Profijtontneming: Gegronde klacht m.b.t. ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit een feit waarvan betrokkene is vrijgesproken

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1157

Feiten

In de hoofdzaak is aan de betrokkene onder 3 tenlastegelegd dat:

"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 oktober 1994 tot en met 31 december 1996, in de gemeente Alkmaar en/of in de gemeente Schagen en/of in de gemeente Leeuwarden en/of in de gemeente Haarlem en/of in de gemeente Breda en/of in de gemeente Den Haag, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1979), die (toen) de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en derhalve minderjarig was, tot prostitutie heeft gebracht, dan wel (een) handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemde [betrokkene 1] daardoor in de prostitutie zou belanden."

Daarvan is ten laste van de betrokkene onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 5 juni 1996 tot en met 30 november 1996, in de gemeente Alkmaar en in de gemeente Leeuwarden en in de gemeente Haarlem en in de gemeente Breda en in de gemeente Den Haag, een ander, te weten [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1979, die toen de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en derhalve minderjarig was, tot prostitutie heeft gebracht."

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij verstekarrest van 1 december 2004 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 125.047,76 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof mede een betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van voordeel dat is verkregen uit een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken.

Beoordeling Hoge Raad

De betrokkene is in de hoofdzaak vrijgesproken van het brengen tot prostitutie dan wel het ondernemen van handelingen waarvan de betrokkene wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de minderjarige [betrokkene 1] daardoor in de prostitutie zou belanden in de perioden van 17 oktober 1994 tot 5 juni 1996 en van 1 december 1996 tot en met 31 december 1996. Gelet daarop heeft het Hof bij het ontnemingsbedrag ten onrechte het in de bestreden uitspraak aan die perioden gerelateerde voordeel betrokken (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (Geerings tegen Nederland), ECLI:NL:HR:2008:BF0090, NJ 2008/497).

De klacht is derhalve gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nietige dagvaarding? De termen vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken

Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1105

Feiten

Bij arrest van 13 maart 2012 heeft het Hof te Amsterdam de verdachte wegens mishandeling veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, te vervangen door vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Tevens heeft het Hof de inleidende dagvaarding nietig verklaard voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit.

Mr. R.C. Tdlohreg, Advocaat-Generaal bij het Hof te ‘s-Gravenhage, heeft beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding wat betreft het onder 2 tenlastegelegde moet worden nietig verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 7 augustus 2010 te Diemen opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een (voor)deur behorende bij perceel [a-straat 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt."

Het Hof heeft wat betreft dat feit de dagvaarding nietig verklaard op de grond dat "het onder 2 ten laste gelegde feit onvoldoende feitelijk is omschreven".

Art. 350, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

De tenlastelegging is toegesneden op art. 350, eerste lid, Sr. De in de tenlastelegging voorkomende termen "vernield", "beschadigd" en "onbruikbaar gemaakt" zijn kennelijk gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de dienovereenkomstige uitdrukkingen in die bepaling. Voor zover in het bestreden arrest als oordeel van het Hof besloten ligt dat de termen "vernielen", "beschadigen" en "onbruikbaar maken" niet mede feitelijke betekenis hebben en dat de tenlastelegging wat betreft de opgave van het feit niet voldoet aan de eisen van art. 261 Sv, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Termen “beledigd” en “beledigend”

Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1107

Feiten

Bij arrest van 26 september 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. belediging en 2. bedreiging veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien weken en een geldboete van € 350,-.

Namens de verdachte heeft mr D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgedragen.

Middel

Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de door de aangeefster gedane schriftelijke klacht betrekking heeft op belediging.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op art. 266, eerste lid, Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende termen "beledigd" en "beledigend" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in die bepaling voorkomende uitdrukking "belediging".

