Getuigentraining & Niet-ontvankelijkheid OM

Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2671

Feiten

Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 juli 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. ter zake van:

  • het onder 1, eerste cumulatief, impliciet subsidiair, en tweede cumulatief, en
  • 2 primair, eerste en tweede cumulatief de voortgezette handeling van: de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk iemand weder- rechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd en medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd en poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
  • 3. en 4. de voortgezette handeling van: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en diefstal door twee of meer verenigde personen en
  • 5. het medeplegen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en het medeplegen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Voorts heeft het Hof beslist over de in beslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld in het arrest, de vorderingen van de benadeelde partijen zoals in het arrest vermeld toegewezen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof een gevoerd verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging althans tot bewijsuitsluiting ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt samengevat en verworpen:

"5. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

5.1 Standpunt van de verdediging

Van de zijde van de verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, nu sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van (mede)verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak, zo althans wordt het door de verdediging gevoerde verweer verstaan.

Ter onderbouwing van dit standpunt is door de verdediging - kort en zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd:

Er is sprake geweest van een ontoelaatbare getuigentraining waarmee daadwerkelijk is beoogd de verklaringen van de verschillende getuigen te beïnvloeden. Voorts heeft de training geleid tot gewijzigde verklaringen, onder meer betreffende de signalementen, waardoor aan de verdediging de mogelijkheid is ontnomen om de rechtmatigheid van de staandehouding en aanhouding van de (mede)verdachten [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te toetsen. Daarmee is er [geen] sprake van een eerlijk proces. (...)

5.3 Oordeel van het hof

5.3.1 Juridisch kader

In het arrest van 24 oktober 2000, LJN AA7779 overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende over getuigentrainingen die in het kader van een strafzaak hebben plaatsgevonden:

'4.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Dat verweer hield in dat de door de verdediging als getuige opgeroepen CID-chefs en opsporingsambtenaren tevoren op initiatief van het CID een zogeheten 'getuigentraining' hebben ondergaan en daardoor dusdanig zouden zijn beïnvloed dat geen sprake meer kan zijn van een 'fair trial'.

4.2. Het Hof heeft dat verweer (...) verworpen (...).

4.3. De gedachtegang van het Hof komt op het volgende neer. Het Hof heeft bij de verwerping van het verweer als feitelijk uitgangspunt genomen dat de door een bedrijfspsycholoog aan de desbetreffende - op verzoek van de verdediging in hoger beroep als getuige opgeroepen - politieambtenaren voorafgaande aan hun verhoor in hoger beroep gegeven training slechts diende tot het:

a) bijdragen aan de stressbestendigheid, mede om te voorkomen dat de getuige in paniek of verwarring zou raken als in snelle opvolging een groot aantal vragen op hem zou worden afgevuurd;

b) aanwijzingen geven over gedrag en houding tijdens het verhoor;

c) opfrissen van dossierkennis (noodzakelijk geacht vanwege de omvang van de zaak) mede ter wille van het zelfvertrouwen.

Het Hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een dergelijke - op initiatief van de leidinggevenden bij de politie - aan politieambtenaren aangeboden training heeft plaatsgevonden, niet meebrengt dat in deze zaak van een eerlijk proces geen sprake kan zijn.

Het Hof heeft de wijze waarop de training is gegeven om een aantal redenen onverstandig geacht en geoordeeld dat daardoor de schijn is gewekt dat met die training (mede) werd beoogd de door de getuigen af te leggen verklaringen te beïnvloeden.

Voor de beantwoording van de vraag of de belangen van de verdediging wezenlijk zijn geschaad heeft het Hof beslissend geacht of met die training daadwerkelijk is beoogd de getuigen te beïnvloeden 'ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaring' en voorts of die training tot gevolg heeft gehad dat de getrainde getuigen de hun ter terechtzitting gestelde vragen niet naar behoren en naar waarheid hebben beantwoord. Het Hof heeft een en ander niet aannemelijk bevonden en is uiteindelijk tot de slotsom gekomen dat van wezenlijke schending van de belangen van de verdediging, welke zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging, geen sprake is geweest.

4.4. Die gedachtegang, waarin besloten ligt 's Hofs juiste oordeel dat een getuigentraining van deze aard achterwege had dienen te blijven, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet omtrent het bepaalde in art. 6 EVRM, terwijl zij evenmin onbegrijpelijk is.

4.5. Het middel faalt dus.'

(...)

De Hoge Raad heeft voorts in het arrest van 16 april 2013, LJN BZ7150, in de lijn van de zogenoemde 'Zwolsman-jurisprudentie', het volgende overwogen met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in geval van een schending van de belangen van de verdediging:

'3.4. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376, rov. 3.6.5).'

De Hoge Raad heeft dit criterium niet alleen toegepast bij vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Het criterium is ook buiten het kader van artikel 359a Sv toegepast bij inbreuken die door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren zijn gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 8 juli 2008, LJN BC5973 en HR 25 september 2012, NJ 2013, 13). (...)

