OM-cassatie: Rechtsgevolgen vormverzuim

Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2650

Het Gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 1 maart 2012 verdachte wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Tegen deze uitspraak is door de Advocaat-Generaal bij het Hof en namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel komt op tegen de vrijspraak door het Hof van het onder 2 ten- lastegelegde en klaagt dat het oordeel van het Hof dat aan de door het Hof geconstateerde vormverzuimen het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting dient te worden verbonden ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat sprake is van onher- stelbare vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv en daaraan de gevolg- trekking verbonden dat deze tot bewijsuitsluiting moeten leiden.

Deze vormverzuimen bestaan erin:

  1. dat de inzet van opsporingsambtenaar A -1702 in de periode 25 december 2005 tot 9 februari 2006 niet door de gegeven bevelen is gedekt en
  2. dat in de bevelen ex art. 126j Sv niet is opgenomen dat de informatie wordt ingewonnen door een persoon in openbare dienst van een vreemde staat die voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, als bedoeld in art. 126j lid 4 onder a Sv. Naast deze gebreken heeft het Hof nog geconstateerd dat
  3. het bevel van 14 februari 2006 slechts ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3] is gegeven en
  4. voorts buiten de termijn van drie dagen schriftelijk is bevestigd en dat
  5. ook de verlenging van 9 mei 2006 slechts ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3] is gegeven. Het Hof verbindt aan dit alles de conclusie dat de geconstateerde vormverzuimen niet zonder gevolgen kunnen blijven, omdat er sprake is van een aanzienlijke schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift en dat om die reden het bewijsmateriaal dat is verkregen door de inzet van A-1702 in het kader van de stelselmatige informatie-inwinning niet voor het bewijs zal worden gebruikt. Het Hof overweegt vervolgens ten aanzien van de bevelen ex art. 126i Sv dat
  6. deze, met uitzondering van het eerste bevel, niet vermelden dat een buitenlandse opsporingsambtenaar zal worden ingezet en dat
  7. het eerste bevel voor verdachte is aangevraagd en ten aanzien van [medeverdachte 3] is verleend. Voorts stelt het Hof vast dat uit de aanvragen en de daaraan ten grondslag liggende gegevens blijkt dat voor de grond van de aanvragen telkens en met name wordt verwezen naar gegevens en omstandigheden waarbij A -1702 een bepalende rol heeft gespeeld. De bevelen tot pseudokoop/dienstverlening kunnen naar het oordeel van het Hof dan ook niet los worden gezien van de bevelen ex art. 126j Sv, zodat bewijsuitsluiting dient te volgen.

Kort gezegd betreffen de vormverzuimen:

  • in op de voet van art. 126j Sv gegeven bevelen: dat de in te zetten opsporingsambtenaar A-1702 zonder zulks te vermelden een persoon betreft in de openbare dienst van een buitenlandse staat als bedoeld in art. 126j, vierde lid, Sv, voorts dat de bevelen niet de gehele periode van de inzet van die opsporingsambtenaar betreffen, alsmede dat een enkel bevel slechts ten name van de verdachte is gesteld en dat de verlenging van een bevel eerst na de termijn van drie dagen als bedoeld in art. 126g, zesde lid, Sv schriftelijk is bevestigd;
  • in op de voet van art. 126i Sv gegeven bevelen: dat, met uitzondering van het eerste bevel, ook in dit verband zonder zulks te vermelden de buitenlandse opsporingsambtenaar is ingezet, alsmede dat het eerste bevel voor een medeverdachte is aangevraagd maar voor de verdachte is verleend.

Indien binnen de door art. 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt".

Indien de feitenrechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de hiervoor besproken factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004: AM2533, NJ 2004/276)

Aan de uitoefening van de bevoegdheid tot toepassing van bewijsuitsluiting als rechtsgevolg van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5322, NJ 2013/308 nadere overwegingen gewijd.

