Schorsing onderzoek ttz. teneinde de A-G bij het Hof in de gelegenheid te stellen de ontnemingsvordering ter verificatie in te dienen bij de curator in het faillissement van betrokkene & artikel 29 Faillissementswet

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:125

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft veroordeelde bij arrest van 18 juli 2011 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.436.386,00.

Tegen deze uitspraak is namens veroordeelde cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst teneinde de Advocaat-Generaal bij het Hof in de gelegenheid te stellen zijn vordering ter verificatie in te dienen bij de curator in het faillissement van de betrokkene.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat het faillissement van de betrokkene er niet aan in de weg staat dat de procedure tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de betrokkene wordt voortgezet. Het Hof heeft hieromtrent het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Namens verdachte is betoogd dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Verdachte is inmiddels in staat van faillissement verklaard en artikel 29 van de Faillissementswet zou aan het instellen van een vordering tegen gefailleerde in de weg staan.

Artikel 29 Faillissementswet luidt:

"Voorzover tijdens de faillietverklaring aanhangige rechtsvorderingen voldoening ener verbintenis uit de boedel ten doel hebben, wordt het geding na de faillietverklaring geschorst, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie der vordering betwist wordt. In dit geval wordt hij, die de betwisting doet, in de plaats van de gefailleerde, partij in het geding."

Het hof deelt die opvatting van de verdediging niet. Artikel 29 van de Faillissementswet geeft een regeling betreffende schorsing van rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben. Artikel 29 Faillissementswet leent zich niet voor toepassing in een strafrechtelijk procedure.

Daarnaast bieden ook de wettekst en ontstaansgeschiedenis van artikel 94 Wetboek van Strafvordering aanknopingspunten voor de opvatting dat de regeling van artikel 29 Faillissementswet niet van toepassing is op de ontnemingsprocedure.

Allereerst dient te worden vastgesteld of de onderhavige vordering de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft en zich leent voor indiening ter verificatie.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is op 6 september 2007 ter terechtzitting aanhangig gemaakt. Verdachte is op 11 december 2007 in staat van faillissement verklaard. Op 1 december 2008 heeft de rechtbank vonnis gewezen in de ontnemingszaak tegen verdachte.

Artikel 94d derde lid Wetboek van Strafvordering bepaalt:

"De officier van justitie heeft voorts tot bewaring van het recht tot verhaal de bevoegdheid namens de staat als schuldeiser in het faillissement van de verdacht of veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet vaststaat wordt hij geacht voor een voorwaardelijk vordering op te komen."

De Memorie van Toelichting bij dit artikel vermeldt:

"Het voorgestelde derde en vierde lid van art. 94d hebben betrekking op situaties waarin de verdachte (of veroordeelde, als tegen hem nog een strafrechtelijk financieel onderzoek loopt) failliet is verklaard. (...) Wanneer evenwel een verdachte, te wiens aanzien de oplegging van een hoge geldboete of van de maatregel van art. 36e Sr te verwachten is of in eerste aanleg reeds heeft plaatsgevonden, failliet is verklaard, wordt het openbaar ministerie de bevoegdheid gegeven namens de staat als schuldeiser in het faillissement op te komen, met de mogelijkheid dat de faillissementspauliana door de curator in het faillissement op grond van de artikelen 43 of 45 Fw wordt ingesteld. Het openbaar ministerie zal daarbij wel, net als in geval van conservatoir beslag, een (maximum)bedrag van de vordering moeten aangeven waarin het als vertegenwoordiger van staat als schuldeiser opkomt. Daarom is bepaald dat in zo'n geval de officier van justitie geacht wordt voor een voorwaardelijke vordering op te komen. Indien, voordat het tot de oplegging van een geldboete of een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gekomen, de curator tot verificatie en afwikkeling van het faillissement wil overgaan, kan hij op grond van artikel 133 Fw zelf tot een schatting komen van het bedrag waarop de vordering van de staat ware te bepalen."

