Zaak Alberto Stegeman moet over

De Hoge Raad oordeelt vandaag dat de zaak tegen journalist Alberto Stegeman over moet. Volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende onderzocht of het vervalsen van een toegangspas noodzakelijk was voor de journalist om de gebrekkige toegangscontrole tot Schiphol-Oost aan de orde te stellen en onder de aandacht van het publiek te brengen.

Stegeman vervalste de bewuste pas in de periode 12 december 2008 tot en met 4 januari 2009. In afleveringen van het programma Undercover stelde hij aan de orde dat de beveiliging van Schiphol-Oost te kort schoot. In die uitzendingen kon hij zichtbaar maken dat het mogelijk was bij diverse vliegtuigen te komen, waaronder het regeringstoestel.

Het hof oordeelde dat Stegeman niet strafbaar is (LJN BQ2981). Volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende onderzocht en gemotiveerd  of er voor Stegeman geen andere manieren waren om de gebrekkige beveiliging aan te tonen dan het vervalsen van een pas, op zichzelf beschouwd een ernstig te nemen misdrijf. Daarbij is van belang dat het hof in dit verband heeft vastgesteld  dat Stegeman al over materiaal beschikte waarmee hij kon laten zien dat de controle op het terrein slecht was, en het hem (zonder een vervalste pas te gebruiken) al eens gelukt was illegaal op het terrein te komen.

De rechtbank veroordeelde Stegeman eerder tot een boete van 1500 euro (LJN BM3074).

Print Friendly and PDF ^

Inlener aansprakelijk ondanks verklaring betalingsgedrag

Hoge Raad 22 maart 2013, LJN BZ5048

Feiten

Belanghebbende heeft in de jaren 1999 en 2000 personeel ingeleend van onder meer A Limited en dat personeel doorgeleend aan andere bedrijven. A heeft in dat kader door de Ontvanger opgestelde schriftelijke verklaringen in de zin van artikel 34, paragraaf 4, lid 2, in samenhang met artikel 35, paragraaf 15, lid 5, van de Leidraad Invordering 1990 overgelegd. Deze 'verklaringen van betalingsgedrag loonbelasting/premie volksverzekeringen' dateren van 3 december 1998, 16 april 1999, 6 augustus 1999, 10 november 1999 en van 28 maart 2000.

In tripartiet overleg tussen het Bestuur van 's Rijksbelastingen, de FIOD en het Openbaar Ministerie is op 7 december 1998 besloten tot een strafrechtelijk onderzoek tegen A.

Voorts zijn door de belastingdienst bij A twee boekenonderzoeken ingesteld naar de afdracht van loonbelasting en de voldoening van omzetbelasting. Daarbij is geconstateerd dat de in de jaren 1998 tot en met 2000 gevoerde administraties voor de heffing van loonbelasting en voor de heffing van omzetbelasting ernstige gebreken vertoonden.

Op grond van de uitkomsten van die boekenonderzoeken heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat A ten onrechte geen loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft ingehouden of afgedragen in verband met het verrichten van werkzaamheden door werknemers van A. Daarop zijn op 25 juli 2002 aan A naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur op de gedane loonbetalingen een zogenoemde brutering als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 toegepast, en de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen berekend met toepassing van het zogeheten anoniementarief van artikel 26b van de Wet LB 1964.

A is op 9 januari 2003 failliet verklaard. De naheffingsaanslagen zijn niet door A of de curator voldaan.

De belastingdienst heeft bij belanghebbende een onderzoek ingesteld met het oog op een eventuele inleners- en/of ketenaansprakelijkstelling. Naar aanleiding van de uitkomsten van dat onderzoek heeft de Ontvanger bij de onderhavige beschikking belanghebbende voor de naheffingsaanslagen (ten dele) aansprakelijk gesteld.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk mocht stellen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen die door A was verschuldigd ter zake van de door A aan belanghebbende uitgeleende werknemers. Aan dat oordeel doet volgens het Hof niet af de omstandigheid dat belanghebbende een (zij het onvolledige) schaduwadministratie heeft gevoerd.

Middel I 

Middel I betoogt dat het Hof heeft nagelaten te oordelen over de door belanghebbende in het incidenteel hoger beroep aangevoerde stelling dat haar aansprakelijkheid op grond van artikel 34, paragraaf 5, lid 2, van de Leidraad 1990 alsmede op grond van onderdeel 34, paragraaf 8, lid 2, van de Leidraad Invordering 2008 diende te worden gematigd. Dit vanwege de omstandigheid dat belanghebbende over een schaduwloonadministratie met betrekking tot de ingeleende werknemers beschikte.

