OM-cassatie. Niet-ontvankelijk verklaring OM in de vervolging. HR herhaalt toepasselijke overweging m.b.t. opportuniteitsbeginsel.

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:947

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 28 september 2011 het tegen verdachte gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 5 november 2007 vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Middel

Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

Het Hof heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - kort gezegd - aangevoerd dat in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde de vervolgingsbeslissing is genomen door een politieparketsecretaris, nu dat betekent dat de vervolgingsbeslissing is genomen door een collega van de aangever in deze zaak en aldus minst genomen de schijn van vooringenomenheid is gewekt. De raadsman heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. (...) 

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 16 augustus 2007 heeft politieparketsecretaris verbalisant in de onderhavige zaak de vervolgingsbeslissing genomen en de dagvaarding opgemaakt.

Het hof is - met de raadsman en de advocaat-generaal - van oordeel dat de politie-parketsecretaris verbalisant (gelet op de artikelen 126 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze moeten worden begrepen in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad) op grond van mandaat bevoegd was namens de officier van justitie in voorkomende gevallen tot strafvervolging te beslissen en dagvaardingen op te maken. Waar het in het onderhavige geval evenwel gaat om een delict dat zou zijn begaan tegen een directe collega van verbalisant tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, is het hof van oordeel dat met de uitoefening van de aan verbalisant gemandateerde vervolgingsbevoegdheid in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Onder die omstandigheid is het gebruik van deze bevoegdheid naar 's hofs oordeel in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat het verweer van de raadsman slaagt en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte.

Hetgeen verder door de raadsman is aangevoerd, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking."

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter tot het oordeel komt dat sprake is van zo een geval waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen. (Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109.)

In dit geval is namens de Officier van Justitie de vervolgingsbeslissing genomen en is de dagvaarding opgemaakt door de politieparketsecretaris verbalisant. Onweersproken is dat deze daartoe op de voet van art. 126 (oud) RO bevoegd was. Gelet op het tweede lid van die bepaling, dat luidde: "De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie (...) uitgeoefend", geldt hetgeen hiervoor is vooropgesteld evenzeer voor de hier door de politieparketsecretaris krachtens mandaat uitgeoefende bevoegdheid.

Het Hof heeft, ervan uitgaande dat de vervolgingsbeslissing een delict betreft dat is begaan tegen een "directe collega" van de politieparketsecretaris tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet in de vervolging kan worden ontvangen omdat met de uitoefening van de aan de politieparketsecretaris gemandateerde vervolgingsbevoegdheid "in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt" en dat "onder die omstandigheid (...) het gebruik van deze bevoegdheid (...) in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde".

Gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geeft dat oordeel ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is het ontoereikend gemotiveerd. Indien het Hof heeft geoordeeld dat reeds de enkele omstandigheid dat een op deze wijze gewekte schijn van belangenverstrengeling in de weg staat aan de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie tot vervolging, heeft het de hiervoor weergegeven - tot terughoudendheid nopende - maatstaf miskend. Indien het die maatstaf niet heeft miskend en heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat zich een van die uitzonderlijke gevallen voordoet waarin het instellen van de vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, heeft het Hof niet voldaan aan de voor die beslissing geldende zware motiveringseisen.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Oplichting, samenweefsel van verdichtsels. Slagende bewijsklacht.

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:952

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 oktober 2011 – nadat de Hoge Raad bij arrest van 22 februari 2011 het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 september 2008 heeft vernietigd ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak in zoverre heeft teruggewezen – verdachte wegens 4) oplichting, veroordeeld. Het Hof heeft verdachte voor dit feit en voor de bij arrest van 22 september 2008 bewezenverklaarde feiten 1 en 3 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof geconstateerd dat de vordering van de benadeelde partij bij arrest van 22 september 2008 tot een bedrag van € 1.878,00 is toegewezen en heeft het Hof aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.

Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

“hij in periode van 1 maart 2007 tot en met 20 oktober 2007 te Nijmegen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, betrokkene heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 1000 euro, hierin bestaande dat verdachte met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid betrokkene heeft verteld dat hij geld nodig had om een operatie van zijn oma, wonende in Angola, te kunnen realiseren/bekostigen, waardoor vernoemde betrokkene werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (pagina 10-13), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster betrokkene, zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van diefstal en oplichting in de periode tussen 6 maart 2007 en 16 november 2007 te Nijmegen. In genoemde periode werd ik, doordat verdachte gebruik maakte van een samenweefsel van verdichtsels bewogen tot afgifte van geld. Ik heb ongeveer een jaar verkering gehad met de verdachte verdachte. Gedurende deze relatie was hij vrijwel dagelijks in mijn woning in Nijmegen. Ik heb de relatie verbroken omdat hij mij op 20 oktober 2007 mishandeld heeft. Toen onze relatie verbroken was heb ik een aantal dingen over hem ontdekt. Ik heb ontdekt dat verdachte mij een heleboel leugens heeft verteld. Hij vertelde mij deze leugens met als doel geld van mij te kunnen lenen. Ik heb ontdekt dat deze vertellingen gelogen zijn, omdat ik afgelopen maanden op bezoek ben geweest bij zijn oom en tante die in Nederland wonen. verdachte had mij namelijk verteld dat zijn ouders al waren gestorven toen hij twee jaar oud was. Hij had mij verteld dat zijn oma, die nog in Angela woont, moest worden geopereerd en dat ze niet verzekerd was. lk moest hem daar geld voor lenen. Ik heb hem € 1.000,= gegeven om zijn oma te laten opereren. Ik hoorde van zijn oom en tante dat er niets aan de hand was geweest met zijn oma en dat ze niet geopereerd is. Ik denk dat verdachte dit geld voor zichzelf gebruikt heeft. Ik heb een lijst gemaakt van alle geldbedragen die zonder mijn toestemming van mijn rekening zijn gepind. Deze lijst laat ik bij u achter.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een handgeschreven overzicht, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (ongenummerd "pagina 13a"):

13-10 23.50 6521GS € 1000

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een bankafschrift ten name van betrokkene, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (ongenummerd "pagina 13d"):

Rekeningafschrift

betrokkene betrokkene

Rentedatum: 13 oktober 2007

Omschrijving/naam: Rabobank Nijmegen Geldautomaat

Bedrag: 1.000,00 AF

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 20-23), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

betrokkene is mijn ex-vriendin. Sinds maart of april 2007 had ik een relatie met haar. Deze relatie is ongeveer anderhalve maand gelegen beëindigd. Dat was dus rond oktober 2007. Tijdens onze relatie was ik vaak bij betrokkene thuis in Nijmegen. U vraagt mij naar de keer dat ik € 1.000,= van betrokkene leende. Dat was zo'n drie of vier maanden geleden. Dat was omdat ik op vakantie wilde. Ik wilde het niet zo tegen betrokkene zeggen dus vertelde ik een bullshit verhaal. Ik zei tegen betrokkene dat mijn oma een operatie moest ondergaan. Mijn oma moest in Afrika geopereerd worden. Oma kon die operatie zelf niet betalen. Ik heb op een gegeven moment tegen betrokkene gezegd dat het verhaal over mijn oma niet waar was. Van die € 1.000,= ben ik op vakantie gegaan naar Portugal. Ik heb deze € 1.000,= nog niet terug betaald.”

Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs voorts het volgende overwogen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de Hoge Raad terecht het voorstel van de advocaat-generaal, inhoudende dat de Hoge Raad verdachte zelf vrij kan spreken van de listige kunstgrepen en het arrest van het hof voor het overige in stand kan laten, niet heeft gevolgd. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de advocaat-generaal bij de Hoge Raad er vanuit gaat uit dat het samenweefsel van verdichtsels bewezen kan worden omdat uit de bewijsmiddelen zou volgen dat mijn cliënt door leugens het slachtoffer heeft bewogen tot afgifte aan hem van het geldbedrag van € 1000, -. Echter, zowel uit de feitomschrijving in de tenlastelegging als uit de bewijsmiddelen volgt maar één leugen, te weten: oma moet geopereerd worden terwijl oma helemaal niet geopereerd hoefde te worden. Voor een bewezenverklaring van een samenweefsel van verdichtsels zijn meerdere leugens vereist. Nu daarvan geen sprake is en er geen sprake is van een samenweefsel van verdichtsels behoort vrijspraak te volgen.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Verdachte heeft om zijn vriendin geld afhandig te maken in strijd met de waarheid tegen haar gezegd

• dat zijn oma ziek was;

• dat zijn oma geopereerd zou moeten worden;

• dat zijn oma geen geld had voor de operatie;

• dat het door het slachtoffer over te dragen geld gebruikt zou zou worden om de operatie te betalen.

Dit is een samenweefsel van verdichtsels. De mededelingen van de verdachte behelsden meer dan een enkele leugen. Het hof verwerpt het verweer.”

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde.

Beoordeling Hoge Raad

De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte betrokkene 'door een samenweefsel van verdichtsels' tot afgifte van geld heeft bewogen, kan niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering worden afgeleid. Het middel slaagt in zoverre.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Onttrekking aan het verkeer bij vrijspraak

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:944

Feiten

Aan de verdachte was tenlastegelegd dat:

"hij, op een of meer tijdstippen in de maand mei 2009, te Vlagtwedde, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een paard pijn of letsel heeft veroorzaakt, danwel de gezondheid van het paard heeft benadeeld, door dit paard arbeid te doen verrichten, welke zijn fysieke grens te boven ging en/of het paard telkens nodeloos met een zweep te slaan en/of het paard te blinddoeken en/of het paard op een plaats te laten staan zonder de mogelijkheid te rusten en er geen zorg voor dragen dat de box waarin het paard verbleef was voorzien van een bodembedekking."

