HR casseert in WOTS: Omzetting straf naar NL maatstaven leidend

Hoge Raad 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:177

Feiten

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 juni 2013 de tenuitvoerlegging in Nederland van de in Zweden gewezen rechterlijke beslissing van het “Svea Hovrätt te Stockholm” van 31 augustus 2012 toelaatbaar verklaard en verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van die beslissing waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf. De rechtbank heeft de veroordeelde ter zake het in die rechterlijke beslissing ten laste van hem bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren opgelegd, met aftrek van de tijd gedurende welke de veroordeelde in Zweden en in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest, één en ander zoals omschreven in de bestreden uitspraak.

De uitspraak houdt ten aanzien van de op te leggen straf het volgende in:

"De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging toelaatbaar wordt geacht brengt ingevolge artikel 31, eerste lid van de Wet [overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen] juncto artikel 9, eerste lid sub b van het Verdrag [inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb.1983, 74)] mee dat de rechtbank voor de straf die Zweden aan de veroordeelde heeft opgelegd een sanctie in de plaats dient te stellen, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.

Ten laste van veroordeelde is bij meergenoemd vonnis bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde drugssmokkel.

Dit feit is strafbaar gesteld bij § 3 lid 1 en § 6 lid 3 van de Wet (2000:1255) betreffende de straf voor smokkel.

Het overeenkomstige feit is naar Nederlands recht strafbaar gesteld in de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet.

Ter zake van dit feit kan een maximum straf van 12 jaren of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Bij samenloop kan het strafmaximum met een derde worden verhoogd.

De rechtbank acht de veroordeelde ter zake van dit strafbare feit strafbaar, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die deze strafbaarheid zouden kunnen verminderen of opheffen.

Bij het bepalen van de sanctie heeft de rechtbank in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent is voorgeschreven in artikel 11 van het Verdrag.

De rechtbank meent dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. De rechtbank houdt derhalve rekening met het feit dat ook in Zweden het invoeren van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs als een ernstige inbreuk op de rechtsorde aldaar geldt. Voorts meent de rechtbank dat veroordeelde, door zich in Zweden schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.

De rechtbank, eveneens van oordeel dat van een ernstig vergrijp sprake is, is van oordeel dat de in Zweden aan de veroordeelde opgelegde straf, in aanmerking genomen de maximumstraf die naar Nederlands recht op het feit is gesteld en mede in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, in redelijkheid verantwoord is.

Op vorenstaande gronden is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren gerechtvaardigd is en zal zij geen lagere straf opleggen dan door het Svea Hövratt in Stockholm (Zweden) is opgelegd."

Namens de veroordeelde heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, heeft namens veroordeelde een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat de Rechtbank bij de strafoplegging blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 31, eerste lid, WOTS dient de exequaturrechter zijn uitspraak met redenen te omkleden en dient de uitspraak de bijzondere redenen op te geven die de opgelegde straf hebben bepaald of tot de opgelegde maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. Gelet op de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in HR 26 juni 1990, NJ 1991/190 moet deze bepaling aldus worden verstaan (a) dat de exequaturrechter bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden, en (b) dat hij in voorkomend geval onder de bijzondere redenen die de straf hebben bepaald, dient te vermelden waarom hij tot een lagere strafoplegging is gekomen. (Vgl. HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6410, NJ 2004/511.)

Blijkens haar hiervoor weergegeven overweging heeft de Rechtbank bij de strafoplegging tot uitgangspunt genomen dat de ernst van het gepleegde feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. Aldus heeft de Rechtbank hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld miskend. De daarop gerichte klacht is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM verwart witwasvervolging met ontnemingsprocedure

Hoge Raad 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194

Feiten

De verdachte is bij arrest van 9 maart 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel en 4. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft vrijgesproken van hetgeen onder 3 is tenlastegelegd (gewoontewitwassen), nu het Hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van het in de tenlastelegging voorkomende bestanddeel "afkomstig (…) uit enig misdrijf".

