Witwassen: (kort) voorhanden hebben

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2009

Feiten

Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 26 januari 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Blijkens de akte is het cassatieberoep beperkt tot de veroordeling ter zake van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit. Ter zake van dat als “witwassen” aangemerkte feit is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het voorhanden hebben van een auto en de daarbij behorende kentekenpapieren gedurende maximaal 1 tot 1,5 minuut, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, kan worden aangemerkt als "voorhanden hebben" in de zin van art. 420bis Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. Het middel klaagt er voorts over dat het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr zonder dat het Hof heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die auto heeft bijgedragen aan verbergen of verhullen van de criminele herkomst.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte nadat hij van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij, verdachte, bestuurde, was gestolen, met deze auto nog een minuut à anderhalve minuut is doorgereden. Het oordeel van het Hof dat de verdachte over de auto en het bijbehorende kentekenbewijs een zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen in de zin van art. 420bis Sr "voorhanden heeft gehad", geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Voor zover het middel klaagt dat het voorhanden hebben van de voorwerpen door de verdachte niet heeft bijgedragen aan het verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen en dat het bewezenverklaarde daarom op grond van regels uit recente rechtspraak van de Hoge Raad niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, miskent het dat deze rechtspraak alleen betrekking heeft op het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002).

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak

Print Friendly and PDF ^

Afdoening art. 80a RO brengt met zich dat de HR niet kan toekomen aan een beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de b.p.

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1968

De Hoge Raad is van oordeel dat de namens de verdachte aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Het voorgaande brengt mee dat de Hoge Raad niet kan toekomen aan een beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de benadeelde partij (vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.5).

Rechtsoverweging 2.5 van voormeld arrest luidt:

"Benadeelde partij

2.5. Ingevolge art. 437, derde lid, Sv is de benadeelde partij bevoegd harerzijds door een advocaat een cassatieschriftuur te doen indienen, houdende haar middelen over een rechtspunt betreffende haar vordering. De benadeelde partij kan dus van haar kant slechts middelen voorstellen en geen beroep instellen, zodat zij daarin ook niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daarom zullen haar middelen ingeval deze op grond van art. 80a RO geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan overeenkomstig het hiervoor onder 2.4.2 overwogene.

Daarbij verdient opmerking dat in HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003/329 is beslist dat de Hoge Raad niet bevoegd is tot de beoordeling van een namens de benadeelde partij ingediende schriftuur ingeval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Er bestaat geen grond anders te oordelen ingeval die niet-ontvankelijkheid van het beroep steunt op de toepassing van art. 80a RO."

In zijn aanvullende conclusie heeft de Advocaat-Generaal de vraag opgeworpen of het in voormeld arrest gegeven oordeel van de Hoge Raad dat geen grond bestaat anders te oordelen ingeval de niet-ontvankelijkheid van het beroep steunt op de toepassing van art. 80a RO niet voor heroverweging vatbaar is, en die vraag bevestigend beantwoord.

De wetgever heeft de benadeelde partij in het geding in cassatie slechts een afhankelijke positie toegekend.

In dat verband heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329, met betrekking tot de beoordeling van de schrifturen van de benadeelde partij het volgende overwogen en beslist:

"Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie appèl heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appèlrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (...). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten. Dat brengt mee dat de Hoge Raad in de genoemde gevallen niet bevoegd is tot de beoordeling van een op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van een benadeelde partij."

In het wettelijk stelsel is de benadeelde partij in cassatie dus uitsluitend een rol toegekend in het geval dat door de verdachte of het openbaar ministerie cassatieberoep is ingesteld en dit cassatieberoep ontvankelijk is.

In de, in de praktijk vrij zelden voorkomende, gevallen dat de benadeelde partij op de voet van art. 437, derde lid, Sv door een advocaat "middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft" aan de Hoge Raad wil voorleggen, doet het ontbreken van een zelfstandige mogelijkheid voor de benadeelde partij tot het instellen van beroep in cassatie tegen niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van haar vordering zich, buiten het geval van toepassing van art. 80a RO, dus steeds gevoelen wanneer het cassatieberoep van de verdachte of het openbaar ministerie te laat is ingesteld, de schriftuur te laat is ingekomen of cassatiemiddelen ontbreken dan wel geen middelen in de zin der wet zijn voorgesteld, en het beroep deswege niet-ontvankelijk is. De wetgever heeft voor die gevallen geen voorziening getroffen die de benadeelde partij een minder afhankelijke positie toekent. Alsnog door een rechterlijke beslissing een uitzondering op het wettelijk stelsel bewerkstelligen alleen voor het geval de niet-ontvankelijkheid van het beroep berust op toepassing van art. 80a RO zou slechts voor een beperkte en toevallige groep benadeelde partijen een versterking bieden.