5.3.3. Beoordeling van het verweer (...)

5.3.3.2 Bedoeling van de bijeenkomst

Uit de getuigenverklaringen van de officier van justitie en [betrokkene 1] volgt dat de gedachte achter de voorbereiding van de verbalisanten op hun verhoor bij de rechter-commissaris was om de verbalisanten te informeren over de (formele) gang van zaken tijdens een verhoor. Het hof ziet geen aanleiding om aan de onder ede afgelegde verklaring(en) van de officier van justitie en [betrokkene 1] te twijfelen. De stelling dat met de voorbereiding van de verbalisanten werd beoogd om de inhoud van hun nog af te leggen verklaringen te beïnvloeden dan wel om deze op elkaar af te stemmen acht het hof niet aannemelijk geworden.

Voorts is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de bijeenkomst is gebruikt om de verklaringen van de verbalisanten op elkaar af te stemmen. Zowel door [betrokkene 1] als de verbalisanten die aanwezig zijn geweest bij de bijeenkomst is steeds uitdrukkelijk ontkend dat tijdens de bijeenkomst adviezen en instructies zijn gegeven over hoe inhoudelijk te antwoorden bij hun verhoor bij de rechter-commissaris. Zo heeft [verbalisant 1] verklaard dat naar zijn mening de bijeenkomst inhoudelijk niet van invloed is geweest op zijn verklaring, omdat door [betrokkene 2] niet is gezegd wat hij wel en niet moest verklaren tegenover de rechter-commissaris. Dit wordt bevestigd door [betrokkene 1], die hierover onder meer heeft verklaard:

'Het is nooit de intentie geweest om de getuigen klaar te stomen waarover ze gehoord gingen worden. Het ging er om dat ze voorbereid waren op hetgeen dat hier zou gebeuren. Het was in die zin ook niet een voorbewerkte getuige. (...) Ik wil zeggen dat wij naar eer en geweten hebben gehandeld. Ik zou het niet goed vinden als een getuige door de politie zou worden voorbewerkt voor een verhoor, maar dat is ook niet wat er is gebeurd. (...)

U (...) vraagt mij wat volgens mij bewerken is . Dat ik de getuige iets wil laten zeggen wat hij zelf niet gezien of gehoord heeft en wat hij niet zelf heeft beleefd en wat strijdig is met de werkelijkheid.'

Uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt verder dat naar aanleiding van de bijeenkomst ook geen wijzigingen zijn aangebracht in de door de aldaar aanwezige verbalisanten opgemaakte processen-verbaal omtrent de aanhouding van de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2], welke processen-verbaal allemaal dateren van ruim vóór de bijeenkomst.

5.3.3.3 Het verweer betreffende het verzwijgen van de bijeenkomst van 15 februari 2011

Zoals hierboven onder 5.3.2.3 reeds is overwogen, hebben de getuigen [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tijdens hun getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 9 maart 2011 op de vraag naar hun voorbereiding op dat verhoor niets verklaard over de bijeenkomst. Het hof acht dit opmerkelijk, nu de bijeenkomst slechts enkele weken vóór het verhoor heeft plaatsgevonden. Tijdens nadere verhoren bij de rechter-commissaris i n de fase van het hoger beroep en ten overstaan van het hof ter terechtzitting in hoger beroep hebben [verbalisant 2], [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hier geen begrijpelijke verklaring voor gegeven. De verklaring van [verbalisant 2] dat hijonderscheid maakte tussen "zichzelf voorbereiden" en "door een ander voorbereid worden" komt het hof gekunsteld en niet overtuigend over.

Het hof acht het echter niet aannemelijk geworden dat enige functionaris aan de verbalisanten de opdracht heeft gegeven om te zwijgen over de bijeenkomst van 15 februari 2011; te meer omdat de getuige [betrokkene 3] zijn verhoor dadelijk aanvangt met over de bijeenkomst te verklaren. Ook overigens acht het hof het niet aannemelijk dat er doelbewust zaken door de verbalisanten zijn verzwegen. Daarbij betrekt het hof dat uit de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] eveneens volgt dat zij niet eerder als getuige in een strafzaak zijn gehoord en dat het waarschijnlijk is dat de verbalisanten de ruime strekking van de vraag niet goed hebben begrepen en deze te eng hebben geïnterpreteerd. Bovendien heeft [verbalisant 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2013 verklaard dat hem tijdens de bijeenkomst is medegedeeld dat hij vragen kort en bondig diende te beantwoorden, wat mogelijk zijn antwoord zou kunnen verklaren. In dit licht bezien acht het hof het waarschijnlijk dat de verbalisanten inadequaat de vragen hebben beantwoord omdat zij de strekking van de vraag niet hebben begrepen en zich niet goed hebben gerealiseerd dat zij alles dienden te vermelden wat relevant kon zijn.