Een vordering als bedoeld in art. 36e Sr is een vordering van de officier van justitie die ertoe strekt dat de rechter aan de betrokkene een betalingsverplichting oplegt ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zo een vordering is niet een rechtsvordering als bedoeld in art. 29 Faillissementswet.

Gelet hierop is het oordeel van het Hof dat het onderzoek ter terechtzitting niet geschorst behoeft te worden, wat er ook zij van de daartoe gegeven motivering, juist.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Tweede en derde middel

De middelen, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, keren zich met motiveringsklachten tegen de afwijzing door het Hof van het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek op de op te leggen betalingsverplichting een bedrag van € 2.250.388,34 in mindering te brengen, welk bedrag door de Tiende Kamer van het Hof van beroep te Antwerpen (België), rechtdoende in correctionele zaken, bij arrest van 29 juni 2010 is verbeurdverklaard.

De bestreden uitspraak houdt hieromtrent het volgende in:

"Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van de Tiende Kamer, recht doende in correctionele zaken, d.d. 29 juni 2010, is een bedrag van € 2.250,388,34 verbeurd verklaard bij veroordeelde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag in mindering gebracht dient te worden op het in de onderhavige procedure te ontnemen bedrag, omdat de verbeurdverklaring in België en de onderhavige ontnemingsvordering betrekking zouden hebben op hetzelfde geld.

Blijkens het in kopie overgelegde arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, laat de verbeurdverklaring de rechten van derden onverlet. Dat betekent dat ook anderen dan de Belgische staat en anderen dan benadeelde partijen zich kunnen verhalen op de verbeurd verklaarde goederen. Indien anderen dan de (Belgische) staat of benadeelde partijen zich verhalen op de verbeurd verklaarde goederen (bijvoorbeeld voor aan verdachte geleverde luxe goederen of diensten), zou verdachte alsnog voordeel genieten van wederrechtelijk verkregen vermogen indien de waarde van de verbeurd verklaarde goederen (volledig) in mindering worden gebracht van het wederrechtelijk genoten voordeel.

Voor zover de waarde van de verbeurd verklaarde gelden/goederen daadwerkelijk ten bate zullen komen van benadeelde partijen of de Belgische staat, ligt het op de weg van veroordeelde een verzoekschrift op grond van artikel 577b Wetboek van Strafvordering een verzoek tot vermindering van het vastgestelde bedrag in te dienen."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2011 is door de raadsman van de betrokkene het volgende aangevoerd:

"De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven, het volgende:

(...)

Het subsidiair standpunt is dat een aantal bedragen in mindering dienen te worden gebracht op het geschatte voordeel.(...)

Door het Hof van Beroep (België) is op 29 juni 2010 arrest gewezen met betrekking tot mijn cliënt. In artikel 42, eerste lid, van het Strafwetboek van België, is de verbeurdverklaring geregeld. Deze Belgische verbeurdverklaring lijkt op de Nederlandse ontnemingsvordering. Op grond van artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht, dienen de in België verbeurd verklaarde zaken met een waarde van in totaal € 2.25388,34 in mindering te worden gebracht op de Nederlandse ontnemingsvordering."

Beoordeling Hoge Raad

Art. 36e, zevende lid, (oud) Sr luidt:

"Bij de oplegging van de maatregel wordt rekening gehouden met uit hoofde van eerdere beslissingen opgelegde verplichtingen tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel."

