de rede dat het aan de procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord.

Het Hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer, nadat zij ten overstaan van de politie de in het middel bedoelde verklaringen had afgelegd, door de Rechter-Commissaris is gehoord en ten overstaan van deze die eerder afgelegde verklaringen heeft gewijzigd en een op essentiële punten de verdachte ontlastende, nadere verklaring heeft afgelegd.

Hoewel, gelet op de verklaring van getuige (bewijsmiddel 4), zich hier niet de situatie voordoet dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van het slachtoffer de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen, moet de onderhavige zaak niettemin met zodanige situatie op één lijn worden gesteld. De onderhavige zaak wordt immers gekenmerkt door de bijzondere omstandigheid dat de verklaring van getuige omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit uitsluitend is gebaseerd op hetgeen het slachtoffer haar heeft medegedeeld, terwijl het slachtoffer kort daarop bij de politie haar - nadien ingetrokken - verklaring omtrent die betrokkenheid heeft afgelegd.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen en ook zijn raadsvrouwe aanwezig was. Het proces-verbaal houdt niet in dat aldaar door of namens de verdachte is verzocht het slachtoffer als getuige op te roepen met het oog op het tenlastegelegde, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een zodanig verzoek niet is gedaan. Evenmin heeft het Hof ambtshalve de oproeping van het slachtoffer als getuige ter terechtzitting bevolen. Het oordeel van het Hof dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van het slachtoffer voor het bewijs van het tenlastegelegde kunnen worden gebruikt, getuigt - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: schatting voordeel & wettige bewijsmiddelen

Hoge Raad 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2751

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 23 maart 2012 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 923.250,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat.

Middel

Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

Beoordeling Hoge Raad

De bestreden uitspraak houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in:

"Het in de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak door het hof bewezen verklaarde houdt in dat de veroordeelde:

in de periode 19 augustus 2002 tot en met 11 oktober 2004 in Nederland en Luxemburg, tezamen en in vereniging met anderen, 470.000 euro en 453.250 euro (totaal 923.250 euro), voorhanden had terwijl hij wist dat dat geld – onmiddellijk - afkomstig was van enig misdrijf.

Het hof heeft het bewezen verklaarde vervolgens gekwalificeerd als het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Voorts heeft het hof in de strafzaak nader overwogen - samengevat weergegeven - dat de vraag of voornoemde bedragen uit enig misdrijf zijn verkregen geen bespreking behoeft aangezien de verdachte ter terechtzitting verklaard had dat het om niet gefiscaliseerd geld ging, en de Hoge Raad heeft bepaald dat niet gefiscaliseerd geld een witwasmisdrijf kan opleveren.

Gelet op het aan de vordering ten grondslag liggende 'Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e, 2e lid Sr.' van 9 oktober 2009, begrijpt het hof dat de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie strekt tot het ontnemen van de in de bewezenverklaring genoemde twee geldbedragen.

Met hetgeen daartoe, als hiervoor vermeld, door het hof in de strafzaak is overwogen, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de geldbedragen groot € 470.000,00 en € 453.250,00 heeft witgewassen door deze niet aan de fiscus op te geven. Daaraan kan, anders dan door de raadsman is betoogd, naar het oordeel van het hof niet de conclusie worden verbonden dat het grondfeit voor de ontnemingsvordering enkel het niet opgeven van die bedragen aan de fiscus betreft, en evenmin dat de veroordeelde slechts die gedeelten van deze bedragen heeft witgewassen die ten onrechte niet aan de fiscus zijn afgedragen. Dit laatste verhoudt zich ook niet met hetgeen door het hof bewezen is verklaard, namelijk dat de veroordeelde de gehele geldbedragen heeft witgewassen. Als grondfeit voor de ontnemingsvordering wordt door het hof aangemerkt het feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld, te weten het witwassen van de bewezen verklaarde geldbedragen. Voorts is het hof van oordeel dat het wederrechtelijk voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen uit dat feit, bestaat uit die geldbedragen. Dat deze bedragen voordat zij aan het oog van de fiscus werden onttrokken mogelijk een legale herkomst hadden - hetgeen overigens geenszins aannemelijk is geworden - maakt dit niet anders.

Bij deze vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof geen rekening houden met door de fiscus over dit voordeel opgelegde naheffingsaanslagen nu het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1998 (NJ 1998, 499) van oordeel is dat hiervoor geen ruimte is. In voornoemd arrest overwoog de Hoge Raad - voor zover thans van belang -:

"(...) het fiscale mechanisme dat, voorzover belasting verschuldigd is over wederrechtelijk verkregen voordeel, die belastingheffing weer wordt ongedaan gemaakt indien en voor zover dat voordeel weer wordt ontnomen, (hof: leidt) naar het oordeel van de wetgever zowel in strafrechtelijke als fiscaalrechtelijke zin tot een evenwichtig resultaat, terwijl daarentegen een rekening houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting bij de bepaling van het te ontnemen voordeel naar het oordeel van de minister tot een onevenwichtig en onbedoeld resultaat zou leiden. De keuze voor vorenomschreven fiscaal systeem brengt volgens de wetgever mee dat de strafrechter bij de bepaling van het aan voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing."

