Economische zaak: slagende bewijsklacht m.b.t. het opzet en medeplegen

Hoge Raad 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:24

Feiten

De economische kamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 10 juni 2011 - voor zover aan zijn oordeel onderworpen en na vernietiging door de Hoge Raad van een arrest van het Hof van 14 maart 2008 bij arrest van 13 juli 2010 en terugwijzing - verdachte wegens:

  • feit 1: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer;
  • feiten 3, 4 en 5 (telkens): Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet Bodembescherming;
  • feit 6: Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming;
  • feit 8: Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer;

veroordeeld tot een geldboete van € 4.250 subsidiair 52 dagen hechtenis, waarvan € 2.750 subsidiair 37 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bepaald is dat verdachte het onvoorwaardelijk deel van de geldboete in drie maandelijkse termijn van elk € 500 mag voldoen. Van het onder 2 tenlastegelegde is verdachte vrijgesproken.

Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld en namens hem heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

Middel

Het middel klaagt over de motivering van het onder 8 bewezenverklaarde feit, in het bijzonder over het bewezenverklaarde medeplegen en opzet.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk in strijd met vergunningsvoorschriften heeft gedragen. Daaruit volgt dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het overtreden van die vergunningsvoorschriften gericht moet zijn geweest. Dat opzet kan echter niet zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid. Hetzelfde geldt voor zover is bewezenverklaard dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen tezamen en in vereniging met een ander heeft verricht. De bewezenverklaring is in zoverre dan ook niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen: (kort) voorhanden hebben

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2009

Feiten

Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 26 januari 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Blijkens de akte is het cassatieberoep beperkt tot de veroordeling ter zake van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit. Ter zake van dat als “witwassen” aangemerkte feit is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van een auto en de daarbij behorende kentekenpapieren gedurende maximaal 1 tot 1,5 minuut, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, kan worden aangemerkt als "voorhanden hebben" in de zin van art. 420bis Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. Het middel klaagt er voorts over dat het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr zonder dat het Hof heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die auto heeft bijgedragen aan verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte nadat hij van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij, verdachte, bestuurde, was gestolen, met deze auto nog een minuut à anderhalve minuut is doorgereden. Het oordeel van het Hof dat de verdachte over de auto en het bijbehorende kentekenbewijs een zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen in de zin van art. 420bis Sr "voorhanden heeft gehad", geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Voor zover het middel klaagt dat het voorhanden hebben van de voorwerpen door de verdachte niet heeft bijgedragen aan het verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen en dat het bewezenverklaarde daarom op grond van regels uit recente rechtspraak van de Hoge Raad niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, miskent het dat deze rechtspraak alleen betrekking heeft op het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002).

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak

Print Friendly and PDF ^

Afdoening art. 80a RO brengt met zich dat de HR niet kan toekomen aan een beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de b.p.

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1968

De Hoge Raad is van oordeel dat de namens de verdachte aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Het voorgaande brengt mee dat de Hoge Raad niet kan toekomen aan een beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de benadeelde partij (vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.5).

Rechtsoverweging 2.5 van voormeld arrest luidt:

"Benadeelde partij

2.5. Ingevolge art. 437, derde lid, Sv is de benadeelde partij bevoegd harerzijds door een advocaat een cassatieschriftuur te doen indienen, houdende haar middelen over een rechtspunt betreffende haar vordering. De benadeelde partij kan dus van haar kant slechts middelen voorstellen en geen beroep instellen, zodat zij daarin ook niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daarom zullen haar middelen ingeval deze op grond van art. 80a RO geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan overeenkomstig het hiervoor onder 2.4.2 overwogene.

Daarbij verdient opmerking dat in HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003/329 is beslist dat de Hoge Raad niet bevoegd is tot de beoordeling van een namens de benadeelde partij ingediende schriftuur ingeval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Er bestaat geen grond anders te oordelen ingeval die niet-ontvankelijkheid van het beroep steunt op de toepassing van art. 80a RO."

In zijn aanvullende conclusie heeft de Advocaat-Generaal de vraag opgeworpen of het in voormeld arrest gegeven oordeel van de Hoge Raad dat geen grond bestaat anders te oordelen ingeval de niet-ontvankelijkheid van het beroep steunt op de toepassing van art. 80a RO niet voor heroverweging vatbaar is, en die vraag bevestigend beantwoord.