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 18 november 2011 de verdachte vrijgesproken. Deze vrijspraak is als volgt gemotiveerd:

"Het hof overweegt ten aanzien van het hetgeen verdachte ten laste wordt gelegd als volgt.

Er zijn door omwonenden waarnemingen gedaan omtrent slaande bewegingen met een zweep, die verdachte maakte in de richting van het paard. Door de grote afstand vanwaar deze waarnemingen zijn gedaan kan naar het oordeel van het hof niet op basis van deze waarnemingen worden bewezen dat het paard daadwerkelijk met de zweep werd geraakt, laat staan dat bewezen kan worden dat het paard op die momenten nodeloos werd geslagen.

Het hof wordt in dit oordeel gesterkt doordat noch de verbalisanten noch de dierenarts verwondingen op het lichaam van het paard hebben waargenomen die ten gevolge van het slaan met een zweep zouden kunnen zijn ontstaan. Hetgeen hierover is overwogen geldt evenzeer met betrekking tot het tegen het hoofd slaan van het paard en het blinddoeken van het paard.

Wel hebben de verbalisanten en de dierenarts waargenomen dat het paard in een slechte conditie verkeerde. De dierenarts heeft in een diergeneeskundige verklaring d.d. 5 juni 2009 opgetekend dat het paard te mager was, boos en argwanend overkwam en last had van dampigheid, een chronische longziekte bij paarden. Naar het oordeel van het hof volgt echter niet uit de bewijsmiddelen dat deze slechte conditie het rechtstreeks gevolg was van de handelingen die aan verdachte worden verweten. Dit mede gelet op de verklaring die de dierenarts op 5 juli 2011 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.

Het voorgaande maakt dat het hof niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Derhalve zal verdachte worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd."

Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen bevolen:

  • een rijzweep, itemnummer 6556;
  • een longeerzweep, itemnummer 6558;
  • een longeerzweep, itemnummer 6560.

Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:

"De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvan verdachte verdacht werd aangetroffen. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zullen worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze voorwerpen niet meer in hun normale toestand zijn, maar zodanig zijn aangepast dat het ongecontroleerde bezit ervan de gezondheid van dieren kan bedreigen."

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof de onttrekking aan het verkeer heeft bevolen zonder te hebben vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.

Beoordeling Hoge Raad

De verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde. Bij gebreke van een bewezenverklaring is de rechter in het kader van het beslissingsschema van art. 350 Sv dus niet toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit. Nu de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen is bevolen maar de bestreden uitspraak niets inhoudt omtrent de vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan het vereiste van art. 36b, eerste lid aanhef onder 3°, Sr.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en gelast de teruggave van de hiervoor genoemde inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak: asbest

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:951

Feiten

De tenlastelegging, voor zover thans nog van belang en die kennelijk primair is toegesneden op het (opzet)misdrijf van art. 173a Sr en subsidiair op de culpoze variant van art. 173b Sr, luidt als volgt:

“feit 2:

zij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 19 november 2007 tot en met 13 maart 2008, in een winkel(filiaal) gelegen op het perceel a-straat 1 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten asbest en/of asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-) materiaal, open/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, aangezien toen aldaar in het (winkel)filiaal vezels en/of stukjes en/of deeltjes van plafondplaten, bevattende niet-hechtgebonden Amosiet (asbest) zijn verspreid en/of losgeraakt en/of achtergebleven, terwijl geen, althans onvoldoende maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat (winkelend) publiek en/of niet bij verdachte in dienst zijnde werknemers in aanraking kwam(en) of zoud(en) kunnen komen met dat asbest;

subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 19 november 2007 tot en met 13 maart 2008, in een winkel(filiaal) gelegen op perceel a-straat 1 te Hoorn wederrechtelijk een stof, te weten asbest en/of asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, aangezien toen aldaar in het (winkel)filiaal vezels en/of stukjes en/of deeltjes van plafondplaten, bevattende niet-hechtgebonden Amosiet (asbest) zijn verspreid en/of losgeraakt en/of achtergebleven, terwijl geen, althans onvoldoende maatregelen waren/werden genomen om te voorkomen dat (winkelend) publiek en/of niet bij verdachte in dienst zijnde werknemers in aanraking kwam(en) of zoud(en) kunnen komen met dat asbest.”