In dit verband voert het middel aan dat de vaststelling van het Hof dat de schaduwadministratie van belanghebbende onvolledig is, onbegrijpelijk is. Echter, ook in geval van een onvolledige schaduwloonadministratie moet volgens het middel op grond van vorenvermelde leidraden, gedeeltelijke matiging van de aansprakelijkheid plaatsvinden door alsdan de (schaduw)administratie per ingeleende werknemer op matiging te beoordelen.

HR: Hoewel het Hof dat in zijn uitspraak niet met zoveel woorden heeft vermeld, ligt in die uitspraak wel besloten dat het Hof de beoordeling in verband met een mogelijke matiging van de aansprakelijkheid heeft gemaakt die wordt beoogd door de hiervoor vermelde leidraden. Met zijn - in cassatie niet bestreden - oordeel dat belanghebbende tegenover het gemotiveerde verweer van de Ontvanger niet aannemelijk heeft gemaakt dat met betrekking tot één of meer werknemers het anoniementarief ten onrechte is toegepast heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van enige door haar ingeleende werknemer de aansprakelijkheid moet worden gematigd.

Het middel faalt.

Middel II

Middel II betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aansprakelijkstelling op de voet van artikel 34, lid 1, van de Wet mede mogelijk is voor loonbelasting die is berekend met toepassing van een brutering van uitbetaalde bedragen aan loon.

De tekst noch de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 34 van de Wet biedt steun voor de opvatting dat de in het eerste lid van dat artikel bedoelde loonbelasting niet omvat de loonbelasting die de uitlener verschuldigd wordt als gevolg van toepassing van artikel 31 van de Wet LB 1964.

Het middel faalt.

Middel III

Het Hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden, ook niet vanwege het besluit van het tripartiete overleg een strafrechtelijk onderzoek tegen A in te stellen, dat ten tijde van het door de Ontvanger afgeven van de 'verklaringen van betalingsgedrag loonbelasting/premie volksverzekeringen' de Inspecteur van plan was aan A naheffingsaanslagen op te leggen. Naar het oordeel van het Hof kan daarom ook niet worden gezegd dat de Ontvanger in strijd met het bepaalde in artikel 35, paragraaf 15, lid 8, van de Leidraad 1990 heeft gehandeld.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger evenmin in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door de desbetreffende verklaringen te blijven afgeven, ook al wist hij dat ernstig rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat A onjuiste belastingaangiften deed.

Middel III, dat zich richt tegen de hiervoor omschreven oordelen, faalt. In het licht van hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 19 december 2008 (LJN BC2496; BNB 2009/75) en 19 december 2008 (LJN BC2566; BNB 2009/76), heeft overwogen omtrent het afwegingskader van de Ontvanger voor de afgifte van verklaringen inzake het betalingsgedrag, geven de hiervoor omschreven oordelen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Deze oordelen kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onvoldoende gemotiveerd.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verzuim aftrek voorarrest

Hoge Raad 19 maart 2013, LJN BZ4478

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte wegens poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De verdachte is op 19 mei 2008 in verzekering gesteld, dat de Officier van Justitie heeft op 21 mei 2008 gevorderd dat de verdachte in bewaring wordt gesteld. De RC heeft die vordering op die datum afgewezen. Het Hof heeft verzuimd toepassing te geven aan art. 27, eerste lid, Sr.

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel klaagt terecht over het feit dat het Hof heeft verzuimd toepassing te geven aan art. 27, eerste lid, Sr.

De Hoge Raad overweegt echter dat bij vernietiging van de bestreden uitspraak niet een voldoende in rechte te respecteren belang bestaat. Het verzuim vormt immers een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010 (LJN BJ7243, NJ 2012/248) en 12 juni 2012 (LJN BW1478, NJ 2012/490). Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare strafoplegging.

