Het Hof bevestigt het vonnis maar brengt een wijziging aan in de bewezenverklaring. Strijd met art. 423 lid 1 Sv?

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6512

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 11 april 2011 verdachte wegens het medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof art. 423 Sv heeft geschonden, nu het Hof het vonnis van de Rechtbank heeft bevestigd, hoewel het een wijziging heeft aangebracht in de bewezenverklaring.

Het bestreden arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

"Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof: (...) in de bewezenverklaring (...) tussen de woorden 'gehad' en 'overgedragen' toevoegt de woorden 'en/of'."

Beoordeling Hoge Raad

Het ligt op de weg van de appelrechter om kennelijke schrijffouten die voorkomen in het vonnis van de eerste rechter, waaronder schrijffouten in de bewezenverklaring, te verbeteren of verbeterd te lezen. Zo'n verbetering van de bewezenverklaring houdt slechts in een vaststelling van de juiste inhoud van de bewezenverklaring en niet een ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is. Geen rechtsregel en in het bijzonder niet art. 423, eerste lid, Sv verzet zich in zo'n geval tegen bevestiging van het vonnis (vgl. HR 26 juni 2012, LJN BW9191).

Nu aangenomen moet worden dat het Hof met zijn toevoeging heeft beoogd de bewezenverklaring in voornoemde zin te verbeteren, faalt de klacht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het samen en in vereniging met een ander plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen

Hoge Raad 9 april 2013, LJN BZ6625

Feiten 

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 8 april 2011 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden wegens diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

"Na zijn aanhouding geeft verdachte aanvankelijk te kennen dat hij niet weet hoe een en ander omtrent de gestolen telefoon te verklaren is. Ook nadien heeft verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven voor het bezit van de mobiele telefoon. Eerst zou hij de telefoon van een onbekende hebben gekocht en later verklaart verdachte dat hij deze van een persoon genaamd betrokkene 2 heeft gekocht voor 100 euro.

Op 10 mei 2010 te Nieuwegein, wordt van aangever slachtoffer de mobiele telefoon en de portemonnee gestolen om 23.13 uur, terwijl hij op zijn snorfiets over de openbare weg reed. Na onderzoek blijkt dat op 10 mei om 23.45 uur de sim-kaart van verdachte in de gestolen mobiele telefoon was geplaatst. Verdachte bevond zich toen op een plaats die ongeveer 15 autominuten van de plaats van de overval was gelegen.

Dat verdachte de diefstal heeft gepleegd, leidt het hof af uit het feit dat tussen het moment van wegnemen (omstreeks 23.13 uur) en het gebruik door verdachte van de buitgemaakte telefoon omstreeks 23.45 uur een periode van niet meer dan een half uur is verstreken. Het hof acht - mede gelet op de afstand tussen de plaats van de beroving en de plaats van ingebruikname door verdachte dan wel de plaats waar hij de telefoon zegt te hebben gekocht alsmede het feit dat verdachte aanvankelijk heeft verklaard geen verklaring voor het bezit van de telefoon te hebben en het feit dat verdachte daarna eerst geen naam en pas later de naam betrokkene 2 heeft genoemd als degene van wie hij de telefoon zou hebben gekocht - niet aannemelijk dat verdachte de telefoon heeft gekocht van een ander."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het (samen en in vereniging met een ander) plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in overweging van het hof - heeft het Hof kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die het in de bewezenverklaring omschreven feit (samen en in vereniging met een ander) heeft gepleegd.

Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bewijsklacht bijstandsfraude, inkomen in natura

Hoge Raad 2 april 2013, LJN BZ5955 & BZ5954

Feiten

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 29 maart 2011 de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en tot 240 uur werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis onder meer ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 1).

Middel

Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat het gebruik van een auto zonder daarvoor te betalen inkomen in natura oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte en haar mededader een auto met een nieuwwaarde van € 40.840,22 in een periode van dertien maanden meestentijds in gebruik hadden "vanwege een privékwestie" en dat zij voor dat gebruik geen vergoeding behoefden te betalen.

Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat het op geld waardeerbare voordeel dat de verdachte en haar mededader aldus als tegenprestatie voor een privékwestie genoten als inkomen in natura als bedoeld in art. 48, eerste lid, Algemene bijstandswet (oud) - en daarmee als een in het formulier van de uitkeringsinstantie te vermelden gegeven dat van invloed kan zijn op de hoogte van de te verstrekken uitkering - dient te worden beschouwd.

Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.

Print Friendly and PDF ^

Nu in hoger beroep geen beroep is gedaan op het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting, kan daarover niet voor het eerst in cassatie met vrucht worden geklaagd

Hoge Raad 2 april 2013, LJN BZ5953

Feiten

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft  verdachte wegens (2) subsidiair en (4) overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en wegens (3) overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 200. Voorts heeft het hof de verdachte ten aanzien van feit 2 veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Middel

Het middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg zich niet bij de stukken bevindt zodat het bestreden arrest, dat mede is gewezen naar aanleiding van het aldaar gehouden onderzoek, aan nietigheid lijdt.

