Opzetheling

Hoge Raad 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1103

Verdachte is bij arrest van 28 mei 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1. verduistering van een personenauto en 2. Opzet- heling van een andere personenauto, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Het hof heeft ten aanzien van verdachte onder feit 2 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 16 januari 2012 tot en met 26 mei 2012 te Rhenen, een personenauto, merk Land Rover heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto, wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaringen voorts overwogen: "Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen."

Middel

Het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de in de bewezenverklaring van feit 2 genoemde auto (Land Rover) een door misdrijf verkregen goed betrof omdat "uit het enkele feit dat rekwirant in het bezit was van de auto niet volgt dat rekwirant wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof".

Beoordeling Hoge Raad

Uit de vaststelling dat de verdachte "zijn" auto, merk Land Rover, voorzien van valse kentekenplaten, bij de dealer achterliet zonder die weer te komen ophalen, heeft het Hof kennelijk afgeleid dat het dermate onwaarschijnlijk is dat de verdachte niet wist dat die auto van misdrijf afkomstig was dat het niet anders kan zijn dan dat hij die wetenschap had. Aldus beschouwd is het oordeel van Hof ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat namens de verdachte geen feiten en omstan- digheden naar voren zijn gebracht die aan deze onwaarschijnlijkheid afbreuk zouden kunnen doen.

Het middel faalt.

Conclusie AG Spronken: anders

In het middel wordt terecht naar voren gebracht dat het hof uit deze be- wijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de auto van het merk Land Rover, type Range Rover omdat uit het enkele feit dat verdachte in het bezit was van deze auto, niet volgt dat hij wist dat deze door misdrijf verkregen was.

Alhoewel de gang van zaken met betrekking tot de verduistering van de BMW doet vermoeden dat verdachte de Land Rover niet rechtmatig heeft verworven, kan noch uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, noch uit de nadere bewijsoverweging worden afgeleid dat verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat de Land Rover gestolen was. Ik ben daarom van oordeel dat de bewezenverklaring van feit 2 niet voldoende conform de eis van de wet met redenen is omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Falende klacht over de kwalificatie van verduistering in dienstbetrekking; conclusie AG anders

Hoge Raad 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1096

Feiten

Aan de verdachte is (meer subsidiair) tenlastegelegd dat: "[betrokkene 1] op of omstreeks 27 september 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2500 digitale camera's (van het merk Samsung), in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele toebehorende(n) aan [A] en/of Samsung Opto Electronics France SA en/of Samsung International, in elk geval aan een ander of anderen dan aan [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, en welk(e) goed(eren) [betrokkene 1] en/of zijn mededader(s) en/of verdachte uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking van/als chauffeur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 11 september 2007 tot en met 11 november 2007 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door

- te helpen met de opbouw van pallets en het omwikkelen van pallets met zwart tape en/of

- te helpen met het uitladen en verwisselen van pallets en/of

- (tweemaal) mee te gaan met het ophalen van voornoemde camera's en/of

- mee te helpen met het opruimen en wegbrengen van de restanten in een loods en/of

- mee te helpen met schoonmaken/vegen van een loods en/of

- een deel van de buit (als beloning) in bezit te hebben."

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 16 juli 2012 voor mede- plichtigheid aan medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 128 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk. Tevens heeft het hof de verbeurdverklaring uitgespro- ken van in beslag genomen voorwerpen.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde gronddelict ten on- rechte heeft gekwalificeerd als verduistering in dienstbetrekking, althans dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft de tenlastelegging aldus opgevat dat zij mede is toegesneden op art. 322 in verbinding met art. 48 Sr. Het Hof heeft het bewezen- verklaarde gekwalificeerd als "medeplichtigheid aan medeplegen van ver- duistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft". Voorts heeft het Hof als te dezen mede toepasselijk wettelijk voorschrift wel art. 322 Sr doch niet art. 310 Sr vermeld.

