OM-cassatie(s): 1 beschikking in 4 beklagzaken

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2025

De bestreden beschikkingen

Het onderhavige beslag heeft betrekking op het beslag gelegd op de panden a-straat 1 t/m 4 te Alkmaar, eigendom van klaagster en klaagster 4. Aan het beslag ligt ten grondslag dat klaagster wordt verdacht van (gewoonte)witwassen hierin bestaande dat zij de panden heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze panden waren gefinancierd met het geld dat door betrokkene 2 en betrokkene 3 met het plegen van strafbare feiten was verkregen.

Op 4 juli 2007 heeft de Officier van Justitie ten laste van klaagster en klaagster 4 beslag gelegd op genoemde panden, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv. Het beklag tegen dit beslag heeft de Rechtbank te Amsterdam 26 februari 2008 gegrond verklaard met bevel tot opheffing van het beslag.

Op 26 juli 2011 heeft de Officier van Justitie opnieuw bevel tot inbeslagneming van de panden ten laste van klaagster en klaagster 4 gegeven, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv (voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen). Daar is het niet bij gebleven.

Op 16 september 2011 heeft de Officier van Justitie op grond van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv bij de rechter-commissaris gevorderd hem een machtiging te verlenen tot conservatoir beslag op genoemde panden. Deze machtiging is hem 26 oktober 2011 verleend. Vervolgens heeft de Officier van Justitie op 28 oktober 2011 bevel gegeven conservatoir beslag te leggen op genoemde panden.

Op genoemde panden liggen dus twee vormen van beslag, beslag op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv met het oog op de mogelijkheid van verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, en conservatoir beslag op de voet van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv ter verzekering van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van een misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het onderhavige beklag richt zich tegen beide vormen van beslag.

Geding in cassatie

Tegen de beschikkingen is door de Officier van Justitie beroep ingesteld. Deze heeft in alle zaken bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De raadsman van de klaagster klaagster 4, mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, en de raadsman van de klaagster klaagster 3, mr. D.J.P. van Omme, advocaat te Amsterdam, hebben het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat het beroep tegen de beschikkingen met nummer RK 11/587 en RK 11/588 zal worden verworpen en dat de beschikkingen met nummer RK 12/205 en RK 12/24 zullen worden vernietigd, met terugwijzing van de zaken naar de Rechtbank Alkmaar, teneinde op de bestaande klaagschriften opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikkingen met nummer RK 12/24 en RK 12/205

Uit de stukken van deze zaken blijkt het volgende.

(i) Op de onroerende zaken, bekend als a-straat 1 t/m 4 te Alkmaar, is op de voet van art. 94a Sv beslag gelegd tot verhaal van een op klager 1 en klager 2 (de klagers) op te leggen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

(ii) Blijkens inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers behoren deze onroerende zaken - zoals reeds ten tijde van de beslaglegging het geval was - in eigendom toe aan klaagster 4 en klaagster 3 (ieder voor de onverdeelde helft).

De namens de klagers ingediende klaagschriften strekken tot opheffing van de conservatoire beslagen op de hiervoor genoemde panden, voor zover deze beslagen dienen tot zekerheid van verhaal van een aan hen op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Nu de conservatoire beslagen gelegd zijn op onroerende zaken die blijkens de openbare registers in eigendom toebehoren aan klaagster 4 en klaagster 3, hetgeen door de klagers niet betwist is, moeten de in 3.1 onder (i) genoemde beslagen worden aangemerkt als conservatoire beslagen die gelegd zijn op de voet van art. 94a, derde lid, Sv. Ten aanzien van die beslagen op tot het vermogen van klaagster 4 en klaagster 3 behorende onroerende zaken, moeten de klagers als derden worden aangemerkt. Een derde kan in zo een geval alleen over de inbeslagneming klagen indien en voor zover het beklag gebaseerd is op de grond dat hij en niet de beslagene als rechthebbende van de inbeslaggenomen zaak moet worden aangemerkt.

De klagers hebben aan hun verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen niet ten grondslag gelegd dat zij als rechthebbenden van die onroerende zaken moeten worden aangemerkt. Daarom had de Rechtbank de klagers in hun klaagschriften niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van te beslissen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven.

De Hoge Raad zal de beschikkingen van de Rechtbank vernietigen en doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

Beoordeling van het eerste - in de zaken van de klaagsters voorgestelde - middel

Het in beide zaken gelijkluidende middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Beoordeling van het tweede - in de zaken van de klaagsters voorgestelde - middel

Het in beide zaken gelijkluidende middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de gegrondverklaring van de klaagschriften, voor zover strekkend tot opheffing van de conservatoire beslagen op de panden.