De wetsgeschiedenis houdt ten aanzien van deze bepaling onder meer het volgende in:

"Het zevende lid dient te worden gelezen in relatie tot het derde lid. Nu ingevolge het derde lid aan iemand op grond van de veroordeling wegens een misdrijf ook voordeel kan worden ontnomen dat op enigerlei andere wijze verkregen wederrechtelijk voordeel vormt, dient, wanneer het later opnieuw tot een veroordeling wegens een ander misdrijf komt, dat op zijn beurt weer aanleiding kan geven tot ontneming van op enigerlei andere wijze verkregen wederrechtelijk voordeel, te worden voorkomen dat de veroordeelde tot twee maal toe voor een bedrag dat op een en hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft strafrechtelijk wordt aangesproken”

De middelen berusten op de opvatting dat art. 36e, zevende lid, (oud) Sr, thans art. 36e, negende lid, Sr ook van toepassing is op ontnemingsmaatregelen die zijn opgelegd door een buitenlandse rechter. Die opvatting is niet juist. De tekst van art. 36e, zevende lid, (oud) Sr noch de wetsgeschiedenis bieden steun voor die opvatting. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever in art. 36e, zevende lid, (oud) Sr slechts het oog heeft op ontneming van wederrechtelijk voordeel verkregen uit 'andere feiten' als bedoeld in art. 36e, derde lid, Sr.

De middelen zijn tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verschoningsrecht notaris

Hoge Raad 2 juli, ECLI:NL:HR:2013:CA0434

Feiten

Op 2 juni 2010 heeft de officier van justitie op de voet van artikel 110 Sv schriftelijk van de rechter-commissaris gevorderd dat hij in het belang van het strafrechtelijk onderzoek tegen betrokkene 1 het kantoor van de klaagster zal doorzoeken. Ter onderbouwing van deze vordering was een proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagname opgesteld door het Korps landelijke politiediensten (KLPD) d.d. 31 mei 2010, waarin onder andere is opgenomen dat:

  • betrokkene 1 optreedt als vastgoedhandelaar en financieel adviseur;
  • uit opsporingsonderzoeken is gebleken dat hij zakelijke relaties onderhoudt met personen die in het verleden voor misdrijven zijn veroordeeld of waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt of heeft gelopen;
  • uit opgenomen communicatie naar voren komt dat hij die personen witwasmogelijkheden aanbiedt via onder andere rechtspersonen;
  • gebleken is dat veel notariële aktes van (de rechtspersonen van) betrokkene 1 zijn gepasseerd bij klaagster;
  • in diverse telefoongesprekken van betrokkene 1 met anderen is gesproken over betrokkene 2 van klaagster;
  • betrokkene 1 in een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek tussen hem en een (potentiële) koper van 14 januari 2010 vraagt om de notaris nog niet de opdracht te geven, want betrokkene 1 wil overleggen om het bij klaagster te laten gebeuren;
  • betrokkene 1 in een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek van 14 januari 2010 met betrokkene 3 zegt dat hij bij betrokkene 2 zit en alle dossiers doorneemt (...) en dat hij (betrokkene 1) hem (betrokkene 2) alles gaat uitleggen;
  • in een direct afgeluisterd (zogeheten OVC-)gesprek dat op 20 januari 2010 is gevoerd tussen betrokkene 1 en betrokkene 3, wordt gesproken over een hypothecaire inschrijving van 6,8 miljoen. In dit gesprek heeft betrokkene 1 tegen betrokkene 3 gezegd dat:
  • "betrokkene 2 knettergek is dat hij meewerkt. betrokkene 4 is met de koopaktes aan het kloten en schuiven geweest. Hij (betrokkene 2) past de nota aan op ons verzoek. Iedere andere notaris (ntv) die dit doet. betrokkene 4 kent betrokkene 2 goed, daarmee kan betrokkene 4 het bespreken. Met iemand anders gaat betrokkene 4 de mist in.