Mede gelet op hetgeen de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen inhouden kan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring omschreven gedraging - het opzettelijk spuwen tegen een raam van de auto waarin de aangeefster was gezeten - niet zonder meer worden aangemerkt als "belediging" in de zin van voormelde wetsbepaling. Daaruit volgt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de in de tenlastelegging voorkomende termen "beledigd" en "beledigend" en dat het derhalve de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de verdachte vrijspreken van het hem onder 1 tenlastegelegde. Dat brengt mee dat hij - mede gelet op het bepaalde in art. 68 Sr - geen in rechte te respecteren belang heeft bij de gegrondbevinding van de namens hem voorgestelde middelen van cassatie, die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging ter zake van feit 1, zodat deze onbesproken dienen te blijven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Belediging “in zijn tegenwoordigheid”, art. 266 Sr

Hoge Raad 5 november 2013,

Feiten

Bij arrest van 4 oktober 2011 is de verdachte door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens “Eenvoudige belediging” veroordeeld tot een geldboete van € 120,-, subsidiair twee dagen hechtenis.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "zij op 17 september 2009 te Tilburg opzettelijk beledigend [verbalisant 1], in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd "Vieze kankerhoer"."

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

  1. Een proces-verbaal van aangifte van regiopolitie Midden en West Brabant, district Tilburg, Team Wilhelminapark, proces-verbaalnummer 2009165848-1, dossierpagina's 9 t/m 13, d.d. 17 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], aspirant van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] en als relaas van bevindingen van de betreffende verbalisant, zakelijk weergegeven: Tijdens deze aangifte, om 10.51 uur, kwam een voicemailbericht binnen op mijn telefoon. Ik heb jou, verbalisant, dit bericht laten horen. Het is [verdachte] die het bericht inspreekt. [verdachte] zegt in dit voicemailbericht het volgende: "Vieze kankerhoer. (...) Ik sta voor je huis en ik blijf voor je huis wachten. Iedereen van mijn mensen blijft op je wachten." Opmerking verbalisant: lk hoorde tijdens het opnemen van de aangifte dat een voicemailbericht binnenkwam op de telefoon van aangeefster met de tekst: "Vieze kankerhoer. (...) Ik sta voor je huis en ik blijf voor je huis wachten. Iedereen van mijn mensen blijft op je wachten." Tijdens de aangifte wordt aangeefster gebeld door een huisgenoot met de mededeling dat [verdachte] voor de deur staat.
  2. Een proces-verbaal "Klachte tegen natuurlijk persoon" van regiopolitie Midden en West Brabant, district Tilburg, Team Wilhelminapark, proces-verbaalnummer 2009165848-7, dossierpagina 14, d.d. 13 oktober 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], inspecteur en hulpofficier van justitie, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1], zakelijk weergegeven: Ik, [verbalisant 1], wil een klacht indienen tegen [verdachte]. De reden hiervoor is belediging gepleegd door [verdachte]. Ik verzoek u hierbij tegen [verdachte] een strafrechtelijke vervolging te doen instellen.
  3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: U vraagt mij of het klopt dat ik [verbalisant 1] op 17 september 2009 via de voicemail heb uitgescholden voor vieze kankerhoer. Dat zou kunnen. Het is gewoon gebeurd."

Het bestreden arrest houdt onder het hoofd "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" voorts het volgende in:

"Het hof is - met de rechter in eerste aanleg en de advocaat-generaal - van oordeel dat het uiten van beledigende woorden per voicemail opgevat kan worden als het in iemands tegenwoordigheid mondeling beledigende woorden toevoegen. In de rechtspraak is eerder bepaald dat sprake is van een belediging in tegenwoordigheid van de beledigde indien per telefoon wordt beledigd (Rb. Amsterdam 18 december 1913, NJ 1914, 246). Door het inspreken van een voicemailbericht (met een beledigend karakter, zie hierna) heeft de verdachte kennelijk de vooropgezette bedoeling gehad om deze uitlatingen op een later moment te laten vernemen. Ook in dat geval is naar het oordeel van het hof sprake van belediging in tegenwoordigheid van de ontvanger: deze verneemt de woorden rechtstreeks van de belediger, zij het - vermoedelijk - na enig tijdsverloop."

Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het delictsbestanddeel "in zijn tegenwoordigheid" in art. 266 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op art. 266, eerste lid, Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "in zijn tegenwoordigheid" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.