Beoordeling Hoge Raad

Het in het middel bedoelde proces-verbaal ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Naar aanleiding van een door de raadsman op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat bedoeld proces-verbaal niet meer beschikbaar zal komen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch door de aldaar aanwezige verdachte noch door zijn raadsman beroep gedaan op het ontbreken van bedoeld proces-verbaal. Gelet daarop kan niet voor het eerst in cassatie met vrucht worden geklaagd over het ontbreken van dat proces-verbaal. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: De HR ziet in het feit dat uit de jurisprudentie wel wordt afgeleid dat de uitspraak een (volledige) weergave dient te bevatten van de f&o waarop de in dat rapport gemaakte gevolgtrekkingen steunen, aanleiding de aan de motivering te stellen eisen te verduidelijken

Hoge Raad 26 maart 2013, LJN BV9087

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 7 juli 2010 het door de betrokkene, ter zake van het medeplegen van een reisdocument vervalsen, meermalen gepleegd en opzetheling, meermalen gepleegd, wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 163.507,78 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 138.981,61.

Middel IV

Het vijfde middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht keert zich tegen de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, nu deze slechts conclusies van de verbalisanten behelzen en niet of in onvoldoende mate met dragende feiten en omstandigheden zijn onderbouwd. De tweede klacht richt zich tegen 's Hofs motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens de steller van het middel heeft het Hof daarbij feiten en omstandigheden betrokken die niet op de gebezigde bewijsmiddelen zijn terug te voeren, terwijl het Hof niet heeft aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het die feiten en omstandigheden heeft ontleend.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad stelt allereerst het volgende voorop:

  • Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden.
  • Als wettig bewijsmiddel zal veelal een (in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek opgesteld) financieel rapport in het geding zijn gebracht met een beredeneerde, al dan niet door de methode van vermogensvergelijking verkregen, begroting van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. Een dergelijk rapport is doorgaans zo ingericht dat daarin onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens gevolgtrekkingen worden gemaakt omtrent de verschillende posten die door de opsteller(s) van het rapport aan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd.
  • In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten.

Verduidelijking van de aan de motivering te stellen eisen

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt wel afgeleid dat de uitspraak een (volledige) weergave dient te bevatten van de feiten en omstandigheden waarop de in dat rapport gemaakte gevolgtrekkingen steunen. De Hoge Raad ziet aanleiding de in dit verband aan de motivering te stellen eisen te verduidelijken.

Indien en voor zover een in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekking is ontleend aan de inhoud van een of meer wettige, voldoende nauwkeurig in dat rapport aangeduide bewijsmiddelen en die gevolgtrekking - blijkens vaststelling door de rechter - door of namens de betrokkene niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport.

Indien door of namens de betrokkene zo een gevolgtrekking wel voldoende gemotiveerd is betwist, dienen aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel nadere eisen te worden gesteld. In dat geval zal de rechter in zijn overwegingen met betrekking tot die schatting moeten motiveren op grond waarvan hij ondanks hetgeen door of namens de betrokkene tegen die gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd, die gevolgtrekking aanvaardt. Indien de rechter de aan het financieel rapport of aan andere wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, die hij bij zijn oordeel daaromtrent betrekt en die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in de overwegingen (samengevat) weergeeft onder nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen daarvan, is aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting voldaan.

Onderhavige casus

Met zijn overweging, voor zover inhoudende dat naar aanleiding van de behandeling in eerste aanleg, de conclusiewisseling in hoger beroep en de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er "uiteindelijk twee discussiepunten zijn" heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de bevindingen in het in deze overwegingen genoemde strafrechtelijk financieel rapport voor het overige niet gemotiveerd zijn bestreden.

In die overwegingen heeft het Hof uiteengezet waarom het, met verwerping van de door en namens de betrokkene ingenomen stellingen, aannemelijk acht dat een bankrekening bij de Banque Populaire in Marokko aan de betrokkene toebehoorde, verklaringen over stortingen op die rekening betrouwbaar zijn, en ook aannemelijk is dat het saldo op die rekening aan de betrokkene toekwam.

De bewijsmiddelen houden in als uitkomst van een vermogensvergelijking over de periode van 1 januari 2002 tot en met 22 oktober 2002 dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op € 163.507,78, en houden voorts in dat er geldbedragen zijn gestort op een bankrekening bij de Banque Populaire te Marokko die op naam van de betrokkene stond.

De bewijsmiddelen kunnen, bezien in samenhang met de overwegingen van het Hof, het oordeel dragen dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden begroot op € 163.507,78 en dus is voldaan aan de uit art. 359, derde lid, Sv voortvloeiende verplichting als hiervoor bedoeld.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^