De wetgever heeft de benadeelde partij in het geding in cassatie slechts een afhankelijke positie toegekend.

In dat verband heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329, met betrekking tot de beoordeling van de schrifturen van de benadeelde partij het volgende overwogen en beslist:

"Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie appèl heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appèlrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (...). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten. Dat brengt mee dat de Hoge Raad in de genoemde gevallen niet bevoegd is tot de beoordeling van een op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van een benadeelde partij."

In het wettelijk stelsel is de benadeelde partij in cassatie dus uitsluitend een rol toegekend in het geval dat door de verdachte of het openbaar ministerie cassatieberoep is ingesteld en dit cassatieberoep ontvankelijk is.

In de, in de praktijk vrij zelden voorkomende, gevallen dat de benadeelde partij op de voet van art. 437, derde lid, Sv door een advocaat "middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft" aan de Hoge Raad wil voorleggen, doet het ontbreken van een zelfstandige mogelijkheid voor de benadeelde partij tot het instellen van beroep in cassatie tegen niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van haar vordering zich, buiten het geval van toepassing van art. 80a RO, dus steeds gevoelen wanneer het cassatieberoep van de verdachte of het openbaar ministerie te laat is ingesteld, de schriftuur te laat is ingekomen of cassatiemiddelen ontbreken dan wel geen middelen in de zin der wet zijn voorgesteld, en het beroep deswege niet-ontvankelijk is. De wetgever heeft voor die gevallen geen voorziening getroffen die de benadeelde partij een minder afhankelijke positie toekent. Alsnog door een rechterlijke beslissing een uitzondering op het wettelijk stelsel bewerkstelligen alleen voor het geval de niet-ontvankelijkheid van het beroep berust op toepassing van art. 80a RO zou slechts voor een beperkte en toevallige groep benadeelde partijen een versterking bieden.

Gelet op het voorgaande ziet de Hoge Raad geen goede grond zijn eerder gegeven oordeel te herzien.

Aantekening verdient het volgende. In evidente gevallen kan de feitenrechter al of niet op verzoek van de meest gerede partij ook ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gebruik maken van zijn bevoegdheid om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak: Artt. 6.51, 6.52 en 6.53 Wet Luchtvaart

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2031

Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft verdachte op 8 november 2011 vrijgesproken van feit 1 en voor 2: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.51, eerste lid, van de Wet luchtvaart, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 2500.

Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Zaandam, heeft een schriftuur ingediend houdende drie middelen van cassatie. De eerste twee middelen lenen zich volgens de steller van schriftuur voor gezamenlijke bespreking.

Eerste & Tweede middel

De middelen klagen dat het Hof de verdachte in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft veroordeeld, nu de in de bewezenverklaring genoemde technische voorschriften "ICAO-TI 2009-2010" ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit op 22 januari 2009 nog geen rechtskracht hadden, terwijl de eerdere versie van die technische voorschriften "ICAO-TI 2007-2008" zijn rechtskracht op voornoemde datum reeds had verloren. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Beoordeling Hoge Raad

De in de tenlastelegging en de bewezenverklaring genoemde technische voorschriften "ICAO-TI 2009-2010" – waarmee de verdachte in strijd zou hebben gehandeld – hadden ten tijde van het plegen van het onderhavige strafbare feit op 22 januari 2009 in Nederland nog geen rechtskracht. Immers verkregen voornoemde voorschriften ingevolge art. 6.51, eerste lid, Wet luchtvaart in verbinding met art. 1 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht hier te lande pas rechtskracht op het moment dat de vertaling daarvan ter inzage was gelegd bij het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat en bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, en de Minister van Verkeer en Waterstaat die inzage bekend had gemaakt door middel van publicatie in de Staatcourant, hetgeen op 14 april 2009 is geschied. Het Hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat deze voorschriften 'ICAO-TI 2009-2010' "niet eerst van kracht zijn geworden na bekendmaking in genoemde Staatscourant".

Voor zover de middelen hierover klagen, zijn zij terecht voorgesteld.

De technische voorschriften "ICAO-TI 2007-2008"

– zijnde de aan de in de bewezenverklaring genoemde technische voorschriften "ICAO-TI 2009-2010" voorafgaande versie – houden in het voorwoord onder meer het volgende in:

"Operationeel gebruik van de Technische Voorschriften

Vanaf 1 januari 2007 moet voor operaties deze editie van de Technische Voorschriften worden gebruikt en zij zal van kracht blijven tot 31 december 2008 of tot zoveel later als een nieuwe editie van kracht wordt."