Voorts staat naar het oordeel van het hof het una-via beginsel in het onderhavige geval niet aan een ontnemingsvordering in de weg. De door de fiscus opgelegde vergrijpboetes zijn opgelegd ter zake van - kort gezegd - belastingdelicten. Dat betreffen andere feiten (in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht) dan het feit waarvoor de verdachte in de onderliggende strafzaak is veroordeeld en, zoals hiervoor door het hof vastgesteld, ten grondslag ligt aan de ontnemingsvordering - te weten witwassen. Reeds om die reden, gelet op het bepaalde in artikel 69a (oud) AWR (tot 1 juli 2009) en in artikel 243 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (inwerkingtreding 1 juli 2009), slaagt een beroep op dit beginsel niet.

Het hof is, resumerend, van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 923.250,00 (€ 470.000,00 + € 453.250,00) heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit ter zake waarvan hij bij arrest van 8 februari 2010 is veroordeeld. Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen."

De aanvulling op de verkorte uitspraak als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt het volgende in:

"Het bewijsmiddel

Het in het verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 februari 2010, gewezen in de strafzaak tegen de veroordeelde met parketnummer 23-000197-08, ten laste van de veroordeelde bewezen verklaarde te weten dat: hij in de periode 19 augustus 2002 tot en met 11 oktober 2004 in Nederland en Luxemburg, tezamen en in vereniging met anderen, 470.000 euro en 453.250 euro (totaal 923.250 euro), voorhanden had terwijl hij wist dat dat geld – onmiddellijk - afkomstig was van enig misdrijf."

Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen (vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087). De bestreden uitspraak – waarin in de kern niet meer wordt overwogen dan dat de betrokkene in "de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak" is veroordeeld ter zake van het medeplegen van witwassen van in totaal € 923.250,- en dat het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel op dat bedrag wordt geschat – voldoet niet aan dit vereiste.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledig uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU

Hoge Raad 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2673

Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 februari 2012 de verdachte ter zake van medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

Middel

Het middel klaagt over 's Hofs afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 18 augustus 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk een of meer hoeveelheden Stanozolol en Oxybolone en Zymoplex en Primobolan Depot en Winstrol Depot, in elk geval ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten heeft ingevoerd in Nederland."

Het bestreden arrest houdt omtrent het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:

"Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2012 heeft de verdediging - overeenkomstig de in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - het eerder op 12 februari 2010 ingenomen standpunt gehandhaafd dat artikel 3, vierde lid onder a van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: WOG) in strijd is met artikel 28 en 30 van het EG Verdrag en voorts dat het niet de Nederlandse rechter is die bevoegd is om een uitspraak te doen over de uitleg van de Nederlandse wetsbepaling in het licht van de Europese regelgeving. Deze kwestie is voorbehouden aan de Europese rechter in het kader van een prejudiciële vraag daarover.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 267 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) een nationale 'rechterlijke instantie' het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing kan vragen indien deze instantie zo'n beslissing 'noodzakelijk' acht voor het wijzen van haar vonnis. Dit is anders, gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Foto-Frost (HvJ 22 oktober 1987 zaak 314/85), indien een rechterlijke instantie een gemeenschapshandeling ongeldig acht en die handeling om die reden buiten toepassing wil verklaren. De rechterlijke instantie is in dat geval verplicht daarover een prejudiciële vraag te stellen. Voorts geldt een verwijzingsplicht ingevolge artikel 267, derde alinea, VWEU, in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hogere voorziening en beantwoording van de vraag noodzakelijk is voor de beslechting van het geding.

Zoals reeds overwogen ter terechtzitting van 25 juni 2010 acht het hof het vragen om een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie ter zake van - kort gezegd de strafbaarstelling van de invoer van anabolen in Nederland - niet noodzakelijk voor het wijzen van 's hofs arrest.

Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat het hiertoe evenmin verplicht is.

Het hof stelt voorop dat artikel 3, vierde lid onder a WOG zakelijk weergegeven een verbod inhoudt tot bereiden, verkopen, afleveren, invoeren of verhandelen van ongeregistreerde geneesmiddelen. Dit voorschrift is een nationale maatregel die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Dit verbod is gelijkelijk van toepassing en geldt, zonder onderscheid, voor geneesmiddelen uit binnen- en buitenland. Gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Dassonville (HvJ 20 februari 1979 zaak 120/78) is een dergelijke (potentiële) belemmering toegestaan indien deze gerechtvaardigd en proportioneel is. Blijkens de memorie van toelichting zal genoemde wet slechts regelend optreden voor zover de belangen van de volksgezondheid dit noodzakelijk maken.