Gelet op het voorgaande ziet de Hoge Raad geen goede grond zijn eerder gegeven oordeel te herzien.

Aantekening verdient het volgende. In evidente gevallen kan de feitenrechter al of niet op verzoek van de meest gerede partij ook ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gebruik maken van zijn bevoegdheid om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak: Artt. 6.51, 6.52 en 6.53 Wet Luchtvaart

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2031

Feiten

Het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft verdachte op 8 november 2011 vrijgesproken van feit 1 en voor 2: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.51, eerste lid, van de Wet luchtvaart, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 2500.

Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Zaandam, heeft een schriftuur ingediend houdende drie middelen van cassatie. De eerste twee middelen lenen zich volgens de steller van schriftuur voor gezamenlijke bespreking.

Eerste & Tweede middel

De middelen klagen dat het Hof de verdachte in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft veroordeeld, nu de in de bewezenverklaring genoemde technische voorschriften "ICAO-TI 2009-2010" ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit op 22 januari 2009 nog geen rechtskracht hadden, terwijl de eerdere versie van die technische voorschriften "ICAO-TI 2007-2008" zijn rechtskracht op voornoemde datum reeds had verloren. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Beoordeling Hoge Raad

De in de tenlastelegging en de bewezenverklaring genoemde technische voorschriften "ICAO-TI 2009-2010" – waarmee de verdachte in strijd zou hebben gehandeld – hadden ten tijde van het plegen van het onderhavige strafbare feit op 22 januari 2009 in Nederland nog geen rechtskracht. Immers verkregen voornoemde voorschriften ingevolge art. 6.51, eerste lid, Wet luchtvaart in verbinding met art. 1 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht hier te lande pas rechtskracht op het moment dat de vertaling daarvan ter inzage was gelegd bij het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat en bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, en de Minister van Verkeer en Waterstaat die inzage bekend had gemaakt door middel van publicatie in de Staatcourant, hetgeen op 14 april 2009 is geschied. Het Hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat deze voorschriften 'ICAO-TI 2009-2010' "niet eerst van kracht zijn geworden na bekendmaking in genoemde Staatscourant".

Voor zover de middelen hierover klagen, zijn zij terecht voorgesteld.

De technische voorschriften "ICAO-TI 2007-2008"

– zijnde de aan de in de bewezenverklaring genoemde technische voorschriften "ICAO-TI 2009-2010" voorafgaande versie – houden in het voorwoord onder meer het volgende in:

"Operationeel gebruik van de Technische Voorschriften

Vanaf 1 januari 2007 moet voor operaties deze editie van de Technische Voorschriften worden gebruikt en zij zal van kracht blijven tot 31 december 2008 of tot zoveel later als een nieuwe editie van kracht wordt."

Anders dan de steller van de middelen betoogt, vloeit uit het hiervoor geciteerde onderdeel van de technische voorschriften "ICAO-TI 2007-2008" in verbinding met art. 1 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht voort dat deze in Nederland van kracht waren tot het moment waarop de nieuwe versie daarvan "ICAO-TI 2009-2010" van kracht werd, te weten tot 14 april 2009. Ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten was de oude versie derhalve nog immer van kracht.

Het Hof heeft geoordeeld dat het in de tenlastelegging opgenomen gedeelte van voorschrift 5;2.4.1.1 en het voorschrift 5;2.4.2 in de beide versies van de ICAO-TI identiek zijn, dat ten tijde van het onderhavige delict een Nederlandse vertaling van de ICAO-TI 2007-2008 beschikbaar was en voor de verdachte op grond van de reeds voorhanden Engelse vertaling van de ICOA-TI 2009-2010 voorzienbaar was dat deze voorschriften materieel geen wijzigingen zouden ondergaan ten opzichte van die voorschriften in de versie van 2007-2008. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden. In deze omstandigheden heeft de verdachte geen voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht in cassatie dat het Hof de verdachte in strijd met het legaliteitsbeginsel heeft veroordeeld ter zake van overtreding van de desbetreffende voorschriften van de ICOA-TI 2009-2010. Het Hof had immers de tenlastelegging ook aldus kunnen opvatten dat daarin door een kennelijke misslag, door verbetering waarvan de verdachte niet in haar verdediging zou kunnen zijn geschaad, niet de juiste versie van de ICOA-TI was vermeld en zou dat na vernietiging door de Hoge Raad van zijn uitspraak alsnog kunnen doen.