Het Hof heeft in de voor de bewezenverklaring gebruikte tekst van de ten- lastelegging bij vergissing

  1. niet doorgehaald de woorden "met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen" en
  2. na "als chauffeur onder zich had", heeft doorgehaald de woorden "wederrechtelijk zich hebben toegeëigend".

De Hoge Raad leest de bewezenverklaring in die zin verbeterd. Daardoor ontvalt aan het middel de feitelijke grondslag zodat het niet tot cassatie kan leiden.

Conclusie AG Machielse

De gemachtigd advocaat van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen kritische opmerkingen gemaakt over de inhoud van hetgeen meer subsidiair is tenlastegelegd. De advocaat heeft geen beroep gedaan op nietigheid van de tenlastelegging wegens innerlijke tegenstrijdigheid. Maar dat staat mijns inziens niet in de weg aan een inhoudelijke bespreking van de klacht in cassatie. De onvolkomenheid van de tenlastelegging van het meer subsidiaire feit is immers niet gelegen in een onvoldoende feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde gedraging maar in een tegen- strijdigheid die samenhangt met de inhoud van aan delictsomschrijvingen ontleende onderdelen. De AG gaat er tenminste van uit dat de woorden in de tenlastelegging "weggenomen", "uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking" en "anders dan door misdrijf onder zich had(den)" zijn ontleend aan de artikelen 310, 321 en 322 Sr en dezelfde betekenis hebben als daaraan in de delictsomschrijvingen toekomt. De Hoge Raad kan daarom toetsen of het gebruik in de tenlastelegging van deze woorden gelet op de daaraan toekomen rechtskundige betekenis de consistentie van die tenlastelegging aantast.

Van een voltooid wegnemen als bedoeld in artikel 310 Sr is nodig dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken, dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. Tussen "wegnemen" van artikel 310 Sr en "afgifte" van artikel 317 Sr kan geen scherpe grens worden getrokken, maar tussen "wegnemen" en "anders dan door misdrijf onder zich hebben" wel. Wegnemen vestigt immers de heerschappij, het onder zich hebben veronderstelt een feitelijke heerschappij doordat zaken zijn toevertrouwd. Wat men onder zich heeft, hoeft niet meer te worden weggenomen. Door bewezen te verklaren dat be- trokkene 1 de camera's die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had heeft weggenomen, heeft het hof de verhouding tussen artikel 310 Sr en artikel 321 Sr miskend. Het hof heeft hetzij een onjuiste betekenis toegekend aan het bestanddeel "wegnemen", hetzij aan het bestanddeel "onder zich hebben". Daardoor is de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig. Ten overvloede wijs ik erop dat de oorspronkelijke tenlastelegging mijns inziens wel de mogelijkheid biedt deze aldus uit te leggen dat zij ook medeplichtigheid aan (medeplegen van) verduistering in dienstbetrekking omvat.

Het tweede middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag & beslag: HR herhaalt maatstaf m.b.t. de beoordeling van klaagschrift tegen beslag ex art. 94a Sv

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977

Feiten

De Rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van 2 mei 2013 het namens klaagster ingediende beklag gericht tegen het voortduren van de inbeslagneming van het recht van erfpacht op de woning gelegen aan de a-straat 1 te Purmerend gegrond verklaard en bevolen tot opheffing van het beslag.

De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Vast is komen te staan, dat bedoeld beslag op 16 januari 2013 op rechtmatige wijze onder klaagster in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

De raadsvrouw voert het woord ter verdediging overeenkomstig de inhoud van een als bijlage l aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. In aanvulling op het in bijlage I geschrevene pleit de raadsvrouw - zakelijk weergegeven - als volgt:

Klaagster is eigenaresse van de onroerende zaak aan de a-straat 1 te Purmerend. Zij was niet op de hoogte van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in deze door haar aan een bekende van haar familie verhuurde woning. Zij woont zelf sedert 2001 in een huurwoning in Amsterdam en zij heeft de woning in Purmerend al jaren niet meer bezocht. Voorts is zij bezig de woning in Purmerend te verkopen. Het conservatoir beslag verhindert een verkoop aanzienlijk en klaagster wordt hierdoor ernstig benadeeld.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat klaagster ervan wordt verdacht in strijd te hebben gehandeld met een in artikel 3 onder b van de Opiumwet gegeven verbod. Zij is eigenaresse van de woning waarin op 13 februari 2012 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Dit vraagt om een uitleg. Nu klaagster niet de naam wil noemen van de bekende van haar familie aan wie zij destijds de woning heeft verhuurd, is haar verhaal niet te controleren. Deze feiten en omstandigheden zijn voldoende om het beslag te laten voortduren. Het maximum bedrag waarvoor in deze zaak het recht tot verhaal zal worden toegepast bedraagt € 63.645,93 .

De rechtbank is gelet op alle omstandigheden van oordeel dat de persoonlijke belangen van klaagster prevaleren boven het strafvorderlijk belang.

Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

Tegen deze beschikking is door de Officier van Justitie, mr. M. Kattouw, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij haar beslissing tot gegrondverklaring van het beklag niet de toepasselijke maatstaf heeft aangelegd, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat het gaat om een op de voet van art. 94a Sv onder de klaagster gelegd beslag op het in de bestreden beschikking genoemde vermogensrecht.

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen zo een beslag dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat zij deze maatstaf heeft aangelegd. Daarom is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66).

Indien de Rechtbank met haar overweging dat zij "gelet op alle omstandigheden van oordeel is dat de persoonlijke belangen van klaagster prevaleren boven het strafvorderlijk belang", het oog erop heeft dat de voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft zij dat oordeel niet ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Afwijzing aanhoudingsverzoek

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972

Feiten

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 28 december 2012 voor: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een boete van € 500 en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging voor zes maanden gelast.

Verdachte heeft cassatie doen instellen.

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ter terechtzitting teneinde de in Malta verblijvende verdachte bij zijn berechting aanwezig te laten zijn.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermeldt dat de verdachte niet is verschenen en houdt voorts het volgende in:

"De voorzitter deelt voorts mondeling mede de korte inhoud van een brief van mr Ronday, gedateerd

14 december 2012, waarin hij verzoekt om aanhouding van de behandeling.

De raadsman voegt hier aan toe:

Mijn cliënt verblijft bij kennissen van zijn ouders op Malta. Hij is nu vijf maanden clean. Ik heb de vader van mijn cliënt pas vorige week gesproken hierover. Mijn cliënt wil graag komen vertellen hoe het nu met hem gaat. Het hoger beroep is gericht tegen de door de politierechter opgelegde straf.

De advocaat-generaal voert het woord:

De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is in orde. Ik heb geen bijzondere reden gehoord voor aanhouding van de behandeling. De verdachte heeft vrijwillig afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn ter terechtzitting. Ik verzet mij tegen aanhouding van de behandeling.

De raadsman merkt op:

Het standpunt van de advocaat generaal vind ik teveel gericht op productie. Mijn cliënt verdient het om persoonlijk te komen vertellen hoe het met hem gaat. Als er een datum bekend is voor een volgende behandeling, dan kan ik hem dat laten weten en dan kan hij ervoor zorgen dat hij dan wel in Nederland is.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om aanhouding van de behandeling wordt afgewezen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn cliënt heden ter terechtzitting niet aanwezig zou kunnen zijn. Het hof houdt het ervoor dat hij kennelijk geen gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het onderzoek wordt aanstonds voortgezet."

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR: 1999:ZD1314, NJ 1999/294).

Uit 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is de afwijzing door het Hof van het verzoek ontoereikend gemotiveerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het Hof heeft i.s.m. art. 359 lid 2 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het u.o.s.

Hoge Raad 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:966

Feiten

De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 17 september 2012 de verdachte wegens primair “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven op grond waarvan het is afgeweken van het namens de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 niet geloofwaardig en niet betrouwbaar zijn.

Beoordeling Hoge Raad

Hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige 1 en getuige 2 kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door de gewraakte verklaringen voor het bewijs te gebruiken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^