Door de officier van justitie is evenmin melding gemaakt van de voorbereiding van de verbalisanten op het getuigenverhoor. Het hof acht dit opmerkelijk, nu zij zelf had aangedrongen op de voorbereiding van de verbalisanten en het naar het oordeel van het hof voor de hand ligt hiervan melding te maken wanneer de getuige naar zijn voorbereiding op het verhoor wordt gevraagd. Nu echter uit de verklaring van de officier van justitie volgt dat zij eerst tijdens het verhoor van [betrokkene 3], op 23 maart 2011 op de hoogte is geraakt van de concrete invulling van de voorbereiding van de verbalisanten op hun verhoor, en dus ook dat daarbij de onderhavige strafzaak inhoudelijk is besproken, acht het hof het niet aannemelijk dat zij de voorbereiding doelbewust heeft verzwegen. Eerder lijkt sprake te zijn geweest van een onderschatting van de mogelijke gevolgen van de voorbereiding van een getuige en de in het kader van die voorbereiding aan de getuige gestelde vragen.

5.3.3.4 Beïnvloeding van getuigenverklaringen door de bijeenkomst

Gelet op de wijze waarop de verbalisanten zijn voorbereid op hun getuigenverhoor bij de rechter-commissaris - waarbij plenair de onderwerpen zijn besproken waarover vragen te verwachten waren, zoals het signalement, de reden van verdenking en de tijdlijn van melding tot aanhouding - acht het hof de kans reëel dat de verbalisanten elkaar onderling hebben beïnvloed. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het een ervaringsfeit is dat het geheugen van een persoon ten aanzien van een bepaalde gebeurtenis kan worden beïnvloed door informatie die op een later moment is verstrekt betreffende dezelfde gebeurtenis. Het gegeven dat [betrokkene 2] tijdens de bijeenkomst heeft benadrukt dat de verbalisanten bij het afleggen van hun verklaring alleen moesten uitgaan van hun eigen waarnemingen en ondervindingen doet hieraan niets af, nu beïnvloeding van het geheugen ook onbewust kan plaatsvinden. Dat in de onderhavige zaak de kans zeer wel aanwezig is dat van een dergelijke beïnvloeding sprake is geweest, blijkt uit de omstandigheid dat de verbalisanten bij hun verhoor bij de rechter-commissaris hebben verklaard over signalementen die zij niet in het door hen opgemaakte proces-verbaal hebben vermeld en welke ook niet voorkomen in portofoonverkeer van die avond (...).

Uit het voorgaande blijkt dat het hof, met de verdediging, de kans reëel acht dat de voorbereidingsbijeenkomst invloed heeft gehad op het geheugen van de zes verbalisanten die daaraan hebben meegedaan. In het licht hiervan acht het hof de inschakeling van een geheugendeskundige om deze invloed te kunnen aantonen, zoals door de verdediging is verzocht, niet noodzakelijk. Het verzoek van de verdediging is op dit punt onvoldoende onderbouwd.

Het hof overweegt het volgende over de rol van de officier van justitie en de getuigentrainster. Gezien hetgeen door de Hoge Raad is overwogen in zijn arrest van 24 oktober 2000, LJN AA779, zoals hierboven onder 5.3.1 is weergegeven, had het naar het oordeel van het hof op de weg van de officier van justitie gelegen om meer gedetailleerde instructies te geven aan [betrokkene 1] omtrent de voorbereiding van de verbalisanten op hun verhoor om op deze wijze een ontoelaatbare wijze van voorbereiding te voorkomen. Tevens acht het hof het onbegrijpelijk dat de docente [betrokkene 2], die heeft verklaard bekend te zijn met de inhoud van voornoemd arrest, alsmede dat zij geen lopende zaken in groepsverband behandelt omdat dit afstemming ten gevolge zou kunnen hebben, de onderhavige zaak inhoudelijk heeft besproken. Dit getuigt van grote onkunde aan de zijde van [betrokkene 2]. Het hof gaat er daarbij vanuit dat het inhoudelijk bespreken van de onderhavige zaak op de bijeenkomst een gevolg is van ondoordacht optreden van [betrokkene 2] en niet dat het haar intentie is geweest om de belangen van de verdediging te frustreren.

5.3.3.5. Schending van de belangen van de verdediging

Het hof acht het aannemelijk geworden dat de mogelijke beïnvloeding van de getuigen hier uit heeft bestaan, dat tijdens de bijeenkomst andere verdachte omstandigheden zijn besproken dan die zijn vermeld in de door de daar aanwezige verbalisanten opgemaakte processen-verbaal, hetgeen geleid kan hebben tot een beïnvloeding van hun geheugen. De verdediging heeft derhalve geen gelegenheid gehad om achteraf aan de verbalisanten vragen te stellen waarop zij een betrouwbaar antwoord konden geven. Het hof acht het belang van de verdediging dan ook in die zin geschonden, dat de verdediging niet door het verhoor van de verbalisanten de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten opgemaakte processen-verbaal op adequate wijze heeft kunnen toetsen.