De Rechtbank heeft de klaagschriften van de klaagsters gegrond verklaard en daartoe telkens het volgende overwogen:

"Toetsingscriterium beslaglegging ex artikel 94a Sv

De vraag die de rechtbank in deze procedure dient te beantwoorden, is of zich een geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot tenminste de hoogte van het conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

De verdenking van gewoontewitwassen

De rechtbank oordeelt dat op basis van dit dossier geen duidelijkheid verkregen kan worden over de eigendomsgeschiedenis van de panden in de jaren voor 2007. Uit de overwegend op vermoedens gebaseerde stellingen die door de officier van justitie herhaaldelijk naar voren zijn gebracht, kunnen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de wetenschap van klaagster met betrekking tot de eigendomsverhoudingen voor 2007 geen verregaande conclusies worden getrokken.

Voorts behelst het dossier onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat bij aankoop van de panden door klaagsters klaagster 3 en klaagster 4 sprake is geweest van een schijnconstructie. Indien al mocht blijken dat de panden middellijk van misdrijf afkomstig waren, is vooralsnog niet gebleken dat klaagster dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie de gestelde wetenschap van klaagster baseert op de wetenschap van haar (ex-)partner klager 2 respectievelijk klager 1. Voor zover deze wetenschap bij haar (ex-)partner al kan worden aangenomen, is deze stelling van de officier van justitie, die erop neerkomt dat de wetenschap van de ene (huwelijks)partner zonder meer mag worden toegeschreven aan de andere, rechtens niet houdbaar.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier dat de rechtbank tot haar beschikking heeft onvoldoende aanwijzingen voortvloeien die de verdenking van (gewoonte)witwassen kunnen dragen. Derhalve acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot tenminste de hoogte van het conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Hoewel het beklag over de beslaglegging op grond van artikel 94a, tweede lid Sv reeds hierom gegrond zal worden verklaard, overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Het dossier behelst geen enkele concrete aanwijzing dat klaagster in de periode van 2003 tot 2007 inkomsten uit de panden heeft genoten. Wel is gebleken dat zij na 2007 huurpenningen heeft ontvangen voor deze panden. Het is de rechtbank echter niet duidelijk waarop de officier van justitie zijn standpunt baseert dat deze huurpenningen als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt. Deze huurpenningen vloeiden immers voort uit een door de (gemeentelijke) autoriteiten vergunde verhuurverhouding met de exploitant betrokkene, waarvan de officier van justitie in een eerder stadium heeft gemeend dat hij deze reeds bestaande verhuurverhouding diende te respecteren. Dit laatste zou allerminst voor de hand hebben gelegen indien uit deze bestaande verhuurverhouding wederrechtelijk verkregen voordeel zou voortvloeien.

Dat sprake is van voordeel door middel van een waardevermeerdering is evenmin gebleken. Klaagster heeft onderbouwd dat juist sprake is van een waardevermindering van de panden, hetgeen door de officier van justitie niet wordt betwist.

Gelet op het voorgaande bevat het dossier geen aanwijzingen dat klaagster wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de panden, hetgeen tevens leidt tot een gegrondverklaring van het beklag over de beslaglegging op grond van artikel 94a, tweede lid, Sv."

Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of de conservatoire beslagen op de panden moeten worden gehandhaafd voor zover zij dienen ter verzekering van het verhaal van een aan klager 2 en klager 1 op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uit de overwegingen van de Rechtbank volgt dat zij van oordeel is dat het beklag van de klaagsters over de beslaglegging op grond van art. 94a, tweede lid, Sv gegrond moet worden verklaard. Ook de beslissing van de Rechtbank tot opheffing van "de beslagen ex art. 94a Sv" moet in die zin worden opgevat. Voor zover de klacht berust op de opvatting dat de Rechtbank ook heeft geoordeeld dat de op grond van art. 94a, derde lid, Sv gelegde beslagen moeten worden opgeheven, gaat deze uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikkingen. De klacht kan derhalve bij gebreke van feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

Het middel behelst voorts de klacht dat voor zover de conservatoire beslagen op de panden dienen ter verzekering van het verhaal van een aan de klaagsters zelf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagsters een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

De Rechtbank moet in een beklagprocedure als de onderhavige beoordelen of op basis van het dossier en hetgeen in raadkamer door de Officier van Justitie en door of namens de klager of de klaagster is aangevoerd, jegens de klager of de klaagster een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen.

Gelet op de overwegingen, inhoudende dat "op basis van het dossier geen duidelijkheid verkregen kan worden over de eigendomsgeschiedenis van de panden in de jaren voor 2007", dat "het dossier onvoldoende aanwijzingen behelst om aan te nemen dat bij aankoop van de panden door de klaagsters sprake is geweest van een schijnconstructie", dat "indien al mocht blijken dat de panden middellijk van misdrijf afkomstig waren, vooralsnog niet is gebleken dat klaagsters dit wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden" en dat "het dossier geen aanwijzingen bevat dat de klaagster(s) wederrechtelijk voordeel hebben genoten uit de panden", heeft de Rechtbank onderzocht of de gedragingen die aan de klaagsters worden verweten voldoende blijken uit het dossier. Daarmee is de Rechtbank te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak of in de ontnemingszaak. De beslissing van de Rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikkingen ambtshalve behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de beschikkingen niet in stand kunnen blijven en als volgt moet worden beslist.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verlening verjaringstermijn bij overtredingen van 2 naar 3 jaar

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2013

Feiten

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte overtreding van art. 5 WVW 1994, begaan op of omstreeks 6 december 2007, tenlastegelegd.