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

"hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 16 december 2007 tot en met 01 februari 2010, te Beverwijk en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander of ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

  • van onderstaand(e) voorwerp(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) is/zijn en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of
  • onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten:
  • (meerdere), althans (een) vakantie(s) en/of reizen naar het buitenland (waaronder Spanje en/of Parijs en/of Curaçao) althans ticket(s)/voucher(s) voor de reis naar en/of het verblijf op deze bestemming(en)en/of
  • een of meer geldbedrag(en) van ongeveer (in totaal) 7.852,97 euro althans een of meer geldbedrag(en) en/of
  • diverse Swarovski kristallen en/of beeldjes en/of
  • merkkleding (en -schoeisel) en/of tassen en/of accesoires (van onder meer het merk Louis Vuitton) en/of
  • diverse sieraden en/of horloges (van onder meer de merken Rolex en/of Audemars Piquet en/of Breitling en/of
  • een of meerdere personenauto('s),te weten een BMW X6 met kenteken [AA-00-BB] en/of een BMW X6 met kenteken [CC-00-DD] en/of een Volkswagen Golf met kenteken [EE-00-FF] en/of
  • divers onroerend goed, te weten een recreatiewoning (Gilze en Rijen […] (gelegen op recreatiepark Wouwerdries) en/of een parkeerterrein te Vinkeveen (kadastraal object Vinkeveen […]);

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moet(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"Vrijspraak feit 3

Naar het oordeel van het hof is, zoals eerder vermeld, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. 

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. 

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het gewoontewitwassen door middel van het voorhanden hebben van de ten laste gelegde geldbedragen, sieraden, merkkleding en tassen, auto's en voorts door middel van vakanties bewezen kan worden verklaard. 

Zij baseert zich daarbij kort gezegd op de vaststelling dat het legale inkomen, voor zover bekend, van de verdachte aanzienlijk lager is dan de door hem in de ten laste gelegde periode bestede geldbedragen. Zij wijst voorts op enkele door haar als opvallend gekarakteriseerde omstandigheden die aan het bewijs kunnen bijdragen. 

Namens de verdachte is om vrijspraak verzocht. 

Zoals in het voorgaande is overwogen zal het hof ten laste van de verdachte één transactie waarbij hennep is vervoerd en overgedragen, bewezen verklaren. 

Dit brengt met zich dat het bewijs voor witwassen van de voorwerpen en geldbedragen, zoals ten laste gelegd op de inleidende dagvaarding onder 3, beoordeeld zal dienen te worden tegen de achtergrond dat een rechtstreeks verband met concrete misdrijven, welke financieel voordeel voor de verdachte zouden hebben opgeleverd, nagenoeg ontbreekt. Dit betekent dat het hof een ander vertrekpunt kiest dan de rechtbank heeft gedaan die, zo blijkt uit het vonnis, uitging van een aanzienlijk aantal ten laste van de verdachte bewezen verklaarde handelingen met hennep als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b, van de Opiumwet. 

Daar komt bij dat de ten laste gelegde pleegperiode van het witwassen de periode van 16 december 2007 tot en met 1 februari 2010 betreft, hetgeen een aanzienlijke uitbreiding in de tijd betekent ten opzichte van de pleegdatum van de bewezen te verklaren henneptransactie. 

Ook deze omstandigheid leidt ertoe dat het hof het toetsingskader zal dienen te hanteren dat wordt toegepast ingeval van een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat - zoals door de advocaat-generaal is gerekwireerd- het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. 

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Zo een verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. 

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. 

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdacht blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. 

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het navolgende overwogen. 

De advocaat-generaal heeft, kort samengevat, op het navolgende gewezen.

Uit de processen-verbaal witwassen blijkt dat de verdachte en zijn partner in de ten laste gelegde periode kennelijk contante uitgaven hebben gedaan voor de aanschaf van dure merktassen, vakanties en een drietal auto's. Voorts is onder de verdachte een contant geldbedrag van ruim € 7.500,- in beslag genomen. Het totaal aan hiermee gemoeide geldbedragen is reeds hoger dan de legale inkomsten van de verdachte en zijn partner. Daarnaast dient er van te worden uitgegaan dat de verdachte vaste lasten heeft gehad in verband met onder meer kosten voor levensonderhoud, hypotheek en leasing van auto's. 

Het hof is van oordeel dat de advocaat-generaal - gezien het vorenstaande en door middel van de in het geding gebrachte stukken - geldstromen en vermogensbestanddelen in beeld heeft gebracht die zich tegen de achtergrond van het legale inkomen van de verdachte, zoals dat is gebleken uit aangiftes gedaan bij de belastingdienst en documenten betrekking hebbend op zijn commerciële bedrijfsvoering, niet zonder nadere verklaring volkomen laten begrijpen. Het hof is dan ook van oordeel dat het vorenstaande een zogeheten witwasvermoeden oplevert. 

De advocaat-generaal heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat bij deze stand van zaken het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat alle uitgaven wel verklaard kunnen worden uit legale bronnen en dat, nu een dergelijke verklaring ontbreekt, witwassen bewezen kan worden verklaard. 