Het hof is echter van oordeel [dat] het geenszins de bedoeling is geweest om de verklaringen van de verbalisanten te beïnvloeden. Ondanks het grote aantal getuigen dat over de bijeenkomst is gehoord, zowel in eerste aanleg als in de fase van het hoger beroep, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat met die training daadwerkelijk is beoogd de getuigen te beïnvloeden 'ten detrimente van het waarheidsgehalte van hun verklaringen'. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de verbalisanten en de officier van justitie bewust hebben geschipperd met de waarheid, ook niet toen - zoals reeds onder 5.3.3.3. reeds is overwogen - vragen werden gesteld over hun voorbereiding op hun verhoor. Naar oordeel van het hof is dan ook niet doelbewust te kort gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Rest de vraag of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling te kort is gedaan. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Weliswaar is het handelen van de justitiële autoriteiten verwijtbaar onachtzaam en onzorgvuldig geweest, er is echter niet sprake van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De veronachtzaming van de belangen van de verdachte is niet zodanig dat deze als 'grove veronachtzaming', zoals bedoeld in de bovengenoemde Zwolsman-jurisprudentie, kan worden aangemerkt.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat de bijeenkomst tot gevolg heeft gehad dat mogelijk voor de verdachten ontlastende informatie is verzwegen of niet aan het licht is gekomen. Voorts is niet aannemelijk geworden of anderszins gebleken dat daarmee de betrouwbaarheid is aangetast van de reeds in de processen-verbaal vermelde informatie. De verdediging heeft gezien de inhoud van die processen-verbaal in voldoende mate de mogelijkheid behouden om de rechtmatigheid van de staande houdingen en aanhoudingen te toetsen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er andere bronnen van informatie zijn omtrent dit punt, namelijk de zeer gedetailleerde uitwerking van het telefoonverkeer van de alarmcentrale van die avond, inhoudende de signalementen van de mogelijke daders van de overval die zijn doorgegeven door burgers, en de eveneens zeer gedetailleerde uitwerking van het portofoonverkeer tussen de bij de zaak betrokken politiefunctionarissen. De onzorgvuldigheden rond de bijeenkomst worden al bij al in voldoende mate gecompenseerd, waardoor niet met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling te kort is gedaan. Dat de verbalisanten die aan de voorbereidingsbijeenkomst hebben meegedaan geen 'jonge broekjes' waren, zoals wel is gesuggereerd door degenen die (zijdelings) betrokken waren bij de bijeenkomst, maar tamelijk ervaren dienders, doet hier niets aan af.

Geconcludeerd kan worden dat er geen grond is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

5.3.3.6 Leugenachtige verklaringen van de getuigen [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [betrokkene 2]

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat de getuigen [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [betrokkene 2] een leugenachtige verklaring hebben afgelegd wat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten gevolge zou moeten hebben, overweegt het hof als volgt.

Zoals hiervoor aan de orde is gekomen acht het hof het niet aannemelijk dat de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] opzettelijk in strijd met de waarheid een verklaring hebben afgelegd. Een meer "open houding" zou hen hebben gesierd, maar de inadequate beantwoording van vragen over de voorbereiding van het verhoor en over de contacten met andere verbalisanten kan ook het gevolg zijn geweest van de omstandigheden die onder 5.3.3.3 zijn genoemd.

Ter zake van de verklaring afgelegd door [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2013 overweegt het hof dat zij aanvankelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard. Daar waar zij eerst stellig ontkende dat de onderhavige zaak inhoudelijk met de verbalisanten besproken te hebben op de bijeenkomst, kwam zij hier in het geheel op terug nadat zij uitvoerig op dit punt is ondervraagd en de verdediging heeft verzocht om een proces-verbaal van meineed tegen haar te laten opmaken.

Naar het oordeel van het hof is het verontrustend dat een medewerkster van de politieacademie, die nota bene aan politieambtenaren cursussen heeft gegeven over de wijze waarop deze zich als getuige dienen te gedragen, zelf aanvankelijk niet naar waarheid heeft verklaard. Het hof - en ook andere deelnemers aan het strafproces – dienen zonder meer te kunnen vertrouwen op de juistheid van de verklaringen die dergelijke functionarissen afleggen.

Onder omstandigheden kunnen vormverzuimen buiten het kader van artikel 359a Wetboek van Strafvordering processuele consequenties hebben (vgl. HR 29 januari 2013, LJN BY0816). In het onderhavige geval gaat het echter niet om een onherstelbare fout, aangezien de desbetreffende getuige - toen een proces-verbaal van meineed werd verzocht - alsnog openheid van zaken heeft gegeven. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat de verklaring die de getuige vanaf het laatstgenoemde moment heeft afgelegd in strijd met de waarheid is. Er is derhalve geen sprake van een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging. Dit is op zich zelf al een grond tot afwijzing van het verweer. Naar het oordeel van het hof komt hier echter nog bij dat de proceshouding van de getuige niet is toe te rekenen aan het openbaar ministerie. Daarbij neemt het hof i n aanmerking .dat, in 'de onderhavige zaak niet is gesteld noch aannemelijk is geworden dat [betrokkene 2] op instigatie van een functionaris van het openbaar ministerie of de politie het inhoudelijk bespreken van de zaak op de bijeenkomst heeft ontkend. Het verweer wordt mitsdien verworpen. Ook de opstelling van de getuige [betrokkene 2] tast derhalve de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet aan.