Artikel 3 WOG regelt een registratieplicht voor – kort gezegd – industrieel bereide geneesmiddelen. Registratie vindt slechts plaats na een beoordeling op de nationale vereisten van veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit. Pas als een geneesmiddel is geregistreerd, mag het worden verhandeld. Bij een dergelijke regeling past een verbod als opgenomen in het vierde lid van artikel 3 WOG, nu zonder een dergelijk verbod het risico bestaat dat middelen op de markt komen, waarvan niet is vastgesteld of deze veilig zijn.

Gelet op voorgaande is genoemde wet gericht op de bescherming van de gezondheid en het leven van personen in de zin van artikel 30 van het EG-verdrag. Het voorschrift dat een verbod inhoudt van invoer van ongeregistreerde geneesmiddelen, kan naar zijn inhoud, in samenhang met de andere voorschriften terzake, derhalve dienen tot het bereiken van het beoogde resultaat, te weten de bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Niet aannemelijk is geworden dat een minder verstrekkend stelsel van voorschriften voldoende zou bijdragen aan het beoogde doel. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het voorschrift, in samenhang met andere voorschriften terzake, gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Niet aannemelijk is geworden dat het voorschrift op zich, dan wel in samenhang met andere voorschriften voor geneesmiddelen, aan te merken zou zijn als een middel tot willekeurige discriminatie of als een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten.

Het hof is op grond van bovenstaande van oordeel dat artikel 28 van het EG-verdrag niet aan de toepassing van artikel 3, vierde lid onder a WOG in de weg staat en dat de betreffende regelgeving de toets aan artikel 30 van het EG-verdrag doorstaat. Het hof acht het stellen van prejudiciële vragen terzake niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing.

Daaraan doet niet af dat, naar de verdediging stelt, de in de tenlastelegging genoemde geneesmiddelen naar Grieks en Spaans recht geregistreerde geneesmiddelen zijn."

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

  • art. 3, vierde lid aanhef en onder a, Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zoals dat luidde ten tijde van het tenlastegelegde: "Het is verboden: a. ongeregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, dan wel geregistreerde farmaceutische specialités en farmaceutische preparaten, waarvan de inschrijving is geschorst, te bereiden, te verkopen, af te leveren, in te voeren of te verhandelen."
  • art. 3 van de Richtlijn nr. 65/65/EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten luidt: "Een farmaceutische specialiteit mag in een Lid-Staat slechts in de handel worden gebracht als daartoe van tevoren door de bevoegde overheidsinstantie van deze Lid-Staat een vergunning is afgegeven."
  • Richtlijn nr. 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik luidt: art. 1, eerste en tweede lid: 1. Farmaceutische specialiteit: elk tevoren bereid geneesmiddel dat onder een speciale benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht. 2. Geneesmiddel: elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens. Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan de mens toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.
  • art. 2: De bepalingen van de onderhavige richtlijn zijn van toepassing op industrieel vervaardigde geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bestemd om in de lidstaten in de handel te worden gebracht.
  • art. 6, eerste lid: Een geneesmiddel mag in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteit van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig deze richtlijn of een vergunning is afgegeven overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2309/93.
  • in de laatste geconsolideerde versie van de Richtlijn luidt het eerste lid van art. 6, voor zover hier van belang: Een geneesmiddel mag in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven overeenkomstig deze richtlijn of wanneer een vergunning is afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 726/2004 in samenhang met Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en Verordening (EG) nr. 1394/2007.
  • art. 28 Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals dat luidde ten tijde van het tenlastegelegde: Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de Lid-Staten verboden.
  • art. 30 EG-Verdrag, zoals dat luidde ten tijde van het tenlastegelegde: De bepalingen van de artikelen 28 en 29 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.

Blijkens art. 2 en 6, eerste lid, van Richtlijn 2001/83/EG mocht ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde - en mag ook thans - een industrieel vervaardigd geneesmiddel in een lidstaat slechts in de handel worden gebracht wanneer, kort gezegd, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven of een vergunning is afgegeven overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2309/93.

In 's Hofs arrest ligt besloten dat de in de bewezenverklaring genoemde pro- ducten kunnen worden aangemerkt als farmaceutische specialiteiten in de zin van art. 1, eerste lid, van Richtlijn 2001/83/EG en dus als geneesmiddelen als bedoeld in art. 1, tweede lid, van die Richtlijn, alsmede dat sprake is van invoer in Nederland.

Gelet hierop kon de aan de importeur van deze middelen opgelegde verplich- ting om vóór het in de handel brengen daarvan in de lidstaat van invoer een vergunning voor het in de handel brengen overeenkomstig deze richtlijn te verkrijgen, dus hoe dan ook geen door art. 28 EG-Verdrag (oud) verboden beperking van het intracommunautaire handelsverkeer vormen (vgl. HvJ EG 29 april 2004, ECLI:EU:C:2004:237, rov. 57, en HvJ EG 15 november 2007, ECLI:EU:C:2007:678, rov. 35).

Reeds daarom getuigt 's Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^