Het hof stelt vast dat de verdachte gedurende het onderzoek telkens heeft verklaard dat hij in auto's handelt en dat hij in de loop van de onderzochte periode de kentekens van een groot aantal auto's voor kortere of langere tijd op zijn naam heeft doen stellen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij gedurende zijn detentie in de jaren 2005 en 2006 een financiële reserve heeft opgebouwd doordat hij in die periode maandelijks een uitkering ontving.

Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de verdachte in elk geval gedurende een deel van de pleegperiode waarin transacties plaatsvonden een bankrekening had, welke rekening blijkens de stukken in het dossier ten onrechte niet in het politieonderzoek is betrokken. 

Het hof overweegt dat het opsporingsonderzoek dat bekend is geworden onder naam "Kever" primair gericht is geweest op de handel in hennep. Daarbij zijn tevens voorwerpen in beslag genomen en zijn, onder meer met toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden, inlichtingen gevorderd op basis waarvan geldstromen de verdachte betreffend in kaart zijn gebracht. Het dossier is, zo is het hof op grond van achtereenvolgens kennisneming van dat dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder begrepen de door de advocaat-generaal gedane mededelingen gebleken, niet primair vanuit een financiële oriëntatie opgebouwd. 

Op grond van de bevindingen van de politie kan naar het oordeel van het hof als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte heeft gehandeld in auto's en dat de daarmee gegenereerde omzet noch het daaruit verkregen inkomen door hem aan de fiscus adequaat zijn verantwoord. In zoverre kan de conclusie worden getrokken dat vermoedelijk voordeel van enige omvang is verkregen uit fiscale delicten. De omvang van de omzet respectievelijk het inkomen waarvoor een aangifteverplichting bestond is echter niet onderzocht door ter zake deskundige of bevoegde ambtenaren en valt naar het oordeel van het hof ook overigens niet af te leiden uit of te ramen op basis van informatie in het dossier (bijvoorbeeld door opgelegde belastingaanslagen). De inhoud van het requisitoir van de advocaatgeneraal geeft het hof overigens geen aanleiding ervan uit te gaan dat de advocaat-generaal het oog heeft gehad op fiscale misdrijven als brondelicten. 

Bij deze stand van zaken komt het hof tot het oordeel dat mogelijk zou kunnen worden uitgegaan van de bewijsbaarheid van het subsidiair in de tenlastelegging opgenomen "enig geldbedrag". Gelet echter op de bewoordingen van de tenlastelegging en de daarop door de advocaat-generaal in het bestek van haar requisitoir gegeven toelichting moet het er evenwel voor worden gehouden dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op een, van de feitelijke bevindingen geabstraheerde en naar omvang niet gedefinieerde, geldstroom die het resultaat is van niet nader onderzochte fiscale delicten. 

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het - in het licht van de bij de beoordeling te nemen stappen - op de weg van verdachte ligt de door haar gepresenteerde bewijsmiddelen te weerspreken bij gebreke waarvan het ten laste gelegde witwassen voor bewezenverklaring gereed ligt, in die zin dat - aldus de advocaat-generaal - de bewezenverklaring van "een geldbedrag" mogelijk is en gevorderd wordt. 

In bewoordingen, kennelijk ontleend aan de procedure ter vaststelling en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de advocaat-generaal gesteld dat de verdachte aannemelijk dient te maken dat het gepresenteerde witwasvermoeden ongegrond is. 

Door haar standpunt aldus te formuleren heeft de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof een onjuiste uitleg gegeven aan het toetsingskader. 

Anders dan in de ontnemingsprocedure, waarin de rechter immers schattenderwijs de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel op  aannemelijkheid wordt berekend en geschat, worden in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard, andere, in de zin van hogere eisen gesteld aan precisie en concreetheid van hetgeen bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de bewijslastverdeling in de onderscheiden procedures en voor aan de proceshouding van een verdachte te verbinden consequenties.

Door dit onderscheid onvoldoende in acht te nemen heeft de advocaat-generaal naar het oordeel van het hof niet onderkend dat de bewijskracht en bewijswaarde van hetgeen zij ter terechtzitting in hoger beroep op basis van het dossier heeft gepresenteerd ontoereikend is om tekortkomingen in de verklaringen van de verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen. 