Het Hof heeft de vormverzuimen aangemerkt als een aanzienlijke schending van belangrijke strafvorderlijke voorschriften. Dat oordeel is echter ontoereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, terwijl het Hof niet heeft aangegeven of, en in welke mate de geschonden voorschriften strekten tot verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces, dan wel dat sprake was van een ander (strafvorderlijk) voorschrift waardoor een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte tot toepassing van bewijsuitsluiting noopte.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: Opvatting Hof dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen reeds daardoor w.v.v. vormden is niet juist

Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648

Feiten

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 8 juni 2011 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van €431.107,08 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak bewezenverklaarde mede- plegen van witwassen ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In de bestreden uitspraak heeft het Hof het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €436.107,08 en - na aftrek van een bedrag van €5000 ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep - aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van €431.107,08 te betalen.

Het Hof heeft het oordeel dat de betrokkene door middel van het in de strafzaak bewezenverklaarde medeplegen van witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ontleend aan de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de betrokkene op 4 juni 2007 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel op zijn naam een eenmanszaak heeft in- geschreven onder de naam A, die werd gedreven voor rekening van de be- trokkene.

Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof overwogen dat het zich uitsluitend heeft gebaseerd op het voordeel dat is behaald uit betalingen die door cliënten van het advocatenkantoor A zijn overgemaakt op de rekeningen ten name van A en op de privérekeningen van de betrokkene. Daarmee heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het in de strafzaak ten laste van de betrokkene bewezen verklaarde medeplegen van witwassen ertoe heeft geleid dat de betrokkene het bedoelde voordeel heeft verkregen.

Kennelijk heeft het Hof zijn oordeel gebaseerd op de opvatting dat de geldbedragen die het voorwerp vormden van het bewezenverklaarde mede- plegen van witwassen reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is niet juist. Dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie tegen vrijspraak: selectie & waarderingsvrijheid van de feitenrechter

Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2646

Feiten

Verdachte is bij arrest van 18 september 2012 door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren wegens onder

  • 3 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’,
  • 4 medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd en
  • 5 medeplegen van witwassen; meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt over de door het Hof gegeven vrijspraken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij op 9 of 10 september 2008 op de Rijksweg A73 al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen slachtoffer 1 heeft vermoord, althans dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen aan de moord op slachtoffer 1 medeplichtig is geweest. Onder 2 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepoogd slachtoffer 2 te vermoorden, althans dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen aan de poging tot de moord op slachtoffer 2 medeplichtig is geweest.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijge- sproken, terecht tot dat oordeel is gekomen.

Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet ge- trokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het ten- lastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk ge- noemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO5061, NJ 2004/480).

Het Hof heeft geoordeeld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte aanwezig zijn geweest bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, de moord en/of de poging tot moord op de Rijksweg A73, en evenmin dat de verdachte opzet hadden op het medeplegen van deze delicten of op het behulpzaam zijn daarbij. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Art. 359 lid 2 Sv & u.o.s.

Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2571

Feiten

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft op 18 maart 2013 het ten laste van verdachte gewezen vonnis van de Rechtbank bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging. Aldus is verdachte ter zake van zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.250,64 toegewezen en is verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, subsidiair 32 dagen hechtenis.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

Middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat niet de ver- dachte, maar betrokkene 1 het slachtoffer met een kapotgeslagen glas tegen het oor en in de hals heeft geslagen.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd over- eenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde (zware mishandeling) merk ik nogmaals het navolgende op.

Plegen van zware mishandeling:

Ik breng wederom onder uw aandacht dat mijn cliënt van meet af aan te kennen heeft gegeven dat hij niet met een glas in zijn hand heeft geslagen. Mijn cliënt ontkent nadrukkelijk dat hij aangever met een glas letsel heeft toegebracht.

Bij de politie, maar ook bij de Rechtbank in eerste aanleg en ten overstaan van uw Hof heeft mijn cliënt verklaard dat aangever op het moment dat hij bij de gokkasten stond een glas in zijn hand had, daarmee uithaalde en mijn cliënt daarmee sloeg. Deze verklaring van cliënt wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen. De verbalisant die mijn cliënt heeft gehoord, heeft direct na het voorval letsel geconstateerd aan het gezicht van mijn cliënt. Een sneetje ter hoogte van zijn rechter oogkas en een rode oogkas was waargenomen.