Anders dan de steller van de middelen betoogt, vloeit uit het hiervoor geciteerde onderdeel van de technische voorschriften "ICAO-TI 2007-2008" in verbinding met art. 1 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht voort dat deze in Nederland van kracht waren tot het moment waarop de nieuwe versie daarvan "ICAO-TI 2009-2010" van kracht werd, te weten tot 14 april 2009. Ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten was de oude versie derhalve nog immer van kracht.

Het Hof heeft geoordeeld dat het in de tenlastelegging opgenomen gedeelte van voorschrift 5;2.4.1.1 en het voorschrift 5;2.4.2 in de beide versies van de ICAO-TI identiek zijn, dat ten tijde van het onderhavige delict een Nederlandse vertaling van de ICAO-TI 2007-2008 beschikbaar was en voor de verdachte op grond van de reeds voorhanden Engelse vertaling van de ICOA-TI 2009-2010 voorzienbaar was dat deze voorschriften materieel geen wijzigingen zouden ondergaan ten opzichte van die voorschriften in de versie van 2007-2008. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden. In deze omstandigheden heeft de verdachte geen voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht in cassatie dat het Hof de verdachte in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft veroordeeld ter zake van overtreding van de desbetreffende voorschriften van de ICOA-TI 2009-2010. Het Hof had immers de tenlastelegging ook aldus kunnen opvatten dat daarin door een kennelijke misslag, door verbetering waarvan de verdachte niet in haar verdediging zou kunnen zijn geschaad, niet de juiste versie van de ICOA-TI was vermeld en zou dat na vernietiging door de Hoge Raad van zijn uitspraak alsnog kunnen doen.

De middelen kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geld weggenomen door onrechtmatig gebruik tankpas, art. 310 Sr?

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2029

Feiten

Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem heeft verdachte op 13 maart 2012 wegens

  1. verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft en
  2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis. Tevens heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A B.V. toegewezen tot het bedrag van € 5.442,09 en aan verdachte een schadevergoedings-maatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag.

Mr. B.A. Jacobs, advocaat te Arnhem, heeft op 21 maart 2012 namens verdachte tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Op 13 augustus 2012 is een deel van het cassatieberoep ingetrokken namelijk “voor zover het betreft:

  1. de bewezenverklaring en strafoplegging van feit 1.
  2. de partiële vrijspraak van feit 2, waaronder de elementen “een hoeveelheid brandstof” en “in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededaders”.

Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu daaruit niet kan volgen dat de verdachte geld heeft weggenomen.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de vaststellingen van het Hof heeft de verdachte met een aan zijn voormalige werkgever toebehorende tankpas zonder diens toestemming en voor diens rekening benzine getankt. Met zijn oordeel dat de verdachte aldus geld heeft weggenomen, heeft het Hof kennelijk voor ogen gehad dat het afrekenen van de aankoop van brandstof met behulp van zo een tankpas kan worden aangemerkt als de betaling ten laste van de rekening van de voormalig werkgever, door welke betaling de voormalig werkgever in zijn vermogen is aangetast. Aldus beschouwd geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Conclusie AG Spronken: contrair

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen laten  de mogelijkheid open – sterker nog: wijzen sterk in de richting – dat met de tankpas in feite ten laste van de voormalige werkgever op rekening is getankt, welke brandstof vervolgens nadien door Shell bij de voormalige werkgever wordt gefactureerd. Dat betekent dat er feitelijk geen geld is weggenomen op het moment van het gebruik van de tankpas, maar dat de verdachte door het gebruik van die tankpas de schuldenlast van zijn ex-werkgever heeft verhoogd en deze daarom heeft benadeeld. Indien van het wegnemen van geld geen sprake is, kan van diefstal van geld door middel van het gebruik van de tankpas evenmin sprake zijn.

Hier had een vervolging ter zake van oplichting meer voor de hand gelegen. Zoals dat bijvoorbeeld het geval was in de zaak HR 20 september 2011, HR:ECLI:NL:BQ6723. In die zaak werd de verdachte veroordeeld ter zake van oplichting waarbij de casus nagenoeg gelijk lijkt te zijn als in onderhavige zaak.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^