De verklaringen van de verdachte, hoe gefragmenteerd en onvolledig ook, - hetgeen op zich niet onbegrijpelijk is in het licht van het feit dat de door het openbaar ministerie aangeleverde onderbouwing geenszins eenvoudig te lezen viel - leverden nu door die verklaringen niet met voldoende mate van zekerheid de legale herkomst kan worden uitgesloten, althans onvoldoende duidelijk is in welke mate er (mogelijkerwijs) sprake is van vermenging van legale en illegale geldstromen, naar het oordeel van het hof een verplichting voor het openbaar ministerie op om in de vorm van nader onderzoek feiten en omstandigheden aan te brengen die de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten. Dit laatste is - naar het oordeel van het hof - onvoldoende gebeurd. 

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep niet uitgelaten over het bewijs voor het ten laste gelegde medeplegen van het witwassen. 

Voor zover de tenlastelegging ziet op handelingen van de verdachte die een nauwe en bewuste samenwerking met zijn partner ten aanzien van door haar gedane uitgaven opleveren overweegt het hof als volgt. 

De verklaringen van mevrouw Verweij bieden geen enkel aanknopingspunt dat zij wetenschap heeft gehad van brondelicten, gepleegd in de ten laste gelegde periode, van welker opbrengst zij opzettelijk uitgaven heeft gedaan. 

Nu het vereiste onderzoek niet is geschied en ook overigens het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dient de verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen. 

Tot slot maakt het hof het openbaar ministerie opmerkzaam op het volgende. De complicaties die zich hebben voorgedaan bij de beoordeling van het bewijs voor het ten laste gelegde gewoontewitwassen waren naar het oordeel van het hof voorzienbaar. 

Het heeft ontbroken aan volledigheid in het opsporingsonderzoek en er is geen samenhang aangebracht in de uiteenlopende onderzoeksbevindingen. Ondanks nadrukkelijk gestelde vragen van het hof is ook de advocaat-generaal er in haar requisitoir niet in geslaagd de benodigde samenhang alsnog aan te brengen waarbij het hof aantekent dat dit tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier een vrijwel onmogelijke opgave was. 

Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de beschuldiging van witwassen aan de tenlastelegging is toegevoegd op grond van aangetroffen vermogensbestanddelen die vragen opriepen en gevorderde gegevens die zicht boden op het ontbreken van een geordende en regelmatige administratie. Het heeft in dit op hennephandel gerichte opsporingsonderzoek aan een gerichte oriëntatie op bewijsvergaring voor witwassen ontbroken. Voorts heeft de officier van justitie op de terechtzitting in eerste aanleg medegedeeld dat het openbaar ministerie ook een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal maken. 

Tegen deze achtergrond bezien heeft zich de vraag opgedrongen naar de toegevoegde waarde van de opgestelde tenlastelegging, mede bezien in het licht van achtereenvolgens de aanmerkelijke belasting die vervolging van witwassen in gevallen als deze doorgaans en ook in het onderhavige geval oplevert voor het strafproces als geheel en de afwegingen die voortdurend aan de orde zijn over de aanwending van schaarse middelen in het publieke domein, meer in het bijzonder de strafrechtelijke keten. In het besef dat een rechterlijke waardering van deze aard minder gebruikelijk is acht het hof het, nu deze zaak niet op zichzelf staat, niettemin aangewezen om deze vraag bij wijze van signaal uit te spreken."

In zijn overwegingen heeft het Hof - uitgaande van het juiste algemene toetsingskader, waaronder dat 'witwassen' kan worden bewezen verklaard indien het op grond van de vastgestelde omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is - geoordeeld dat, gelet op het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijsmateriaal en het ter zake door en namens de verdachte omtrent de legale herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen en voorwerpen aangevoerde, de legale herkomst van die geldbedragen en voorwerpen niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, terwijl tevens onvoldoende duidelijk is in welke mate (mogelijkerwijs) van vermenging van legale en illegale geldstromen sprake is. Het Hof heeft geoordeeld dat het in de gegeven omstandigheden vereiste nader onderzoek door het Openbaar Ministerie naar feiten en omstandigheden "die de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten" onvoldoende is gebeurd en als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in verband daarmee hetgeen door het Openbaar Ministerie aan materiaal is gepresenteerd ontoereikend is om tekortkomingen in de verklaringen van de verdachte op te vatten als een onvoldoende weerlegging van het bewijsvermoeden van witwassen en dat ook overigens het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de in de tenlastelegging van feit 3 genoemde geldbedragen en goederen (mede) "afkomstig was/waren uit enig misdrijf". Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bestanddeel "afkomstig (…) uit enig misdrijf" als bedoeld in art. 420bis Sr. Dat oordeel is, gelet op de aan het Hof voorbehouden weging en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal, als van feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar. Dit oordeel is, mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting, ook niet onbegrijpelijk.