Ter bescherming van meerdere aanvallen van aangever heeft mijn cliënt zijn handen naar zijn gezicht getrokken. Op dat moment had hij geen glas in zijn hand. Sterker nog, tijdens de ontstane vechtpartij heeft mijn cliënt zich afzijdig gehouden. Dit blijkt duidelijk uit de verklaring van getuige [ getuige 2].

In haar verklaring valt te lezen dat zij op een bepaald moment voelde dat zij werd geduwd. Deze situatie vond ze eng en daarom is ze tegen de muur van het café aan gaan staan. Vervolgens is zij via de muur weggelopen van het gevecht in de richting van de gokautomaten. Daar kwam zij mijn cliënt tegen en heeft hem vervolgens bij zijn armen gepakt, om aan te geven dat zij in paniek was. Deze [ getuige 2] heeft mijn cliënt vervolgens vastgehouden tot het gevecht over was (pag. 59).

Uit deze lezing blijkt dat mijn cliënt zich wel degelijk afzijdig van het gebeuren heeft gehouden. Mijn cliënt bevond zich niet eens in de buurt van het gevecht. Uit de verklaring van getuige [ getuige 2] komt immers naar voren dat de vechtpartij niet bij de gokkasten gaande was. Getuige [ getuige 2] heeft immers aangegeven dat zij via de muur is weggelopen van het gevecht in de richting van de gokautomaten. Daar stond mijn cliënt en daar heeft deze [ getuige 2] mijn cliënt vastgepakt tot het gevecht voorbij was.

Van meet af aan heeft mijn cliënt ontkend dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Wel heeft mijn cliënt (meermaals) aangegeven dat [betrokkene 1] aangever met het glas heeft geslagen. Gedurende het verhoor, dat op 30 januari 2010 heeft plaatsgevonden, heeft mijn cliënt aangegeven dat ook de politie heeft vastgesteld dat mijn cliënt niet werd aangemerkt als verdachte van de zware mishandeling.

Uit het proces-verbaal CIE komt naar voren dat in de maand februari 2010 via een informant informatie is binnengekomen bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van Regiopolitie Brabant Zuidoost (pag. 78). Uit deze informatie blijkt dat mijn cliënt daadwerkelijk de waarheid vertelde. Volgens de informant heeft [betrokkene 1] tijdens de vechtpartij met een glas tegen het hoofd van aangever geslagen en niet mijn cliënt! De inspecteur van de politie heeft een oordeel gevormd over de betrouwbaarheid van de informant en over de juistheid van de informatie. De inspecteur heeft aangegeven dat deze informatie als betrouwbaar moet worden aangemerkt. Ondanks dit gegeven richt justitie haar pijlen op mijn cliënt en niet op de daadwerkelijke dader; [betrokkene 1].

Daarenboven verwijs ik naar de verklaring van [getuige 3]. Deze getuige was op de bewuste avond werkzaam als portier bij café Bora Bora. [getuige 3] geeft expliciet aan dat [betrokkene 1] degene was die bij de vechtpartij betrokken was (pag. 52). Voorts heeft deze portier foto's van deze [betrokkene 1] meegenomen naar de politie. Deze foto ontbreekt echter in het dossier. Daardoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre [betrokkene 1] overeenkomt met het signalement, dat van de dader is gegeven. Eveneens heeft de politie nagelaten om de informatie nader te onderzoeken die was geplaatst op Hyves. Getuige [getuige 3] heeft de politie hier wel nadrukkelijk op gewezen.