De rechter-commissaris heeft de vordering van de officier van justitie op 10 juni 2010 toegewezen, waarna op 15 juni 2010 een doorzoeking ter inbeslagneming op het kantoor van de klaagster door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam, mr. W.M.C. van den Berg, is verricht. De doorzoeking was in het bijzonder gericht op dossiers van transacties die in verband konden worden gebracht met betrokkene 1. De rechter-commissaris was bij de doorzoeking onder andere vergezeld van de voorzitter van de ring, mr. Ploumen voornoemd. Tevens waren notaris betrokkene 5 en notarisklerk betrokkene 2 aanwezig. Digitale rechercheurs hebben, blijkens een door mr. Van den Berg opgesteld proces-verbaal, eerst een zoekslag op het gehele netwerk van het kantoor losgelaten, zonder enig document in te zien. Op basis van een door het opsporingsteam opgestelde lijst van verdachte dossiers en transacties die in verband met betrokkene 1 werden gebracht, hebben de notaris betrokkene 5 en klerk betrokkene 2 aangewezen waar deze dossiers zich zouden moeten bevinden. Bij de doorzoeking zijn door de rechtercommissaris vervolgens 66 dossiers en digitale bestanden in beslag genomen. De notaris heeft geen toestemming gegeven tot doorzoeking van zijn kantoor en evenmin tot de inbeslagneming van stukken. De ringvoorzitter heeft enige dossiers ingezien en heeft daarbij te kennen gegeven van mening te zijn dat de stukken geen deel uit maakten van een strafbaar feit, maar dat deze onder de geheimhoudingsplicht vielen. De in beslag genomen stukken en de digitale kopie van de digitale bestanden zijn verzegeld meegenomen door de rechter-commissaris, onder de uitdrukkelijke toezegging dat het beslag niet in handen van het Openbaar Ministerie dan wel een opsporingsinstantie zal worden gesteld voordat onherroepelijk is beslist op een door de klaagster in te dienen klaagschrift.

Bij beschikking van 7 februari 2012 heeft de Rechtbank te Rotterdam het beklag van klaagster tegen de inbeslagneming van zich onder haar bevindende dossiers en digitale bestanden ongegrond verklaard.

Namens klaagster heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat "redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de in beslag genomen papieren dossiers deel uitmaken van een of meer strafbare feiten dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend" en dat "de doorzoeking op gerichte wijze heeft plaatsgehad" onvoldoende is gemotiveerd. Blijkens de toelichting op het middel heeft deze klacht betrekking op de inbeslagneming van 66 dossiers.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 29 maart 1994, LJN ZC9694, NJ 1994/537 en HR 12 februari 2002, LJN AD9162, NJ 2002/439).

Het is derhalve eerst aan de verschoningsgerechtigde om zich bij de doorzoeking ter inbeslagneming uit te laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd. Dit is niet anders indien in verband met bijvoorbeeld de omvang van de te beoordelen stukken, de stukken die naar voorlopig oordeel van de Rechter-Commissaris voor inbeslagneming in aanmerking komen, verzegeld worden meegenomen naar het kabinet van de Rechter-Commissaris. Ook dan dient de verschoningsgerechtigde in staat te worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de inbeslaggenomen stukken. Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de Rechter-Commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter (of diens vervanger). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de Rechter-Commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat tegen de achtergrond van de in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking van 31 mei 2010 genoemde omstandigheden de Rechter-Commissaris terecht heeft aangenomen dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de inbeslaggenomen papieren dossiers, die blijkens het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris alle betrekking hadden op betrokkene 1, "deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend" en dat die stukken nimmer object van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht zijn. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, aangezien de aan het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen de inhoud van de dossiers niet vermeldt en evenmin een aanduiding bevat van de aard van de zich daarin bevindende stukken. Het middel klaagt daarover terecht.

Opmerking verdient voorts het volgende. De uit de bestreden beschikking en de overige stukken blijkende gang van zaken met betrekking tot de inbeslagneming houdt in dat de notaris en de Ringvoorzitter zich slechts ten aanzien van enkele van de in totaal 66 dossiers hebben kunnen uitlaten over de vraag of de zich daarin bevindende stukken kunnen worden aangemerkt als stukken die voorwerp uitmaken van de aan betrokkene 1 verweten strafbare feiten of tot het begaan daarvan hebben gediend. Voor zover in het weergegeven oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat indien (reeds) op grond van de uit het proces-verbaal van aanvraag doorzoeking blijkende omstandigheden kan worden geoordeeld dat die stukken geen object zijn van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht, het standpunt van de verschoningsgerechtigde daaromtrent niet behoeft te worden ingewonnen, is dat oordeel niet juist.