Maar ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr te bevelen onvoldoende in rechte te respecteren belang. Er is in zo een geval immers sprake van een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd. In het geval het gaat om een taakstraf als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr dient de aftrek te geschieden naar de gebruikelijke maatstaf van twee uren per dag. Indien, zoals in het onderhavige geval, de verdachte naast de taakstraf, is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, dient de tijd die door de veroordeelde is doorgebracht in de in art. 27, eerste lid, Sr bedoelde vrijheidsbenemende situaties in mindering te worden gebracht op de taakstraf.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Zaak Fries speedbootongeval moet over

Het hof Arnhem-Leeuwarden moet de zaak waarbij in Friesland in 2008 een speedboot op een vrachtschip botste en waarbij een opvarende van de speedboot overleed opnieuw behandelen. Dat oordeelt de Hoge Raad vandaag. Om zijn alcoholgebruik te onderzoeken werd bij de verdachte een bloedproef afgenomen. Hieraan ging geen blaastest vooraf en de verdachte werd niet om toestemming gevraagd. Het hof meende aan deze vormfout geen consequenties te hoeven verbinden. Dat is onjuist, oordeelt de Hoge Raad. De uitkomst van de bloedproef mag niet worden gebruikt. De zaak moet daarom opnieuw worden behandeld.

Wel kon het hof volgens de Hoge Raad de verdachte aanmerken als bestuurder van de boot op het moment van de aanvaring. De verdachte was het niet eens met dat oordeel omdat hij van mening is dat hij de boot niet zelfstandig bestuurde. Ook een medeverdachte had het stuur vast en bediende de snelheid van de boot. Volgens de Hoge Raad is een zelfstandig bestuurder volgens het Binnenvaartpolitiereglement een bestuurder die niet onder het gezag van een schipper staat. De schipper zat in dit geval achterin de boot en had aan niemand instructies gegeven over de koers en de snelheid van de boot.

Het ongeval gebeurde in de nacht van 6 op 7 juni 2008 op het Friese Prinses Margrietkanaal, gemeente Boarnsterhim. De opvarenden waren op weg naar huis nadat zij de hele dag en avond een zeilevenement hadden bijgewoond. Zij voeren harder dan de toegestane 12,5 kilometer per uur. Bij een inhaalmanoeuvre werd een tegemoetkomend vrachtschip over het hoofd gezien. De speedboot botste op het vrachtschip  waarbij twee passagiers van de speedboot overboord sloegen. Een van hen overleed aan zijn verwondingen, de ander liep zwaar letsel op aan zijn been.

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Wel verschoningsrecht voor advocaat in dienstbetrekking

Hoge Raad 15 maart 2013, LJN BY6101

"Gezien de Nederlandse praktijk en de waarborgen die in Nederland omtrent de wijze van praktijkuitoefening van advocaten in dienstbetrekking bestaan, is geen grond om aan een advocaat het verschoningsrecht te ontzeggen op grond van het enkele feit dat hij in dienstbetrekking werkzaam is", aldus de Hoge Raad.

Het middel in deze zaak nam tot uitgangspunt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat mededingingsrechtelijke jurisprudentie van het HvJEU, waarbij een advocaat in loondienst een verschoningsrecht werd ontzegd, meebrengt dat ook naar Nederlands recht "aan een advocaat in loondienst voor wat betreft de communicatie met zijn cliënt, het bedrijf waar hij werkt, niet het privilege van het verschoningsrecht toekomt" (rov. 13). Dienaangaande wordt het volgende vooropgesteld.

In de door de rechtbank aangehaalde zaak voor het HvJEU (Akzo Nobel en Akcros/Commissie) van 14 september 2010 heeft het HvJEU enerzijds bevestigd, kort gezegd, dat wat betreft het Unierechtelijke mededingingsrecht een advocaat in dienstbetrekking geen verschoningsrecht toekomt (vanwege, samengevat, een gebrek aan onafhankelijkheid), doch anderzijds uitgemaakt dat het mededingingsrecht van de EU en het nationale mededingingsrecht naast elkaar van toepassing zijn en dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel dus niet ertoe verplicht voor beide types procedures identieke criteria te hanteren wat betreft de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaten en cliënten. Deze uitspraak geldt dus niet buiten het Unierechtelijke mededingingsrecht.

In Nederland is reeds geruime tijd aanvaard dat een advocaat in dienstbetrekking werkzaam kan zijn. Eveneens geruime tijd geleden heeft het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten publiekrechtelijke regelingen vastgesteld waaraan de advocaat in dienstbetrekking en zijn werkgever zijn gebonden (de Verordening op de advocaat in dienstbetrekking van 17 juni 1977 en de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking van 27 november 1996).

Krachtens art. 3 lid 3 van deze Verordening is de werkgever van een advocaat in loondienst verplicht een professioneel statuut te ondertekenen en zich daarmee te verbinden om een onafhankelijke praktijkuitoefening te eerbiedigen en de ongestoorde naleving van de beroeps- en gedragsregels van de advocaat te bevorderen, inclusief die met betrekking tot zijn geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^