Voor zover het middel het standpunt huldigt dat het Hof ten onrechte voor het bewijs van het bestanddeel "voorwerp (…) afkomstig uit enig misdrijf" de eis heeft gesteld dat "het concrete bedrag of de concrete bedragen [aan illegaal vermogen] met voldoende precisie bewezen moeten kunnen worden" en dat niet kan worden volstaan met de bewezenverklaring van "enig geldbedrag", gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest, zodat het in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het Hof niet geoordeeld dat voor het bewijs van de in de tenlastelegging opgenomen bestanddelen "voorwerp afkomstig uit enig misdrijf" en "een geldbedrag" is vereist dat steeds de concrete brondelicten en de precieze omvang van de daaruit voortvloeiende gelden moeten worden bewezen, maar dat het bewijs daarvan in de gegeven omstandigheden ontbreekt.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontvankelijkheid OM & Dierenarts in hoedanigheid van toezichthouder namens de VWA

Hoge Raad 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:136

Feiten

Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 8 juni 2011 de verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 3 tenlastegelegde. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte (onder 2) bewezenverklaard dat:

"zij - vanaf 12 februari 2007 [medeverdachte] geheten - in/vanuit een door haar geëxploiteerd slachthuis, in de periode van 1 april 2006 tot en met 20 juni 2007 te Melderslo (gemeente Horst aan de Maas) opzettelijk een door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en Warenautoriteit afgekeurd varken dan wel een door de keuringsdierenarts anderszins voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard varken, te weten:

  • een varken voorzien van het slachtmerk (slachtbliknummer) [001] en
  • een varken voorzien van het slachtmerk (slachtbliknummer) [002] en
  • een varken voorzien van het slachtmerk (slachtbliknummer) [003],

zijnde destructiemateriaal, heeft onttrokken of heeft laten onttrekken aan verwerking, door dit destructiemateriaal telkens uit de destructiebakken/

  • tonnen te halen of te laten halen en/of dit destructiemateriaal niet aan (personeel van) het verwerkingsbedrijf [A] aan te bieden of aan te laten bieden."

Het Hof heeft verdachte aldus wegens feitelijk leiding geven aan het dor een rechtspersoon begaan van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 4 van de Destructiewet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 95 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Het Hof heeft de bewezenverklaring onder meer doen steunen op de inhoud van de daartoe gebezigde verklaringen van [getuige], de betreffende keuringsdierenarts, opgenomen als bewijsmiddel 3 en 4, welke bewijsmiddelen - voor zover hier van belang - het volgende inhouden:

"3. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 20 juni 2007 van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van LNV, documentcode 0419.070620.1800.G01, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:

als de op 20 juni 2007 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige]:

Op dinsdag 19 juni 2007 heb ik op [medeverdachte] Slachtplaats Melderslo de levende keuring verricht. Ik heb die dag drie varkens als niet slachtwaardig betiteld.

Op voornoemde dag zijn door de keurmeester van de KDS drie karkassen van vleesvarkens van 30-40 kilo als overziener aangewezen. Ik heb de karkassen bekeken en afgekeurd. (...)

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige van 14 november 2007 van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van LNV, documentcode 2028.071114.0800.G01, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:

als de op 14 november 2007 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige]:

U toont mij een Dagstaat PM keuring van slachthuis [medeverdachte] BV d.d. 19-06-07 met documentcode [004].

Ik heb dit document opgemaakt. Achter het slachtmerk [001] staat V 4 en in de kolom "afwijking" de tekst: ziek en in de kolom "na het slachten" NSW. Dit betekent dat dit een ziek dier was met ernstige algemene afwijkingen.

U toont mij een Dagstaat PM keuring van slachthuis [medeverdachte] BV d.d. 19-06-07 met documentcode [005]

Uit dit document volgt dat het karkas met slachtmerk [002] een karkas was met een ontstoken huid en petechien op de nier. Dit betreffende karkas heb ik afgekeurd en ter destructie bestemd.

Onder aan dit document staat met blauwe pen geschreven: het slachtmerk [003]. Dit dier had een ontstoken huid. Dit betreffende karkas heb ik afgekeurd en ter destructie bestemd."

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens:

  • inzet van een niet-opsporingsambtenaar bij de opsporing in combinatie met een forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);
  • inzet van een niet-opsporingsambtenaar bij de opsporing;
  • (...)

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt als volgt. (...)