5.3.3.7 Slotconclusie

Al met al worden de verweren van de verdediging verworpen. Ook overigens is niet is gebleken dat de beginselen van een goede procesorde in de zaak van de verdachte op andere wijze is geschonden, dan wel dat er enige andere grond is tot de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Ook doet zich niet de situatie voor dat er, op grond van de factoren die genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2013, LJN: BY2814, reden is tot bewijsuitsluiting.

Wel zal het hof, zoals hierna zal blijken, de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen die de zes verbalisanten die mee hebben gedaan aan de getuigentraining niet betrekken bij de toetsing van de rechtmatigheid van de aanhoudingen van de verdachte aangezien, zoals hiervoor aan de orde is gekomen, de betrouwbaarheid van deze verklaringen wordt aangetast door de getuigentraining. Er valt immers niet meer vast te stellen of de verklaringen gegrond zijn op 'eigen waarnemingen of ondervindingen', of dat het geheugen van de getuigen achteraf is beïnvloed door hetgeen tijdens de bijeenkomst van 15 februari 2011 aan de orde is gekomen.

Ook zal het hof, zoals hierna zal blijken, de onregelmatigheden rondom de voorbereiding van de getuigen en de wijze waarop de justitiële autoriteiten hierop hebben gereageerd verdisconteren in de strafmaat. Het hof ziet daartoe tevens aanleiding, aangezien de verantwoordelijke autoriteiten ondanks de bekendheid met het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2000, LJN AA7779 genoemde onregelmatigheden niet hebben voorkomen."

Het middel ziet op het verweer van de verdediging dat betrekking had op een bijeenkomst waarbij zes verbalisanten die, na toewijzing door de Rechtbank van een daartoe strekkend verzoek van de verdediging, als getuigen waren opgeroepen om bij de Rechter-Commissaris te verschijnen teneinde te worden gehoord, door een docente van de Politieacademie zijn voorbereid op hun verhoor, waarbij de onderwerpen zijn besproken waarover vragen te ver- wachten waren, zoals het signalement, de reden van verdenking en de tijdlijn van melding tot aanhouding.

Het oordeel van het Hof, kort gezegd, dat de geconstateerde onregel- matigheden niet van dien aard zijn dat zij tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte of tot bewijs- uitsluiting moeten leiden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt mede in aan- merking genomen dat het Hof - niet onbegrijpelijk - niet aannemelijk heeft bevonden dat de bijeenkomst is beoogd of gebruikt om de verklaringen van de verbalisanten op elkaar af te stemmen of om die verklaringen te beïnvloeden, en voorts heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat de bijeenkomst tot gevolg heeft gehad dat mogelijk voor de verdachten ontlastende informatie is verzwegen of niet aan het licht gekomen of dat daarmee de betrouwbaarheid is aangetast van de reeds in de processen-verbaal vermelde informatie.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie: Rechtsgevolgen vormverzuim

Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2650

Het Gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 1 maart 2012 verdachte wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Tegen deze uitspraak is door de Advocaat-Generaal bij het Hof en namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel komt op tegen de vrijspraak door het Hof van het onder 2 ten- lastegelegde en klaagt dat het oordeel van het Hof dat aan de door het Hof geconstateerde vormverzuimen het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting dient te worden verbonden ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat sprake is van onher- stelbare vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv en daaraan de gevolg- trekking verbonden dat deze tot bewijsuitsluiting moeten leiden.

Deze vormverzuimen bestaan erin:

  1. dat de inzet van opsporingsambtenaar A -1702 in de periode 25 december 2005 tot 9 februari 2006 niet door de gegeven bevelen is gedekt en
  2. dat in de bevelen ex art. 126j Sv niet is opgenomen dat de informatie wordt ingewonnen door een persoon in openbare dienst van een vreemde staat die voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, als bedoeld in art. 126j lid 4 onder a Sv. Naast deze gebreken heeft het Hof nog geconstateerd dat
  3. het bevel van 14 februari 2006 slechts ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3] is gegeven en
  4. voorts buiten de termijn van drie dagen schriftelijk is bevestigd en dat
  5. ook de verlenging van 9 mei 2006 slechts ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3] is gegeven. Het Hof verbindt aan dit alles de conclusie dat de geconstateerde vormverzuimen niet zonder gevolgen kunnen blijven, omdat er sprake is van een aanzienlijke schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift en dat om die reden het bewijsmateriaal dat is verkregen door de inzet van A-1702 in het kader van de stelselmatige informatie-inwinning niet voor het bewijs zal worden gebruikt. Het Hof overweegt vervolgens ten aanzien van de bevelen ex art. 126i Sv dat
  6. deze, met uitzondering van het eerste bevel, niet vermelden dat een buitenlandse opsporingsambtenaar zal worden ingezet en dat
  7. het eerste bevel voor verdachte is aangevraagd en ten aanzien van [medeverdachte 3] is verleend. Voorts stelt het Hof vast dat uit de aanvragen en de daaraan ten grondslag liggende gegevens blijkt dat voor de grond van de aanvragen telkens en met name wordt verwezen naar gegevens en omstandigheden waarbij A -1702 een bepalende rol heeft gespeeld. De bevelen tot pseudokoop/dienstverlening kunnen naar het oordeel van het Hof dan ook niet los worden gezien van de bevelen ex art. 126j Sv, zodat bewijsuitsluiting dient te volgen.

Kort gezegd betreffen de vormverzuimen:

  • in op de voet van art. 126j Sv gegeven bevelen: dat de in te zetten opsporingsambtenaar A-1702 zonder zulks te vermelden een persoon betreft in de openbare dienst van een buitenlandse staat als bedoeld in art. 126j, vierde lid, Sv, voorts dat de bevelen niet de gehele periode van de inzet van die opsporingsambtenaar betreffen, alsmede dat een enkel bevel slechts ten name van de verdachte is gesteld en dat de verlenging van een bevel eerst na de termijn van drie dagen als bedoeld in art. 126g, zesde lid, Sv schriftelijk is bevestigd;
  • in op de voet van art. 126i Sv gegeven bevelen: dat, met uitzondering van het eerste bevel, ook in dit verband zonder zulks te vermelden de buitenlandse opsporingsambtenaar is ingezet, alsmede dat het eerste bevel voor een medeverdachte is aangevraagd maar voor de verdachte is verleend.

Indien binnen de door art. 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt".

Indien de feitenrechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de hiervoor besproken factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004: AM2533, NJ 2004/276)

Aan de uitoefening van de bevoegdheid tot toepassing van bewijsuitsluiting als rechtsgevolg van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5322, NJ 2013/308 nadere overwegingen gewijd.

Het Hof heeft de vormverzuimen aangemerkt als een aanzienlijke schending van belangrijke strafvorderlijke voorschriften. Dat oordeel is echter ontoereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, terwijl het Hof niet heeft aangegeven of, en in welke mate de geschonden voorschriften strekten tot verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces, dan wel dat sprake was van een ander (strafvorderlijk) voorschrift waardoor een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte tot toepassing van bewijsuitsluiting noopte.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Opvatting Hof dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen reeds daardoor w.v.v. vormden is niet juist

Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648

Feiten

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 juni 2011 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van €431.107,08 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak bewezenverklaarde mede- plegen van witwassen ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In de bestreden uitspraak heeft het Hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €436.107,08 en - na aftrek van een bedrag van €5000 ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep - aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van €431.107,08 te betalen.

Het Hof heeft het oordeel dat de betrokkene door middel van het in de strafzaak bewezenverklaarde medeplegen van witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ontleend aan de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de betrokkene op 4 juni 2007 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel op zijn naam een eenmanszaak heeft in- geschreven onder de naam A, die werd gedreven voor rekening van de be- trokkene.

Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof overwogen dat het zich uitsluitend heeft gebaseerd op het voordeel dat is behaald uit betalingen die door cliënten van het advocatenkantoor A zijn overgemaakt op de rekeningen ten name van A en op de privérekeningen van de betrokkene. Daarmee heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde medeplegen van witwassen ertoe heeft geleid dat de betrokkene het bedoelde voordeel heeft verkregen.

Kennelijk heeft het Hof zijn oordeel gebaseerd op de opvatting dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde mede- plegen van witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is niet juist. Dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie tegen vrijspraak: selectie & waarderingsvrijheid van de feitenrechter

Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2646

Feiten

Verdachte is bij arrest van 18 september 2012 door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren wegens onder

  • 3 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’,
  • 4 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd en
  • 5 medeplegen van witwassen; meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt over de door het Hof gegeven vrijspraken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij op 9 of 10 september 2008 op de Rijksweg A73 al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen slachtoffer 1 heeft vermoord, althans dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen aan de moord op slachtoffer 1 medeplichtig is geweest. Onder 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepoogd slachtoffer 2 te vermoorden, althans dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen aan de poging tot de moord op slachtoffer 2 medeplichtig is geweest.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijge- sproken, terecht tot dat oordeel is gekomen.

Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet ge- trokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het ten- lastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk ge- noemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO5061, NJ 2004/480).

Het Hof heeft geoordeeld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte aanwezig zijn geweest bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, de moord en/of de poging tot moord op de Rijksweg A73, en evenmin dat de verdachte opzet hadden op het medeplegen van deze delicten of op het behulpzaam zijn daarbij. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Art. 359 lid 2 Sv & u.o.s.

Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571

Feiten

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 18 maart 2013 het ten laste van verdachte gewezen vonnis van de Rechtbank bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging. Aldus is verdachte ter zake van zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.250,64 toegewezen en is verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, subsidiair 32 dagen hechtenis.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

Middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat niet de ver- dachte, maar betrokkene 1 het slachtoffer met een kapotgeslagen glas tegen het oor en in de hals heeft geslagen.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd over- eenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde (zware mishandeling) merk ik nogmaals het navolgende op.

Plegen van zware mishandeling:

Ik breng wederom onder uw aandacht dat mijn cliënt van meet af aan te kennen heeft gegeven dat hij niet met een glas in zijn hand heeft geslagen. Mijn cliënt ontkent nadrukkelijk dat hij aangever met een glas letsel heeft toegebracht.

Bij de politie, maar ook bij de Rechtbank in eerste aanleg en ten overstaan van uw Hof heeft mijn cliënt verklaard dat aangever op het moment dat hij bij de gokkasten stond een glas in zijn hand had, daarmee uithaalde en mijn cliënt daarmee sloeg. Deze verklaring van cliënt wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen. De verbalisant die mijn cliënt heeft gehoord, heeft direct na het voorval letsel geconstateerd aan het gezicht van mijn cliënt. Een sneetje ter hoogte van zijn rechter oogkas en een rode oogkas was waargenomen.

Ter bescherming van meerdere aanvallen van aangever heeft mijn cliënt zijn handen naar zijn gezicht getrokken. Op dat moment had hij geen glas in zijn hand. Sterker nog, tijdens de ontstane vechtpartij heeft mijn cliënt zich afzijdig gehouden. Dit blijkt duidelijk uit de verklaring van getuige [ getuige 2].

In haar verklaring valt te lezen dat zij op een bepaald moment voelde dat zij werd geduwd. Deze situatie vond ze eng en daarom is ze tegen de muur van het café aan gaan staan. Vervolgens is zij via de muur weggelopen van het gevecht in de richting van de gokautomaten. Daar kwam zij mijn cliënt tegen en heeft hem vervolgens bij zijn armen gepakt, om aan te geven dat zij in paniek was. Deze [ getuige 2] heeft mijn cliënt vervolgens vastgehouden tot het gevecht over was (pag. 59).

Uit deze lezing blijkt dat mijn cliënt zich wel degelijk afzijdig van het gebeuren heeft gehouden. Mijn cliënt bevond zich niet eens in de buurt van het gevecht. Uit de verklaring van getuige [ getuige 2] komt immers naar voren dat de vechtpartij niet bij de gokkasten gaande was. Getuige [ getuige 2] heeft immers aangegeven dat zij via de muur is weggelopen van het gevecht in de richting van de gokautomaten. Daar stond mijn cliënt en daar heeft deze [ getuige 2] mijn cliënt vastgepakt tot het gevecht voorbij was.

Van meet af aan heeft mijn cliënt ontkend dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Wel heeft mijn cliënt (meermaals) aangegeven dat [betrokkene 1] aangever met het glas heeft geslagen. Gedurende het verhoor, dat op 30 januari 2010 heeft plaatsgevonden, heeft mijn cliënt aangegeven dat ook de politie heeft vastgesteld dat mijn cliënt niet werd aangemerkt als verdachte van de zware mishandeling.

Uit het proces-verbaal CIE komt naar voren dat in de maand februari 2010 via een informant informatie is binnengekomen bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van Regiopolitie Brabant Zuidoost (pag. 78). Uit deze informatie blijkt dat mijn cliënt daadwerkelijk de waarheid vertelde. Volgens de informant heeft [betrokkene 1] tijdens de vechtpartij met een glas tegen het hoofd van aangever geslagen en niet mijn cliënt! De inspecteur van de politie heeft een oordeel gevormd over de betrouwbaarheid van de informant en over de juistheid van de informatie. De inspecteur heeft aangegeven dat deze informatie als betrouwbaar moet worden aangemerkt. Ondanks dit gegeven richt justitie haar pijlen op mijn cliënt en niet op de daadwerkelijke dader; [betrokkene 1].

Daarenboven verwijs ik naar de verklaring van [getuige 3]. Deze getuige was op de bewuste avond werkzaam als portier bij café Bora Bora. [getuige 3] geeft expliciet aan dat [betrokkene 1] degene was die bij de vechtpartij betrokken was (pag. 52). Voorts heeft deze portier foto's van deze [betrokkene 1] meegenomen naar de politie. Deze foto ontbreekt echter in het dossier. Daardoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre [betrokkene 1] overeenkomt met het signalement, dat van de dader is gegeven. Eveneens heeft de politie nagelaten om de informatie nader te onderzoeken die was geplaatst op Hyves. Getuige [getuige 3] heeft de politie hier wel nadrukkelijk op gewezen.