Tweede middel

Het tweede middel klaagt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de Rechtbank dat redelijkerwijs geen twijfel erover kan bestaan dat de inbeslaggenomen digitale bestanden deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 worden verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend, voor zover zij bestanden betreffen die zijn gevonden aan de hand van de door het opsporingsteam opgestelde 'lijst verdachte dossiers en transacties die met betrokkene 1 in verband zijn gebracht'.

Beoordeling Hoge Raad

Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan naar in computers opgeslagen bestanden teneinde gegevens die van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Zoals in de beschikking van de Hoge Raad van 20 februari 2007, LJN AZ3564 is overwogen, dient, in aanmerking genomen dat computerbestanden zich naar hun aard niet eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek, gewaarborgd te zijn dat de inbeslaggenomen gegevensdragers op de voet van art. 125l Sv worden onderzocht op een wijze waarbij het verschoningsrecht van de verschoningsgerechtigde niet in het gedrang komt. Hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de inbeslagneming van papieren dossiers is bij dat onderzoek voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

In de overwegingen van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de bestanden die voorkomen op de "digitale kopie" van de onder de klaagster inbeslaggenomen computerbestanden en die zijn gevonden aan de hand van de lijst van met betrokkene 1 in verband gebrachte verdachte dossiers en transacties, gegevens bevatten die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, aangezien het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris niets vermeldt omtrent de aard van de in die bestanden opgeslagen gegevens, noch omtrent de wijze waarop deze het onderzoek naar de inhoud van de gegevensdragers met het oog op het waarborgen van het verschoningsrecht heeft doen uitvoeren. Ook dit middel is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Conclusie AG: anders

De middelen stellen de vraag aan de orde of de Rechtbank haar oordeel dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat de in beslag genomen papieren dossiers en de digitale bestanden voor zover deze bestanden betreffen die aan de hand van de lijst van met betrokkene 1 in verband gebrachte verdachte dossiers en transacties zijn gevonden, deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die betrokkene 1 wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend, voldoende met redenen heeft omkleed.

De Rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat op grond van de omstandigheden, genoemd in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking van het KLPD van 31 mei 2010, naar het oordeel van de Rechtbank redelijkerwijs kon worden vermoed dat betrokkene 1 had 'gerommeld' met koopaktes, en voorts dat op diens verzoek notarisklerk betrokkene 2 nota's - waarschijnlijk - niet overeenkomstig de waarheid had aangepast en dat deze (vervolgens) zijn medewerking had verleend aan onregelmatige transacties of transporten. In aanmerking genomen hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld omtrent de inhoud van vorengenoemd proces-verbaal, er kort gezegd op neer komende dat betrokkene 1 als vastgoedhandelaar en financieel adviseur wordt verdacht van witwassen, veel notariële aktes zijn gepasseerd bij klaagster en in een telefoongesprek wordt gesproken van het aanpassen van nota's door een medewerker van het notariaat, heeft de Rechtbank haar oordeel toereikend gemotiveerd. Uit een en ander heeft de Rechtbank immers kunnen afleiden dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat betrokkene 1 het witwassen waarvan hij wordt verdacht heeft verricht (mede) door middel van transacties waarvan de aktes zijn gepasseerd bij klaagster en de op die aktes betrekking hebbende fysieke dossiers en digitale bestanden derhalve stukken moeten bevatten die voorwerp uitmaken van bedoeld witwassen en/of tot het begaan daarvan hebben gediend.