Inzet van een niet-opsporingsambtenaar bij de opsporing

Naar het oordeel van het hof was de dierenarts in de hoedanigheid van toezichthouder namens de Voedsel en Warenautoriteit bevoegd controlebevoegdheden uit te oefenen en op grond van de toepasselijke communautaire Voorschriften met betrekking tot de keuring van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (met name Bijlage I, hoofdstuk II, onderdeel F bij Verordening (EG) 854/2004) alsmede op grond van artikel 5:18 van de Algemene Wet Bestuursrecht bevoegd monsters te nemen. De enkele omstandigheid dat deze controlebevoegdheid is aangewend nadat een verdenking van een strafbaar feit was gerezen, doet niet af aan de rechtmatigheid van de uitoefening van deze controlebevoegdheid, nu niet aannemelijk is geworden dat bij het gebruik maken van die bevoegdheid de aan de verdachte toekomende waarborgen niet in acht zijn genomen. Het materiaal waarvan monsters zijn afgenomen bestaat immers onafhankelijk van verdachtes wil, zodat ook niet aannemelijk is geworden dat de verdachte is gedwongen mee te werken aan zijn eigen vervolging. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het gebruik maken van controlebevoegdheden nadat sprake was van een verdenking van een strafbaar feit noch op zich zelf noch in combinatie met de overschrijding van de redelijke termijn aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in de weg staat."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Zoals ook uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt, heeft de keuringsdierenarts in zijn hoedanigheid van toezichthouder namens de Voedsel en Waren Autoriteit op 19 juni 2007 een keuring verricht. Blijkens de stukken van het dossier hield het namens de verdachte gevoerde verweer niet in dat de dierenarts tot deze keuring niet bevoegd was, maar had dit verweer betrekking op in de periode mei en juni 2007 door de dierenarts in de slachterij tevens genomen haar- en vleesmonsters van varkens op de (slacht-)dagen dat hij daar als keuringsdierenarts toezicht hield. Ten aanzien van die monsternemingen - waarvan de resultaten door het Hof ook niet voor het bewijs van het bewezenverklaarde zijn gebezigd - is namens de verdachte gesteld dat de dierenarts daartoe in het kader van zijn toezichthoudende taak tijdens het slachtproces niet bevoegd was, nu hij op verzoek van de Algemene Inspectie Dienst en met instemming van de Officier van Justitie deze monsternemingen heimelijk heeft verricht in het kader van de opsporing van strafbare feiten.

Gelet op hetgeen is aangevoerd, bestond voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde geen grond. Het oordeel van het Hof dat het daarop betrekking hebbende verweer moet worden verworpen is dus juist. Reeds daarop stuit het middel af.

Opmerking verdient dat het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld van een in de WED strafbaar gesteld feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van de bedoelde bevoegdheden die de dierenarts in zijn hoedanigheid van toezichthouder namens de Voedsel en Waren Autoriteit heeft, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat bij het gebruik van die bevoegdheid de aan de verdachte toekomende waarborgen niet in acht zijn genomen. De enkele omstandigheid dat de dierenarts, zoals namens de verdachte wordt gesteld, op verzoek van de Algemene Inspectiedienst en met instemming van de Officier van Justitie de door hem verrichtte monsternemingen heimelijk heeft verricht maakt dit niet anders.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR stelt duidelijke eisen aan te voeren verweer vormverzuim, in lijn met nieuwe standaardarrest

Hoge Raad 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:144

Feiten

Bij arrest van 16 augustus 2012 heeft het Hof te Amsterdam de verdachte wegens – kort gezegd – het telen van hennep en diefstal van elektriciteit, veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest overeenkomstig het bepaalde in art. 27, eerste lid, Sr.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte gevoerde verweer dat het binnentreden in de woning van de verdachte onrechtmatig was, nu de verbalisanten vóór het binnentreden geen mededeling hebben gedaan van het doel van het binnentreden, en dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 22 juni 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Amsterdam opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 174 hennepplanten.

2. hij in de periode van 22 juni 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische stroom, toebehorende aan Liander N.V."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 augustus 2012 heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Geen toestemming van bewoner

16. Uit het dossier blijkt ook niet dat cliënt, bewoner van de woning op nummer [1], toestemming heeft gegeven voor het betreden van zijn woning, hetgeen vereist is op grond van art. 1 lid 4 Awbi. (...)

Doel van binnentreding

24. Ten overvloede wijs ik er nog op dat uit het dossier ook niet blijkt dat de verbalisanten van tevoren hebben aangegeven met welk doel zij de woning wilden betreden, hetgeen vereist is op grond van art. 1 lid 1 Awbi. Zelfs indien toestemming zou zijn gegeven door de bewoner tot binnentreding van zijn woning, hadden de verbalisanten dit doel kenbaar dienen te maken.