De middelen kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Geld weggenomen door onrechtmatig gebruik tankpas, art. 310 Sr?

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2029

Feiten

Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem heeft verdachte op 13 maart 2012 wegens

  1. verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft en
  2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis. Tevens heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij A B.V. toegewezen tot het bedrag van € 5.442,09 en aan verdachte een schadevergoedings-maatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag.

Mr. B.A. Jacobs, advocaat te Arnhem, heeft op 21 maart 2012 namens verdachte tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Op 13 augustus 2012 is een deel van het cassatieberoep ingetrokken namelijk “voor zover het betreft:

  1. de bewezenverklaring en strafoplegging van feit 1.
  2. de partiële vrijspraak van feit 2, waaronder de elementen “een hoeveelheid brandstof” en “in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededaders”.

Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu daaruit niet kan volgen dat de verdachte geld heeft weggenomen.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de vaststellingen van het Hof heeft de verdachte met een aan zijn voormalige werkgever toebehorende tankpas zonder diens toestemming en voor diens rekening benzine getankt. Met zijn oordeel dat de verdachte aldus geld heeft weggenomen, heeft het Hof kennelijk voor ogen gehad dat het afrekenen van de aankoop van brandstof met behulp van zo een tankpas kan worden aangemerkt als de betaling ten laste van de rekening van de voormalig werkgever, door welke betaling de voormalig werkgever in zijn vermogen is aangetast. Aldus beschouwd geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Conclusie AG Spronken: contrair

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen laten  de mogelijkheid open – sterker nog: wijzen sterk in de richting – dat met de tankpas in feite ten laste van de voormalige werkgever op rekening is getankt, welke brandstof vervolgens nadien door Shell bij de voormalige werkgever wordt gefactureerd. Dat betekent dat er feitelijk geen geld is weggenomen op het moment van het gebruik van de tankpas, maar dat de verdachte door het gebruik van die tankpas de schuldenlast van zijn ex-werkgever heeft verhoogd en deze daarom heeft benadeeld. Indien van het wegnemen van geld geen sprake is, kan van diefstal van geld door middel van het gebruik van de tankpas evenmin sprake zijn.

Hier had een vervolging ter zake van oplichting meer voor de hand gelegen. Zoals dat bijvoorbeeld het geval was in de zaak HR 20 september 2011, HR:ECLI:NL:BQ6723. In die zaak werd de verdachte veroordeeld ter zake van oplichting waarbij de casus nagenoeg gelijk lijkt te zijn als in onderhavige zaak.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie(s): 1 beschikking in 4 beklagzaken

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2025

De bestreden beschikkingen

Het onderhavige beslag heeft betrekking op het beslag gelegd op de panden a-straat 1 t/m 4 te Alkmaar, eigendom van klaagster en klaagster 4. Aan het beslag ligt ten grondslag dat klaagster wordt verdacht van (gewoonte)witwassen hierin bestaande dat zij de panden heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze panden waren gefinancierd met het geld dat door betrokkene 2 en betrokkene 3 met het plegen van strafbare feiten was verkregen.

Op 4 juli 2007 heeft de Officier van Justitie ten laste van klaagster en klaagster 4 beslag gelegd op genoemde panden, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv. Het beklag tegen dit beslag heeft de Rechtbank te Amsterdam 26 februari 2008 gegrond verklaard met bevel tot opheffing van het beslag.

Op 26 juli 2011 heeft de Officier van Justitie opnieuw bevel tot inbeslagneming van de panden ten laste van klaagster en klaagster 4 gegeven, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv (voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen). Daar is het niet bij gebleven.

Op 16 september 2011 heeft de Officier van Justitie op grond van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv bij de rechter-commissaris gevorderd hem een machtiging te verlenen tot conservatoir beslag op genoemde panden. Deze machtiging is hem 26 oktober 2011 verleend. Vervolgens heeft de Officier van Justitie op 28 oktober 2011 bevel gegeven conservatoir beslag te leggen op genoemde panden.

