Oordeel hof dat sprake is van poging tot valselijk opmaken van betaalpassen geeft geen blij van een onjuiste rechtsopvatting

Hoge Raad 26 april 2013, LJN BZ8635

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 3 mei 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden wegens  poging tot opzettelijk een betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat te dezen sprake is van een begin van uitvoering van het valselijk opmaken van betaalpassen.

Beoordeling Hoge Raad

Gelet op de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden geeft het oordeel van het Hof dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte - te weten: een pinterminal losschroeven en een gat in de behuizing daarvan branden nadat hij zich had laten insluiten in het filiaal van Ikea - naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf van het valselijk opmaken van betaalpassen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Art. 68 Sr "hetzelfde feit": HR formuleert relevante vergelijkingsfactoren

Hoge Raad 26 april 2013, LJN BZ8645

Feiten

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 20 april 2011 wegens witwassen veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de (tussen)beslissing te vernietigen van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch tot toewijzing van een tweetal vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging, nu door de toegestane vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging geen sprake meer is van "hetzelfde feit" zodat het Hof ten onrechte heeft beraadslaagd en beslist op grondslag van de gewijzigde tenlastelegging.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.

Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011/394).

De aan de verdachte verweten gedraging is in de tenlastelegging omschreven als betrokkenheid bij oplichting tot afgifte van geldbedragen, gepleegd in de periode van 1 mei 2008 tot en met 1 augustus 2008 in diverse plaatsen in Nederland, en in de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging als het in dezelfde periode witwassen van geld in Eindhoven dan wel Nederland. De tenlastelegging is toegesneden op art. 326 Sr en de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging op art. 420bis/420quater Sr.

Zowel het verschil in de juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen loopt niet zodanig uiteen dat geen sprake kan zijn van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. De strafbaarstellingen van oplichting en (schuld)witwassen strekken immers mede ter bescherming van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, terwijl de strafmaxima die op oplichting en (schuld)witwassen zijn gesteld, slechts in geringe mate uiteenlopen. Het Hof heeft, kennelijk oordelend dat de desbetreffende gedragingen dezelfde geldbedragen betroffen en als één feitencomplex kunnen worden aangemerkt, daarom zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting nagelaten de (tussen)beslissingen te vernietigen van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch tot toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, en beraadslaagd en beslist op grondslag van de aldus gewijzigde tenlastelegging.

Het middel faalt.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Opgave van de persoonsgegevens kan niet worden aangemerkt als een verklaring van verdachte, terecht geen uitsluiting voor wat betreft deze gegevens

Hoge Raad 23 april 2013, LJN BZ8166

Verzoeker is bij arrest van 31 maart 2011 door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een geldboete van € 650 wegens overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet het gehele proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 26 april 2009 van het bewijs heeft uitgesloten.

Beoordeling Hoge Raad

In zijn arrest van 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat verklaringen die de aangehouden verdachte heeft afgelegd voordat hem de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen, van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat nu de verdachte door de politie is verhoord zonder dat hem die gelegenheid is geboden, het proces-verbaal van verhoor van 26 april 2009, voor zover daarin verklaringen van de verdachte zijn gerelateerd, niet voor het bewijs mag worden gebezigd.

Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de in dat proces-verbaal vermelde mededeling van de verbalisant, diens waarneming of bevinding behelzende, voor het bewijs mag worden gebezigd. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de in dat proces-verbaal gerelateerde opgave van de persoonsgegevens in het onderhavige geval niet kan worden aangemerkt als een verklaring van de verdachte, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Strafoplegging ontoereikend gemotiveerd: Het bij de strafmotivering betrekken van de omstandigheid dat verdachte eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld is niet begrijpelijk, nu het gaat om twee niet-onherroepelijke veroordelingen

Hoge Raad 23 april 2013, LJN BZ8168

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 3 mei 2011 door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren wegens 1) eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, 2) mishandeling en 3) eenvoudige belediging.

Het hof heeft ten aanzien van de oplegging van de straf onder meer het volgende overwogen:

"Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 3 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld. Deze veroordeling heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof bij de strafmotivering ten onrechte heeft betrokken dat de verdachte eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld.

Beoordeling Hoge Raad

De vaststelling van het Hof dat de "de verdachte eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld" waarmee het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, is niet begrijpelijk. Het door het Hof genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 3 maart 2011 vermeldt geen zodanige eerdere onherroepelijke veroordeling. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Fraudezaak woningcorporatie Dinxperlo moet over

De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat de zaak waarin een voormalig hoofd/manager financieel economische zaken wordt verdacht van onder meer verduistering van meer dan 1.500.000 euro bij Woningstichting Dinxperlo en enkele verenigingen van eigenaren opnieuw moet worden behandeld. De verdediging heeft zowel bij de rechtbank als in hoger beroep vrijspraak bepleit en daaruit volgt dat de rechtbank volgens de wet de bewijsmiddelen had moeten uitwerken. Dat heeft de rechtbank (LJN BL7590) niet gedaan en daarom had het hof dit vonnis niet mogen bevestigen.

De Hoge Raad oordeelt verder dat de grond waarop in de eerdere instanties vrijspraak is bepleit geen stand houdt. De verdachte kon zich de gelden onrechtmatig toe-eigenen vanwege zijn functie als hoofd/manager financieel economische zaken. Dat hij die gelden niet rechtstreeks in beheer had en dat hij nog bepaalde handelingen moest verrichten om de vrije beschikking te krijgen over de te verduisteren gelden doet daar niet aan af.

De verdachte werd voor de verduistering en de andere bewezenverklaarde feiten door het hof Arnhem veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en het terugbetalen van 800.000 euro aan de woningstichting.

Print Friendly and PDF ^