Rechter hoeft niet aan te geven in hoeverre elk van de geconstateerde vormverzuimen tot strafvermindering heeft geleid

Hoge Raad 26 maart 2013, LJN BZ2218

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 14 oktober 2011 (LJN BT8225) verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 weken wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Middel

Het middel klaagt onder meer dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd in welke mate elk van de geconstateerde vormverzuimen heeft geleid tot strafvermindering.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel steunt op de opvatting dat indien sprake is van een aantal door de rechter geconstateerde vormverzuimen, hij dient aan te geven in hoeverre elk van die vormverzuimen tot strafvermindering heeft geleid. Die opvatting vindt geen steun in het recht, zodat het middel in zoverre faalt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Klacht wegens het niet horen van de raadsman als getuige

Hoge Raad 26 maart 2013, LJN BZ5399

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 1 april 2011 bevestigd een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 12 februari 2009 waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk wegens

  • diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren
  • wederspannigheid

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof d.d. 18 maart 2011 van het verzoek van de raadsman tot het horen van hem als getuige.

Beoordeling Hoge Raad

De klacht omtrent de afwijzing van het verzoek om de raadsman als getuige te horen faalt omdat het horen van de advocaat die op de terechtzitting hetzij de verdachte als raadsman bijstaat, hetzij hem op de voet van (art. 48 WED in verbinding met) art. 398, onder 2°, Sv vertegenwoordigt, hetzij hem als op de voet van art. 279 Sv gemachtigde verdedigt - behoudens bijzondere gevallen waarvan te dezen niet is gebleken - niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering (vgl. ten aanzien van het openbaar ministerie HR 19 december 1995, LJN ZD0328, NJ 1996/249).

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Art. 344 aanhef onder 2 Sr: “Bij verificatie van de schuldvorderingen in geval van faillissement”

Hoge Raad 15 maart 2013, LJN BZ5424

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte wegens het medeplegen van bij verificatie van de schuldvorderingen in geval van faillissement een bestaande schuldvordering tot een verhoogd bedrag doen gelden, meermalen gepleegd veroordeeld tot een geldboete van € 4.500.

Middelen

De middelen klagen onder meer over de door het Hof gebezigde uitleg van de woorden "bij verificatie van schuldvorderingen" in art. 344, aanhef onder 2° Sr.

De middelen bepleiten dat het doen gelden van een schuldvordering tot een verhoogd bedrag eerst strafbaar is wanneer de verificatievergadering heeft plaatsgevonden en het proces-verbaal is opgemaakt, althans pas strafbaar is "op het moment van de verificatievergadering". Omdat van een verificatievergadering geen sprake is geweest, is het gedrag van verdachte volgens de steller van de middelen niet strafbaar. In ieder geval, zo wordt in het tweede middel aangevoerd, was het voor de verdachte niet voorzienbaar dat het gedrag strafbaar zou zijn, zodat de veroordeling in strijd is met het in art. 1 Sr en art. 7 EVRM neergelegde lex certa-beginsel.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op art. 344, aanhef en onder 2º, Sr. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip "bij verificatie van de schuldvorderingen [in geval van het faillissement]" is kennelijk gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in deze bepaling.

De verificatie van schuldvorderingen in geval van faillissement vindt plaats op de wijze die is voorgeschreven in de vijfde afdeling van de Faillissementswet. Overeenkomstig art. 110 Fw dient een schuldeiser daartoe zijn vordering in te dienen bij de curator. Nu deze indiening ter verificatie de handeling is waarmee de schuldeiser aanspraak maakt op erkenning van zijn vordering in het faillissement, moet die indiening ter verificatie worden aangemerkt als het doen gelden van de vordering "bij verificatie" in de zin van art. 344, aanhef en onder 2º, Sr.

Voor zover de middelen berusten op de opvatting dat van strafbaarheid op grond van art. 344, aanhef en onder 2º, Sr eerst sprake kan zijn indien de hiervoor bedoelde indiening van de vordering is gevolgd door een verificatievergadering als bedoeld in art. 119 Fw, falen ze.

Lees hier de volledige uispraak.

Print Friendly and PDF ^

Onbevoegd gebruik router is strafbaar

De Hoge Raad oordeelt vandaag dat het zonder toestemming ‘kraken’ van de router van een ander strafbaar kan zijn (art. 138 a Sr). Het hof oordeelde eerder dat dit volgens de wet niet strafbaar is (LJN: BP7080). Volgens de Hoge Raad bestaat er wettelijk wel ruimte voor veroordeling. Het hof moet de zaak daarom op dit ene punt overdoen. In deze zaak wist de verdachte zich toegang tot de router van zijn buurvrouw te verschaffen hoewel deze met een wachtwoord was beveiligd. Via haar internetverbinding plaatste hij een doodsbedreiging op een openbare site. Deze bedreiging was geadresseerd aan ‘mensen van zijn oude school’, het Maerlant College in Den Haag. Voor de bedreiging kreeg de verdachte een taakstraf van 120 uur. Het hof sprak hem vrij voor het onbevoegde, opzettelijke gebruik van de router van zijn buurvrouw.

Omdat de verdachte niet in de computer van zijn buurvrouw had ingebroken maar slechts haar router had gebruikt was het hof van oordeel dat de wet op dit gebruik niet van toepassing was. De Hoge Raad daarentegen oordeelt dat onbevoegd gebruik van de router strafbaar kan zijn als het apparaat of het netwerk van apparaten waarvan de router een onderdeel is gegevens kan opslaan, verwerken én overdragen.

Print Friendly and PDF ^

Zaak Alberto Stegeman moet over

De Hoge Raad oordeelt vandaag dat de zaak tegen journalist Alberto Stegeman over moet. Volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende onderzocht of het vervalsen van een toegangspas noodzakelijk was voor de journalist om de gebrekkige toegangscontrole tot Schiphol-Oost aan de orde te stellen en onder de aandacht van het publiek te brengen.

Stegeman vervalste de bewuste pas in de periode 12 december 2008 tot en met 4 januari 2009. In afleveringen van het programma Undercover stelde hij aan de orde dat de beveiliging van Schiphol-Oost te kort schoot. In die uitzendingen kon hij zichtbaar maken dat het mogelijk was bij diverse vliegtuigen te komen, waaronder het regeringstoestel.

Het hof oordeelde dat Stegeman niet strafbaar is (LJN BQ2981). Volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende onderzocht en gemotiveerd  of er voor Stegeman geen andere manieren waren om de gebrekkige beveiliging aan te tonen dan het vervalsen van een pas, op zichzelf beschouwd een ernstig te nemen misdrijf. Daarbij is van belang dat het hof in dit verband heeft vastgesteld  dat Stegeman al over materiaal beschikte waarmee hij kon laten zien dat de controle op het terrein slecht was, en het hem (zonder een vervalste pas te gebruiken) al eens gelukt was illegaal op het terrein te komen.

De rechtbank veroordeelde Stegeman eerder tot een boete van 1500 euro (LJN BM3074).

Print Friendly and PDF ^