Op genoemde panden liggen dus twee vormen van beslag, beslag op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv met het oog op de mogelijkheid van verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, en conservatoir beslag op de voet van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv ter verzekering van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van een misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het onderhavige beklag richt zich tegen beide vormen van beslag.

Geding in cassatie

Tegen de beschikkingen is door de Officier van Justitie beroep ingesteld. Deze heeft in alle zaken bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De raadsman van de klaagster klaagster 4, mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, en de raadsman van de klaagster klaagster 3, mr. D.J.P. van Omme, advocaat te Amsterdam, hebben het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat het beroep tegen de beschikkingen met nummer RK 11/587 en RK 11/588 zal worden verworpen en dat de beschikkingen met nummer RK 12/205 en RK 12/24 zullen worden vernietigd, met terugwijzing van de zaken naar de Rechtbank Alkmaar, teneinde op de bestaande klaagschriften opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikkingen met nummer RK 12/24 en RK 12/205

Uit de stukken van deze zaken blijkt het volgende.

(i) Op de onroerende zaken, bekend als a-straat 1 t/m 4 te Alkmaar, is op de voet van art. 94a Sv beslag gelegd tot verhaal van een op klager 1 en klager 2 (de klagers) op te leggen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

(ii) Blijkens inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers behoren deze onroerende zaken - zoals reeds ten tijde van de beslaglegging het geval was - in eigendom toe aan klaagster 4 en klaagster 3 (ieder voor de onverdeelde helft).

De namens de klagers ingediende klaagschriften strekken tot opheffing van de conservatoire beslagen op de hiervoor genoemde panden, voor zover deze beslagen dienen tot zekerheid van verhaal van een aan hen op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Nu de conservatoire beslagen gelegd zijn op onroerende zaken die blijkens de openbare registers in eigendom toebehoren aan klaagster 4 en klaagster 3, hetgeen door de klagers niet betwist is, moeten de in 3.1 onder (i) genoemde beslagen worden aangemerkt als conservatoire beslagen die gelegd zijn op de voet van art. 94a, derde lid, Sv. Ten aanzien van die beslagen op tot het vermogen van klaagster 4 en klaagster 3 behorende onroerende zaken, moeten de klagers als derden worden aangemerkt. Een derde kan in zo een geval alleen over de inbeslagneming klagen indien en voor zover het beklag gebaseerd is op de grond dat hij en niet de beslagene als rechthebbende van de inbeslaggenomen zaak moet worden aangemerkt.

De klagers hebben aan hun verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen niet ten grondslag gelegd dat zij als rechthebbenden van die onroerende zaken moeten worden aangemerkt. Daarom had de Rechtbank de klagers in hun klaagschriften niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van te beslissen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven.

De Hoge Raad zal de beschikkingen van de Rechtbank vernietigen en doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

Beoordeling van het eerste - in de zaken van de klaagsters voorgestelde - middel

Het in beide zaken gelijkluidende middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Beoordeling van het tweede - in de zaken van de klaagsters voorgestelde - middel

Het in beide zaken gelijkluidende middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de gegrondverklaring van de klaagschriften, voor zover strekkend tot opheffing van de conservatoire beslagen op de panden.

De Rechtbank heeft de klaagschriften van de klaagsters gegrond verklaard en daartoe telkens het volgende overwogen:

"Toetsingscriterium beslaglegging ex artikel 94a Sv

De vraag die de rechtbank in deze procedure dient te beantwoorden, is of zich een geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot tenminste de hoogte van het conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

De verdenking van gewoontewitwassen

De rechtbank oordeelt dat op basis van dit dossier geen duidelijkheid verkregen kan worden over de eigendomsgeschiedenis van de panden in de jaren voor 2007. Uit de overwegend op vermoedens gebaseerde stellingen die door de officier van justitie herhaaldelijk naar voren zijn gebracht, kunnen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de wetenschap van klaagster met betrekking tot de eigendomsverhoudingen voor 2007 geen verregaande conclusies worden getrokken.