25. Verbalisant [verbalisant 1] heeft een uitgebreide omschrijving gegeven van de omstandigheden waaronder de woning van cliënt betreden zou zijn. In deze beschrijving staat wel dat zij zich heeft gelegitimeerd (al lijkt zij te hebben volstaan met het roepen van "Politie" en ik vraag mij af of dat daadwerkelijk kan worden aangemerkt als "legitimeren" in de zin van art. 1, lid 1 Awbi), maar niet dat zij voor het binnentreden het doel hiervan kenbaar zou hebben.

26. Verbalisant [verbalisant 2] heeft in het proces-verbaal van binnentreden wel opgemerkt dat het doel van binnentreden gemeld zou zijn aan cliënt. Het proces-verbaal vermeldt echter niet welk doel hiervoor genoemd zou zijn. Indien dit doel kenbaar zou zijn gemaakt, was mogelijk snel duidelijk geweest dat het niet [betrokkene] was die zich in de woning bevond maar cliënt. Zoals [verbalisant 3] ook heeft verklaard bij de rechter-commissaris was het "al snel duidelijk dat de aangehouden verdachte niet degene was die wij aanvankelijk zochten". Bovendien mag aan het "Proces-verbaal van binnentreden woning" van [verbalisant 2], zoals al eerder opgemerkt, niet te veel waarde worden gehecht, aangezien dit volgens [verbalisant 2] vermoedelijk een "zogenaamd imprime" is.

(...)

34. Geconcludeerd kan derhalve worden dat er in strijd is gehandeld met de Awbi: Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat er een schriftelijke machtiging tot binnentreden was, dat cliënt toestemming zou hebben gegeven voor het binnentreden van zijn woning, dat er van tevoren zou zijn aangegeven met welk doel de woning binnen getreden zou worden of dat er een ernstig of onmiddellijk gevaar voor goederen of personen het binnentreden van de woning zonder machtiging zou rechtvaardigen.

Conclusie

35. Gezien al het voorgaand kan niet anders dan tot de conclusie worden gekomen dat ten gevolge van een onherstelbaar verzuim in de zin van art. 359a Sv, de daardoor verkregen resultaten van het onderzoek van het bewijs moeten worden uitgesloten. Client dient derhalve van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken."

Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het binnentreden van de woning van de verdachte onrechtmatig was, nu geen sprake was van een schriftelijke machtiging noch toestemming van de bewoner. De verklaringen die de verdachte daarna tegenover de politie heeft afgelegd dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten en bij gebrek aan andere bewijsmiddelen moet de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.

Ondanks de omstandigheid dat - naar het hof heeft kunnen vaststellen aan de hand van het onderzoek dat op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris is verricht - het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van relaas van de verbalisante [verbalisant 2] (dossierpagina 1) grote en betreurenswaardige onzorgvuldigheden bevat, blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2010 van verbalisante [verbalisant 1] (dossierpagina 6) en haar bij de rechter-commissaris op 12 januari 2012 afgelegde verklaring voldoende duidelijk dat de verdachte, die zich bevond in de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam, voorafgaand aan het betreden van die woning daartoe toestemming heeft verleend aan verbalisante.

Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de verdachte zelf niets heeft verklaard met betrekking tot het binnentreden van de woning door de verbalisanten, noch heeft tegengesproken dat hij toestemming tot het binnentreden heeft gegeven. Evenmin heeft de verdachte verklaard dat toen de deur van de woning openging, hij zich niet meer vrij voelde om toestemming tot binnentreden te weigeren. Het hof neemt in aanmerking dat de sluiting van de deur kennelijk - doordat de deurstijl gedeeltelijk was verbroken - zo gammel was dat deze zomaar, na een duw door verbalisant, naar binnen openging.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsvrouw ter terechtzitting is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van voormeld proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van de verbalisante [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris.

Het hof acht daarom het binnentreden van de woning rechtmatig.

Het verweer wordt mitsdien, in alle onderdelen en als geheel, verworpen."