Het oordeel van het Hof dat onder omstandigheden sprake kan zijn van belediging van iemand "in zijn tegenwoordigheid mondeling aangedaan" indien de beledigde niet in de fysieke nabijheid verkeert van degene die beledigt of de beledigde die belediging eerst op een later tijdstip verneemt dan dat zij is gedaan, is, gelet op doel en strekking van art. 266, eerste lid, Sr, juist.

In dit geval heeft de aangeefster de belediging vernomen bij het afluisteren van de voicemail waarop de verdachte deze had ingesproken. Gelet op het vorenstaande heeft het Hof met zijn oordeel dat de belediging de aangeefster aldus in haar tegenwoordigheid mondeling is aangedaan, niet een te ruime uitleg gegeven aan art. 266, eerste lid, Sr.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Diplomatieke immuniteit & “Note Verbale” van 21 april 2011 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Bosnië en Herzegovina aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse zaken

Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1122

Feiten

Bij arrest van 20 juni 2012 heeft het Hof te ’s-Gravenhage verdachte wegens 'openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf voor de duur van 100 uren te vervangen door 50 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig art. 27, eerste lid, Sr.

Namens de verdachte heeft mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie doen instellen.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof een gevoerd preliminair verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep als volgt weergegeven en verworpen:

"Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:

Bij aanvang van het verhoor van mijn cliënt bij de politie heeft hij medegedeeld dat zijn vader diplomaat is en dat hij zelf ook een diplomatenpaspoort had. Hierdoor was hij immuun voor strafrechtelijke vervolging. Ten tijde van het tenlastegelegde was hij onschendbaar. Ondanks deze mededeling van mijn cliënt is de politie doorgegaan met het verhoor. Dit is een grove schending van internationaalrechtelijke voorschriften. Ik verzoek uw hof dan ook het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren nu geen rekening is gehouden met zijn diplomatieke status. (...)

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het preliminair verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt afgewezen. Het hof heeft kennisgenomen van de nota inhoudende de mededeling van het Ministerie van Buitenlandse zaken van Bosnië en Herzegovina inhoudende onder meer dat de immuniteit van de verdachte ten behoeve van de onderhavige strafzaak is opgeheven. Derhalve ziet het hof geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren."

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich de door het Hof als 'nota' aangeduide "Note Verbale" van 21 april 2011 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Bosnië en Herzegovina aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze "Note Verbale" houdt in:

"The Ministry of Foreign Affairs of Bosnia and Herzegovina has received the requested explanations and information, based upon the above mentioned Note, relating to the fact that [verdachte], son of [betrokkene], Diplomatic Representative of Bosnia and Herzegovina in the Kingdom of the Netherlands was registered (notified) at the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands by 18.02.2011.

Having in mind the above stated, and according to the Ministry of Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands request to abolish [verdachte] immunities, Ministry of Foreign Affairs of Bosnia and Herzegovina, based on Article 32, paragraph 2, and relating to Article 37, paragraph 1 of the Vienna Convention on Diplomatic Relations, explicitly waives immunities of the above mentioned person."

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende verdragsbepalingen van belang:

art. 31, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, gesloten te Wenen op 18 april 1961 (Trb. 1962, 101), verder te noemen: Verdrag van Wenen: "A diplomatic agent shall enjoy immunity from the criminal jurisdiction of the receiving State.(...)"

art. 32, eerste en tweede lid, van het Verdrag van Wenen:

  1. "The immunity from jurisdiction of diplomatic agents and of persons enjoying immunity under Article 37 may be waived by the sending State.
  2. Waiver must always be express."

- art. 37, eerste lid, van het Verdrag van Wenen:

"The members of the family of a diplomatic agent forming part of his household shall, if they are not nationals of the receiving State, enjoy the privileges and immunities specified in Articles 29 to 36."

In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de zendstaat Bosnië en Herzegovina uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de immuniteit van jurisdictie voor strafvervolging van de verdachte in de ontvangende staat. Dat oordeel geeft niet blijk van schending van de onder 2.4 weergegeven verdragsbepalingen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de onder 2.3 weergegeven "Note Verbale" en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^