De middelen falen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

De opvatting dat onder “verandering in de wetgeving” ook kan worden verstaan een verandering in beleidsregels van het OM inzake het transactie- en strafvorderingsbeleid is onjuist

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:144

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest 3 februari 2012 verdachte wegens als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden veroordeeld tot een geldboete van € 380, subsidiair 7 dagen hechtenis, waarvan € 180, subsidiair 3 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal bij het Hof, mr. L.Ph. den Hollander heeft beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat sprake is van verandering in wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof is blijkens zijn overwegingen uitgegaan van de opvatting dat onder een "verandering in de wetgeving" zoals bedoeld in art. 1, tweede lid, Sr ook kan worden verstaan een verandering in beleidsregels van het Openbaar Ministerie inzake het transactie- en strafvorderingsbeleid. Die opvatting is echter onjuist. Evenzeer onjuist is het oordeel van het Hof dat de door het Hof omschreven, op 1 januari 2012 in werking getreden Richtlijn een verandering in regels van sanctierecht inhoudt (Vgl. HR 5 maart 2013, LJN BZ3257, NJ 2013/163).

Het middel slaagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het hof is bij zijn beraadslaging en beslissing uitgegaan van een onjuiste uitleg van de tenlastelegging t.a.v. de plaats

Hoge Raad 21 mei 2013, ECLI:NL:PHR:2013:104

Feiten

Bij arrest van 1 juli 2011 heeft de Enkelvoudige Kamer van het Hof ’s-Gravenhage, verdachte vrijgesproken van het hem ten laste gelegde rijden onder invloed alsmede van het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.

Tegen het arrest heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte is het cassatieberoep tegengesproken door mr. J.Y. Taekema, advocaat te ‘s-Gravenhage.

Middel

Het middel richt zich tegen de gegeven vrijspraak in het licht van een feit van algemene bekendheid en tegen de uitleg die het Hof aan de tenlastelegging heeft gegeven. Het Hof zou een onjuiste uitleg hebben gegeven aan de tenlastelegging door een onderscheid te maken tussen ‘te Rotterdam’ en ‘binnen de gemeente Rotterdam’. Als ik het goed begrijp heeft het Hof het begrip ‘te Rotterdam’, zoals dat ten laste is gelegd, te beperkt uitgelegd door daaronder niet te begrijpen ‘binnen de gemeente Rotterdam’. De vrijspraak zou onbegrijpelijk zijn gelet op het feit van algemene bekendheid dat de plaats waar verbalisanten hebben geconstateerd dat de verdachte met een ongeldig rijbewijs heeft gereden – waarna bovendien is gebleken dat de verdachte onder invloed verkeerde – is gelegen ‘in Rotterdam’.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat daarin met de woorden “te Rotterdam” mede wordt bedoeld “in de gemeente Rotterdam”. Blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen is het Hof derhalve bij zijn beraadslaging en beslissing uitgegaan van een onjuiste uitleg van de tenlastelegging. Voor zover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen door het verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. HR herhaalt eerdere overwegingen.

Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:121

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 15 april 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens

2) een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en ten aanzien van een ander enige handeling ondernemen waarvan hij weet dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is,

3) primair “een ander door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt en opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich onder de eerder genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen en een ander door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen,

4) mensenhandel

5) van het plegen van witwassen een gewoonte maken

6) mishandeling

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Middel

Het derde middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 5 bewezenverklaarde (gewoonte)witwassen oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, LJN BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen.

  • Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16).
  • Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, LJN AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.
  • Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".
  • Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, LJN BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.

  • Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".
  • Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
  • In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Hetgeen hiervoor is vooropgesteld met betrekking tot witwassen door het "voorhanden hebben" van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, geldt ook indien het "verwerven" van een dergelijk voorwerp is bewezenverklaard. Ook dan dient de eis te worden gesteld dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (vgl. HR 18 juni 2013, LJN CA3302).

Onderhavige zaak

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven en heeft het Hof geoordeeld dat zulks (gewoonte)witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/05591, 11/02596, 11/05598 en 12/01501.

Print Friendly and PDF ^