Al met al is een aantal zeer betrouwbare bewijsmiddelen voorhanden die wijzen in de richting van [betrokkene 1]. Daarnaast had deze [betrokkene 1] op de bewuste avond letsel aan zijn rechter hand. De verbalisant heeft een snee van circa drie centimeter waargenomen (pag. 58). Deze snee bevond zich tussen zijn duim en wijsvinger van zijn rechter hand (pag. 57). Bovendien heeft [betrokkene 1] bij de politie verklaard dat hij zelfs stukken glas uit zijn hand moest trekken (pag. 58).

De aard en omvang van dit letsel sluit haarfijn aan bij de verklaring van [betrokkene 2]. Deze persoon verklaarde immers dat de dader op de rand van de bar een glas kapot sloeg en aangever hiermee vervolgens raakte. Door het glas te breken, heeft [betrokkene 1] zijn hand verwond. Hij heeft zelfs zo hard geslagen dat hij glasscherven uit zijn hand moest trekken. En was het niet zo dat deze [betrokkene 1] op het bewust tijdstip juist aan de bar drinken stond te bestellen?

In ieder geval was noch aan de linker, noch aan de rechter hand van mijn cliënt letsel waarneembaar. Het moge duidelijk zijn dat ingeval hij wel een glas zou hebben stukgeslagen, een snee op zijn hand had moeten zitten.

Ook getuige [getuige 4] heeft aangegeven dat [betrokkene 1] betrokken was bij het voorval (pag. 39).

Ondanks al deze sporen die duidelijk in de richting van [betrokkene 1] wijzen wordt door de politie geen serieuze actie in zijn richting ondernomen, zulks ondanks het feit dat objectieve bewijsmiddelen (CIE tip, verklaring van de portier, letsel aan de rechterhand) voorhanden waren en zijn waaruit blijkt dat deze [betrokkene 1] dient te worden aangemerkt als dader. [betrokkene 1] en (een in de ogen van de politie) onbetrouwbare getuige ([betrokkene 4]) worden aan een verhoor onderworpen, dat is het enige. In plaats daarvan wordt mijn cliënt strafrechtelijk vervolgd.

Weliswaar hebben enkele getuigen aangegeven dat mijn cliënt bij het voorval betrokken zou zijn, maar bij deze verklaringen dienen kritische kanttekeningen te worden geplaatst.

Allereerst verwijs ik uw hof naar aanvullende stukken, die naar aanleiding van uw tussenarrest van 20 oktober 2011 zijn overgelegd. Meer in het bijzonder verwijs ik u naar pagina 9 van deze stukken. De verbalisant die het proces-verbaal heeft opgemaakt geeft aan dat op zondag 11 januari 2009 te 16.30 uur overleg heeft plaatsgevonden met de piket officier van justitie. De zaak zou met mr. Vinkesteijn zijn besproken. De verbalisant maakt nog melding van het feit dat 9 getuigen waren gehoord, doch dat slechts één persoon heeft gezien dat mijn cliënt een glas heeft kapot geslagen en aangever tegen het hoofd heeft geslagen. De rest heeft niet gezien wie er met het glas heeft geslagen en of mijn cliënt dit heeft gedaan. In overleg met de officier is mijn cliënt vervolgens heengezonden.

Nogmaals benadruk ik dat slechts één getuige zou hebben gezien dat mijn cliënt met glas heeft geslagen. Welke getuige dit betreft, is echter volstrekt onduidelijk. In dat kader merk ik nog wel op dat getuige [getuige 1] naast mijn cliënt op de gokkast aan het gokken was. Deze persoon is door de Raadsheer-Commissaris gehoord op 10 oktober 2012. Tijdens dit verhoor heeft [getuige 1] verklaard dat op enig moment over en weer werd geduwd en dat vervolgens alles erg snel ging. Hij heeft niet gezien dat met glas is geslagen, evenmin heeft hij gezien wie heeft geslagen.

Nu juist de persoon, die naast mijn cliënt zat niet heeft gezien dat hij heeft geslagen met glas, stel ik me de vraag hoe anderen dit wel kunnen hebben waargenomen op zaterdagnacht zijnde een tijdstip dat het bijzonder druk is in een horecagelegenheid.