Voorts behelst het dossier onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat bij aankoop van de panden door klaagsters klaagster 3 en klaagster 4 sprake is geweest van een schijnconstructie. Indien al mocht blijken dat de panden middellijk van misdrijf afkomstig waren, is vooralsnog niet gebleken dat klaagster dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie de gestelde wetenschap van klaagster baseert op de wetenschap van haar (ex-)partner klager 2 respectievelijk klager 1. Voor zover deze wetenschap bij haar (ex-)partner al kan worden aangenomen, is deze stelling van de officier van justitie, die erop neerkomt dat de wetenschap van de ene (huwelijks)partner zonder meer mag worden toegeschreven aan de andere, rechtens niet houdbaar.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier dat de rechtbank tot haar beschikking heeft onvoldoende aanwijzingen voortvloeien die de verdenking van (gewoonte)witwassen kunnen dragen. Derhalve acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot tenminste de hoogte van het conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Hoewel het beklag over de beslaglegging op grond van artikel 94a, tweede lid Sv reeds hierom gegrond zal worden verklaard, overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Het dossier behelst geen enkele concrete aanwijzing dat klaagster in de periode van 2003 tot 2007 inkomsten uit de panden heeft genoten. Wel is gebleken dat zij na 2007 huurpenningen heeft ontvangen voor deze panden. Het is de rechtbank echter niet duidelijk waarop de officier van justitie zijn standpunt baseert dat deze huurpenningen als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt. Deze huurpenningen vloeiden immers voort uit een door de (gemeentelijke) autoriteiten vergunde verhuurverhouding met de exploitant betrokkene, waarvan de officier van justitie in een eerder stadium heeft gemeend dat hij deze reeds bestaande verhuurverhouding diende te respecteren. Dit laatste zou allerminst voor de hand hebben gelegen indien uit deze bestaande verhuurverhouding wederrechtelijk verkregen voordeel zou voortvloeien.

Dat sprake is van voordeel door middel van een waardevermeerdering is evenmin gebleken. Klaagster heeft onderbouwd dat juist sprake is van een waardevermindering van de panden, hetgeen door de officier van justitie niet wordt betwist.

Gelet op het voorgaande bevat het dossier geen aanwijzingen dat klaagster wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de panden, hetgeen tevens leidt tot een gegrondverklaring van het beklag over de beslaglegging op grond van artikel 94a, tweede lid, Sv."

Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of de conservatoire beslagen op de panden moeten worden gehandhaafd voor zover zij dienen ter verzekering van het verhaal van een aan klager 2 en klager 1 op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uit de overwegingen van de Rechtbank volgt dat zij van oordeel is dat het beklag van de klaagsters over de beslaglegging op grond van art. 94a, tweede lid, Sv gegrond moet worden verklaard. Ook de beslissing van de Rechtbank tot opheffing van "de beslagen ex art. 94a Sv" moet in die zin worden opgevat. Voor zover de klacht berust op de opvatting dat de Rechtbank ook heeft geoordeeld dat de op grond van art. 94a, derde lid, Sv gelegde beslagen moeten worden opgeheven, gaat deze uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikkingen. De klacht kan derhalve bij gebreke van feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

Het middel behelst voorts de klacht dat voor zover de conservatoire beslagen op de panden dienen ter verzekering van het verhaal van een aan de klaagsters zelf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagsters een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

De Rechtbank moet in een beklagprocedure als de onderhavige beoordelen of op basis van het dossier en hetgeen in raadkamer door de Officier van Justitie en door of namens de klager of de klaagster is aangevoerd, jegens de klager of de klaagster een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen.

Gelet op de overwegingen, inhoudende dat "op basis van het dossier geen duidelijkheid verkregen kan worden over de eigendomsgeschiedenis van de panden in de jaren voor 2007", dat "het dossier onvoldoende aanwijzingen behelst om aan te nemen dat bij aankoop van de panden door de klaagsters sprake is geweest van een schijnconstructie", dat "indien al mocht blijken dat de panden middellijk van misdrijf afkomstig waren, vooralsnog niet is gebleken dat klaagsters dit wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden" en dat "het dossier geen aanwijzingen bevat dat de klaagster(s) wederrechtelijk voordeel hebben genoten uit de panden", heeft de Rechtbank onderzocht of de gedragingen die aan de klaagsters worden verweten voldoende blijken uit het dossier. Daarmee is de Rechtbank te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak of in de ontnemingszaak. De beslissing van de Rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikkingen ambtshalve behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de beschikkingen niet in stand kunnen blijven en als volgt moet worden beslist.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^