Al met al is een aantal zeer betrouwbare bewijsmiddelen voorhanden die wijzen in de richting van [betrokkene 1]. Daarnaast had deze [betrokkene 1] op de bewuste avond letsel aan zijn rechter hand. De verbalisant heeft een snee van circa drie centimeter waargenomen (pag. 58). Deze snee bevond zich tussen zijn duim en wijsvinger van zijn rechter hand (pag. 57). Bovendien heeft [betrokkene 1] bij de politie verklaard dat hij zelfs stukken glas uit zijn hand moest trekken (pag. 58).

De aard en omvang van dit letsel sluit haarfijn aan bij de verklaring van [betrokkene 2]. Deze persoon verklaarde immers dat de dader op de rand van de bar een glas kapot sloeg en aangever hiermee vervolgens raakte. Door het glas te breken, heeft [betrokkene 1] zijn hand verwond. Hij heeft zelfs zo hard geslagen dat hij glasscherven uit zijn hand moest trekken. En was het niet zo dat deze [betrokkene 1] op het bewust tijdstip juist aan de bar drinken stond te bestellen?

In ieder geval was noch aan de linker, noch aan de rechter hand van mijn cliënt letsel waarneembaar. Het moge duidelijk zijn dat ingeval hij wel een glas zou hebben stukgeslagen, een snee op zijn hand had moeten zitten.

Ook getuige [getuige 4] heeft aangegeven dat [betrokkene 1] betrokken was bij het voorval (pag. 39).

Ondanks al deze sporen die duidelijk in de richting van [betrokkene 1] wijzen wordt door de politie geen serieuze actie in zijn richting ondernomen, zulks ondanks het feit dat objectieve bewijsmiddelen (CIE tip, verklaring van de portier, letsel aan de rechterhand) voorhanden waren en zijn waaruit blijkt dat deze [betrokkene 1] dient te worden aangemerkt als dader. [betrokkene 1] en (een in de ogen van de politie) onbetrouwbare getuige ([betrokkene 4]) worden aan een verhoor onderworpen, dat is het enige. In plaats daarvan wordt mijn cliënt strafrechtelijk vervolgd.

Weliswaar hebben enkele getuigen aangegeven dat mijn cliënt bij het voorval betrokken zou zijn, maar bij deze verklaringen dienen kritische kanttekeningen te worden geplaatst.

Allereerst verwijs ik uw hof naar aanvullende stukken, die naar aanleiding van uw tussenarrest van 20 oktober 2011 zijn overgelegd. Meer in het bijzonder verwijs ik u naar pagina 9 van deze stukken. De verbalisant die het proces-verbaal heeft opgemaakt geeft aan dat op zondag 11 januari 2009 te 16.30 uur overleg heeft plaatsgevonden met de piket officier van justitie. De zaak zou met mr. Vinkesteijn zijn besproken. De verbalisant maakt nog melding van het feit dat 9 getuigen waren gehoord, doch dat slechts één persoon heeft gezien dat mijn cliënt een glas heeft kapot geslagen en aangever tegen het hoofd heeft geslagen. De rest heeft niet gezien wie er met het glas heeft geslagen en of mijn cliënt dit heeft gedaan. In overleg met de officier is mijn cliënt vervolgens heengezonden.

Nogmaals benadruk ik dat slechts één getuige zou hebben gezien dat mijn cliënt met glas heeft geslagen. Welke getuige dit betreft, is echter volstrekt onduidelijk. In dat kader merk ik nog wel op dat getuige [getuige 1] naast mijn cliënt op de gokkast aan het gokken was. Deze persoon is door de Raadsheer-Commissaris gehoord op 10 oktober 2012. Tijdens dit verhoor heeft [getuige 1] verklaard dat op enig moment over en weer werd geduwd en dat vervolgens alles erg snel ging. Hij heeft niet gezien dat met glas is geslagen, evenmin heeft hij gezien wie heeft geslagen.

Nu juist de persoon, die naast mijn cliënt zat niet heeft gezien dat hij heeft geslagen met glas, stel ik me de vraag hoe anderen dit wel kunnen hebben waargenomen op zaterdagnacht zijnde een tijdstip dat het bijzonder druk is in een horecagelegenheid.

Op basis van het dossier is er dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het plegen van zware mishandeling te komen. Op basis van de stukken kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat mijn cliënt dient te worden aangemerkt als dader. Er bevinden zich meerdere objectieve bewijsmiddelen, die immers wijzen in de richting van [betrokkene 1]."

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot hetgeen uit de verklaringen van getuige 2 en getuige 3, de in het proces-verbaal van de CIE weergegeven informatie en de verwondingen van betrokkene 1 kan worden afgeleid omtrent de betrokkenheid van de ver- dachte bij het tenlastegelegde, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt af- geweken, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet in voldoende mate blijken uit de weergegeven bewijsmotivering. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^