Ten laste van verdachte is daarvan bewezen verklaard dat:

“zij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 13 maart 2008, in een winkelfiliaal gelegen op perceel a-straat 1 te Hoorn wederrechtelijk een stof, te weten asbest en/of asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal, op de bodem en in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, aangezien toen aldaar in het winkelfiliaal vezels en/of stukjes en/of deeltjes van plafondplaten, bevattende niet-hechtgebonden amosiet (asbest) zijn verspreid en losgeraakt en achtergebleven, terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen om te voorkomen dat (winkelend) publiek en niet bij verdachte in dienst zijnde werknemers in aanraking kwamen of zouden kunnen komen met dat asbest.”

De economische kamer van het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 24 januari 2012 veroordeeld tot een geldboete van € 30.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens het onder 2 primair tenlastegelegde “Opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon”. Van het onder 1 tenlastegelegde economische delict heeft het Hof verdachte vrijgesproken.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over de kwalificatie van de bewezenverklaring.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het bewezenverklaarde onder aanhaling van art. 173a Sr gekwalificeerd als "opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon".

De door het Hof aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie is, mede gelet op hetgeen het Hof in de bewijsvoering heeft vastgesteld, niet te verenigen met de bewezenverklaring.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Schuld in de zin van roekeloosheid, artikel 6 en 175 WVW 1994. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:964

Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1) subsidiair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van deze wet en 2) overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht jaren. Voorts heeft het Hof een personenauto verbeurd verklaard.

Namens verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

Beoordeling Hoge Raad

Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is toegesneden op art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "roekeloos" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994.

Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum. (Vgl. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488)

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. De Hoge Raad kan bij het beoordelen van cassatieberoepen die zich richten tegen beslissingen in concrete gevallen, slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid. Bij die toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.

In het licht van het voorafgaande schiet de bewijsvoering van het Hof tekort. De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising - met voor hem groen licht uitstralende verkeerslichten - is opgereden, terwijl het alcoholgehalte in zijn bloed 1,26 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, "in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam" heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte "roekeloos" in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

Het middel is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

Conclusie AG Vellinga: anders

Het Hof heeft verdachtes roekeloosheid afgeleid uit het in ernstige mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 70 km/h overschrijden door met een gemiddelde snelheid tussen 112 en 130 km/h te rijden, vervolgens met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising op te rijden, en dat terwijl hij beginnend bestuurder was en het alcoholgehalte van zijn bloed 1,26 mg alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor verdachte als beginnend bestuurder was het verboden een motorrijtuig te besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger bleek te zijn dan 0,2 mg/ml bloed. Het alcoholgehalte van verdachtes bloed was dus ruim zes maal hoger dan toegestaan. Desondanks is hij in zijn auto gaan rijden. Reeds die omstandigheid vormt een sterke aanwijzing dat hij heeft gereden in tomeloze onverschilligheid ten aanzien van de gevolgen van zijn verkeersdeelname. Het is immers van algemene bekendheid dat rijden onder invloed een ernstig gevaar oplevert voor verkeersdeelnemers, zeker wanneer sprake is van een zo hoog bloedalcoholgehalte als bij verdachte is aangetroffen. Wanneer, zoals het Hof blijkens zijn hiervoor aangehaalde overweging heeft gedaan, voorts in aanmerking wordt genomen dat de verdachte zich niettemin, ondanks de ernstige aantasting door alcoholgebruik van zijn bekwaamheid een auto te besturen, heeft overgegeven aan uitgesproken gevaarlijk verkeersgedrag, te weten het in ernstige mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 70 km/h overschrijden door met een gemiddelde snelheid gelegen tussen 112 en 130 km/h te rijden en vervolgens met (nagenoeg) onverminderde snelheid op een met verkeerslichten beveiligde kruising afrijden en deze oprijden en wel zo snel (bewijsmiddel 8) dat slechts bij een noodstop met een zo krachtige remming dat deze voor een gemiddelde bestuurder niet haalbaar is, voor het rode verkeerslicht kon worden gestopt, kan uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen gelezen in samenhang met de door het Hof gegeven motivering worden afgeleid dat verdachtes schuld bestond in roekeloosheid in de in art. 175 lid 2 WVW 1994 bedoelde zin. De onverschilligheid ten aanzien van de gevolgen van het rijden in een motorrijtuig in een toestand als waarin de verdachte door alcoholgebruik verkeerde wordt immers nog eens aangescherpt door rijgedrag waaruit eveneens blijkt van onverschilligheid ten aanzien van de gevolgen van dat rijgedrag. Bevestiging van die onverschilligheid zou kunnen worden gezien in het feit dat de verdachte blijkens de gebezigde bewijsmiddelen na de botsing met de fietser is doorgereden en zich om de gevolgen van zijn gedrag dus niet heeft bekommerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^