Het Hof heeft ten aanzien van de verwerping van het verweer blijkens de aanvulling op het verkorte arrest nog het volgende overwogen:

"In verband met de verwerping van het gevoerde bewijsverweer zij vermeld de inhoud van een proces-verbaal van 12 januari 2012, opgemaakt door mr. P.B. Martens, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, doorgenummerde pagina 3.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 12 januari 2012 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van opsporingsambtenaar [verbalisant 1]:

"De woningen waren een soort kraakpanden. Ik had niet verwacht dat er nog iemand aanwezig zou zijn. De betreffende voordeur hing zo ongeveer uit zijn sponning. Ik gaf er een duwtje tegenaan en die deur vloog open. Ik heb letterlijk gezegd: "Politie. Mag ik binnenkomen?" De persoon die ik in de woning zag antwoordde: "Ja". Ik stond in de deuropening toen ik vroeg of ik mocht binnenkomen. Hij zei ja."

Blijkens de pleitnota is door de raadsvrouwe van de verdachte onder meer aangevoerd dat door de verbalisanten in strijd met genoemd art. 1, eerste lid Awbi, niet voorafgaand aan het binnentreden in de woning mededeling is gedaan van het doel van dat binnentreden en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte vóór het binnentreden in de woning daartoe toestemming heeft gegeven aan de verbalisante, doch niet blijkt dat het Hof voormeld onderdeel van het verweer in zijn overwegingen heeft betrokken. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu het gevoerde verweer blijkens de pleitnota slechts inhoudt dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden, terwijl over het belang van voormeld geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel niet meer is aangevoerd dan dat anders mogelijk snel duidelijk was geweest dat het niet betrokkene was die zich in de woning bevond, maar de verdachte. (Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308).

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

"Ontdekking op heeter daad”

Hoge Raad 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:100

Feiten

Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 19 januari 2012 bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 2 september 2010, waarbij de verdachte wegens 2. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 4. “diefstal” is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Middel

Het middel klaagt onder meer dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "heeter daad" als bedoeld in art. 55 Sv.

Beoordeling Hoge Raad

In het door het Hof in zoverre bevestigde vonnis van de Rechtbank is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"2. hij in de periode van 29 februari 2008 tot en met 05 februari 2009 te Maassluis meermalen, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt, (in een pand aan [a-straat]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. hij op 06 februari 2009 te Maassluis opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat]) ongeveer honderdzesennegentig (196) hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4. hij in de periode van 29 februari 2008 tot en met 06 februari 2009 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen hoeveelheden electrische energie, toebehorende aan Energiebedrijf Eneco."

Dat vonnis houdt voorts het volgende in:

"De raadsman heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verbalisanten op 6 februari 2009 onrechtmatig in de woning van de verdachte zijn binnengetreden, aangezien op dat moment geen sprake meer was van een aanhouding op heterdaad. Er is – naar de mening van de raadsman – in casu niet voldaan aan de vereisten die artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering stelt aan de aanhouding buiten heterdaad. De raadsman stelt zich verder op het standpunt dat de resultaten van het onderzoek door de opsporingsambtenaren in de woning van de verdachte niet mogen bijdragen aan het bewijs van de onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie heeft betoogd dat de verbalisanten binnen één uur na de aangifte naar de woning van de verdachte zijn gegaan. Hierdoor is er sprake van een poging tot aanhouding bij heterdaad.

Het volgende wordt overwogen:

Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat de aangever op 6 februari 2009 om 19.05 uur aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit dat kort daarvoor (rond 18.55 uur) zou zijn gepleegd. De verbalisanten zijn om 20.05 uur de woning van de verdachte binnengetreden. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisanten in het bezit van een machtiging binnentreden van de hulpofficier van justitie naar de woning van de verdachte zijn gegaan en dat de deur van de woning na aanbellen en kloppen niet werd geopend. Vervolgens hebben de verbalisanten een sleutelmaker ter plaatse laten komen om de voordeur te openen, hebben zij de woning betreden en een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Nu tussen het moment van aangifte en het moment van binnentreden in de woning slechts één uur zit, in welk uur ook de aangifte is opgenomen, is sprake van het onafgebroken verrichten van opsporingsactiviteiten. Zodoende was sprake van een aanhouding op heterdaad, waardoor de woning van de verdachte niet onrechtmatig is binnengetreden. Het vervolgens verkregen bewijs is niet als onrechtmatig aan te merken en zal derhalve niet worden uitgesloten van het bewijs."

In aanmerking genomen het door het Hof vastgestelde "onafgebroken verrichten van opsporingsactiviteiten" na het tijdstip waarop het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan is gepleegd tot het tijdstip waarop de woning van de verdachte is binnengetreden, geeft het oordeel van het Hof dat de politieambtenaren de woning van de verdachte zijn binnengetreden ter aanhouding "op heeter daad" niet blijk van een onjuiste uitleg van het begrip "ontdekking op heeter daad" als bedoeld in art. 55, eerste lid, Sv.

Het middel faalt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^