Op basis van het dossier is er dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het plegen van zware mishandeling te komen. Op basis van de stukken kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat mijn cliënt dient te worden aangemerkt als dader. Er bevinden zich meerdere objectieve bewijsmiddelen, die immers wijzen in de richting van [betrokkene 1]."

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot hetgeen uit de verklaringen van getuige 2 en getuige 3, de in het proces-verbaal van de CIE weergegeven informatie en de verwondingen van betrokkene 1 kan worden afgeleid omtrent de betrokkenheid van de ver- dachte bij het tenlastegelegde, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt af- geweken, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet in voldoende mate blijken uit de weergegeven bewijsmotivering. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wet herstructurering varkenshouderij: Slagende bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet

Hoge Raad 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2574

Feiten

Na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 7 december 2010 heeft de economische kamer van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch bij arrest van 2 oktober 2012 de verdachte ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 15, eerste lid, van de Wet herstructurering varkenshouderij, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd veroordeeld tot een geldboete van € 75.000.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

"B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij moet worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, omdat enige vorm van opzet niet bewezen kan worden. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat verdachte met ingang van 1 januari 2003 de pacht van de stallen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft overgenomen op basis van een verplichting aangegaan door [betrokkene 3] op een moment dat op basis van de tekst van het Besluit hardheidsgevallen erop vertrouwd mocht worden dat de pachters een varkensrecht toegekend zouden krijgen dat vervolgens in het kader van de pachtoverdracht overgedragen kon worden aan verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

De verklaring van [betrokkene 3], vertegenwoordiger van verdachte, houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - het volgende in:

"Op 1 januari 2003 hadden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] nog een procedure lopen bij het CBB voor het verkrijgen c.q. toegekend krijgen van varkensrechten m.b.t. de door hen in die stallen gehouden varkens. De uitkomst van die procedure was toen nog niet bekend."

B.3

Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft verdachte in 2003 en 2004 varkens gehouden, terwijl zij wist dat daarvoor geen varkensrechten waren toegekend. Naar het oordeel van het hof mocht verdachte er redelijkerwijs niet op vertrouwen dat de pachters alsnog een varkensrecht toegekend zou worden dat aan haar overgedragen kon worden. De uitkomst van de procedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven was immers, zoals de vertegenwoordiger van verdachte ook verklaarde, nog ongewis, terwijl verdachte aan de enkele omstandigheid dat zij op basis van de tekst van het Besluit hardheidsgevallen meende dat de pachters een varkensrecht toegekend zouden krijgen, redelijkerwijs niet dat vertrouwen kon ontlenen. Immers, er zal in zijn algemeenheid slechts sprake zijn van een procedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven na een negatieve beslissing van een bestuursorgaan.

Verdachte heeft aldus door varkens te houden alvorens door het College van beroep voor het bedrijfsleven uitspraak was gedaan in de procedure voor het verkrijgen dan wel toegekend krijgen van varkensrechten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij varkens zou houden zonder dat de varkensrechten aanwezig waren.

Aldus heeft verdachte opzettelijk meer varkens onderscheidenlijk fokzeugen gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht onderscheidenlijk fokzeugenrecht.

B.4

Het hof verwerpt het verweer."

Namens de verdachte heeft mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde opzet.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft overwogen dat de verdachte "er redelijkerwijs niet op [mocht] vertrouwen" dat de pachters alsnog een varkensrecht toegekend zou worden dat aan haar overgedragen kon worden nu de uitkomst van de procedure bij het College van beroep voor het bedrijfsleven "nog ongewis" was. Het enkele feit dat de verdachte dat vertrouwen niet mocht hebben, sluit niet uit dat zij dat vertrouwen wel had, mede in aanmerking genomen dat nog niet vaststond dat de uitkomst van de lopende procedure ongunstig voor haar zou zijn. Gelet hierop is 's Hofs oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij varkens hield zonder het vereiste varkensrecht ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^