Het Hof heeft – met vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam van 6 april 2010 – het Openbaar Ministerie bij arrest van 18 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van voormeld feit.

Mr. R.C. Tdlohreq, Advocaat-Generaal bij het Hof te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof te Amsterdam, heeft een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.

Middel

Ten tijde van het ten laste gelegde feit was in art. 70 lid 1 onder 1° Sr bepaald dat het recht tot strafvordering voor alle overtredingen vervalt in twee jaren. Met ingang van 1 februari 2008 is met de Wet OM-afdoening de verjaringstermijn voor overtredingen op drie jaren bepaald.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het tenlastegelegde feit is verjaard.

Beoordeling Hoge Raad

Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231, geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. Dit uitgangspunt geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft derhalve ten onrechte toepassing gegeven aan art. 70 Sr zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die bepaling in 2008.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. verwerven & voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001

Feiten

Bij arrest van 21 juli 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam wegens

  1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, op een luchtvaartterrein, als omschreven in artikel 1 van de Luchtvaartwet;
  2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, op een luchtvaartterrein, als omschreven in artikel 1 van de Luchtvaartwet; en
  3. witwassen.

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Voorts heeft het Hof de verbeurdverklaring uitgesproken en de onttrekking aan het verkeer gelast van verschillende inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest is vermeld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat niet elk "voorhanden hebben" van een voorwerp een gedraging inhoudt die als een vorm van witwassen kan worden gekwalificeerd, althans dat het Hof zijn oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn en dat het middel, dat blijkens de toelichting steunt op de opvatting dat het voorhanden hebben van enig uit misdrijf verkregen goed gericht moet zijn op het uit het zicht houden van dat voorwerp voor politie en justitie, faalt nu die opvatting geen steun vindt in het recht.

Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt derhalve.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie & cassatie verdachte: Witwassen, art. 420bis Sr

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002

Feiten

Bij arrest van 15 augustus 2012 heeft het Hof te Arnhem verdachte wegens het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 213 gram cocaïne, het voorhanden hebben van een revolver en een zogenoemde taser alsmede (partieel) witwassen (BMW 528i en € 160.096,63) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden. Voorts heeft het Hof de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter het onder 4 bewezen verklaarde witwassen voor zover dat betrekking heeft op het witwassen van € 36.060,-; € 5.000,-; € 1.700,-; € 1.120,-; $ 3.702,- en € 600,-. Tevens heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld door mr. W. Hemstede, advocaat-generaal bij het Hof te Arnhem alsmede, namens de verdachte, door mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem. Het door de advocaat-generaal ingestelde cassatieberoep is beperkt tot het onder 4 ten laste gelegde feit. Het door de raadsman ingestelde cassatieberoep is onbeperkt.

Middel

Het middel van de Advocaat-generaal komt op tegen het door het Hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte met betrekking tot het onder feit 4 bewezenverklaarde wat betreft een aantal van de daar genoemde geldbedragen.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001)

Onderhavige zaak

Het Hof heeft kennelijk aannemelijk geacht dat de desbetreffende geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf (cocaïnehandel) en dat de verdachte deze gelden slechts heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad. Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat met betrekking tot deze geldbedragen door de verdachte geen handeling is verricht die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen.

Het Hof heeft gelet op een en ander geoordeeld dat het met betrekking tot die geldbedragen niet tot de kwalificatie witwassen kan komen. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Voor zover het middel berust op de opvatting dat in een geval als het onderhavige "de rechter dan wel het (grond)misdrijf waaraan de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt zoveel mogelijk dient te concretiseren voor wat betreft plaats, tijd en door de verdachte verrichte handelingen", stelt het een eis die het recht niet kent.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag, beslag & Verschoningsrecht: Géén geschriften die voorwerp van het s.f. uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend? Géén zeer uitzonderlijke omstandigheden?

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740

Feiten

De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 19 juli 2012 het beklag van klager ex 552a Sv gericht tegen het voortduren van het onder klager gelegde beslag gegrond verklaard en de teruggave aan klager gelast van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Tegen deze beschikking heeft mr. C.E.J. Backer, officier van justitie bij het Functioneel Parket, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel dat de aantekeningen, gespreksnotities, e-mails en brieven die zich mogelijk in de inbeslaggenomen cliëntendossiers bevinden niet kunnen worden beschouwd als geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9694, NJ 1994/537 en HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439).

Het oordeel van de Rechtbank dat zich hier niet het geval voordoet dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klager onjuist is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een "verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd door een verschoningsgerechtigde in de uitoefening van zijn beroep", welke feiten eruit bestaan dat de klager voor zijn cliënten op valse gegevens berustende vergunningsaanvragen heeft verzorgd, die omstandigheden niet zonder meer de conclusie wettigen dat de gehele inhoud van de desbetreffende cliëntendossiers voorwerp uitmaakt van een strafbaar feit of tot het begaan van een dergelijk feit heeft gediend.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^