De HR vult de rechtsregels over het oproepen van getuigen en het ondervragingsrecht nader in. Conclusie AG anders.

Hoge Raad 29 januari 2013, LJN BX5539 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Eerste middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat de verklaring van betrokkene 1 van het bewijs moet worden uitgesloten.

Betrokkene 1 is op verzoek van de verdediging als getuige opgeroepen en verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 en heeft geweigerd vragen van het Hof en van de verdediging over de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde te beantwoorden. Nochtans heeft het Hof zijn op 1 december 2005 tegenover de politie afgelegde verklaring tot bewijs gebezigd, op de grond dat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde niet in overwegende mate steunt op die verklaring van betrokkene 1 zodat er geen aanleiding is deze verklaring van het bewijs uit te sluiten.

Bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is door de verdediging ter staving van het verweer beroep gedaan op HR 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994/427, meer specifiek rechtsoverwegingen 6.3.1. - 6.3.3. In dit arrest is erop gewezen dat het gaat om het aangeven van grenzen "zoals die thans moeten worden getrokken".

Zo heeft de Hoge Raad naar aanleiding van latere rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens geoordeeld dat de in voormeld arrest onder 6.3.3 sub (ii) slot genoemde kwalificatie "in belangrijke mate" aldus moet worden begrepen dat reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Als die betrokkenheid dus in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, staat art. 6 EVRM niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van zo'n - de verdachte belastende - verklaring (vgl. HR 14 april 1998, LJN ZD1013, NJ 1999/73).

Voorts is in HR 20 juni 2003, LJN AF5704, NJ 2003/672 geoordeeld dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.

In het licht van de uitspraak EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland) moet thans worden geoordeeld dat in een geval als het onderhavige, waarin de op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring. Dat betekent dat in zo'n situatie geen sprake is van het in voormeld arrest onder 6.3.3. sub (ii) vermelde geval dat "de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen".

Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van betrokkene 1 bruikbaar is voor het bewijs nu de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist. In het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Gelet hierop is de verwerping van het gevoerde verweer toereikend gemotiveerd.

Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

De Hoge Raad voegt aan het vorenoverwogene nog toe dat uit genoemde beslissing van het EHRM en andere daarin vermelde uitspraken, zoals die van 15 december 2011 in de zaak Al-Khawaja and Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk, nos. 26766/05 en 22228/06, NJ 2012/283, kan worden afgeleid

  1. dat de omstandigheid dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen om een op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring omdat die getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen, niet in de weg staat aan het gebruik van die verklaring voor het bewijs indien aan de verdachte met het oog op zijn wens die verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen, een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige, waarbij de wijze waarop een zodanige compensatie zal kunnen worden geëffectueerd afhangt van de omstandigheden van het geval, en voorts
  2. dat ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van de verdachte, de verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven.

Tweede en derde middel

De middelen klagen dat het Hof het verzoek om betrokkene 1 opnieuw als getuige op te roepen en hem desnoods te gijzelen, op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

Blijkens deze overwegingen heeft het Hof als vaststaand aangenomen dat de verdediging het recht tot ondervraging van de getuige betrokkene 1 heeft kunnen uitoefenen, dat zij in dat kader de door haar dienstig geoordeelde vragen heeft kunnen stellen, dat de getuige - naar zijn zeggen op grond van jegens hem geuite bedreigingen wegens de door hem eerder afgelegde verklaringen - heeft geweigerd verder te verklaren, dat de verdediging te kennen heeft gegeven geen heil te zien in de voortzetting van het verhoor van de getuige, en dat onder deze omstandigheden de hernieuwde oproeping van de getuige zinloos is. In het licht van deze door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden getuigt de afwijzing van de in het middel bedoelde verzoeken niet van een onjuiste rechtsopvatting. Die afwijzing is - mede gelet op hetgeen door de verdediging aan de verzoeken ten grondslag is gelegd - niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

De middelen falen.

Conclusie AG Vellinga

De conclusie van de AG wijkt af van het oordeel van de Hoge Raad. Vellinga concludeert dat de middelen (1-3) slagen.

"Het oordeel van het Hof, dat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde niet in overwegende mate rust op bedoelde verklaring van betrokkene 1, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De gebezigde bewijsmiddelen laten immers zien dat verdachte ter plaatse aanwezig was, dat hij met betrokkene 1 heeft gesproken over de aankoop van een kilo heroïne, dat betrokkene 1 naar binnen is gegaan om heroïne te halen, dat ter plaatse kilo's heroïne aanwezig waren, en dat hij vervolgens met verdachte naar diens auto is gelopen. Daarom kan niet worden gezegd dat de verklaring van betrokkene 1- in termen van het EHRM - "is likely to be determinative of the outcome of the case."

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Geen verduistering koopsom voor niet geleverde goederen

De Hoge Raad heeft onlangs (LJN BV8280) van op internet bestelde, maar niet geleverde goederen geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een verkoper de koopsom heeft ontvangen maar de spullen niet levert onvoldoende is om te kunnen spreken  van verduistering door de verkoper van het geld dat hij ontvangen heeft. Dat zou namelijk indruisen tegen de regels van het burgerlijk recht. De ontvangen koopsom is in principe eigendom van de verkoper en hij kan zijn eigen geld niet verduisteren. Om van verduistering te kunnen spreken, is meer nodig: daarvoor moet worden vastgesteld dat de verkoper dat geld niet zelf mag besteden, maar dat hij verplicht is om het geld terug te betalen aan de koper, bijvoorbeeld omdat de koper de koopovereenkomst wegens wanprestatie heeft ontbonden of als het in wezen een schijnovereenkomst betreft omdat de verkoper in feite nooit de bedoeling had om de spullen te leveren. In de betreffende zaak had het hof dergelijke omstandigheden niet vastgesteld. Ook vervolging wegens oplichting is mogelijk als aan de vereisten is voldaan. In deze zaak had het hof van oplichting vrijgesproken. Daarover kon de Hoge Raad niet oordelen. Bij oplichting kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin de verkoper zich op internet bedient van een professioneel ingerichte webshop en van een valse naam, die een zekere mate van vertrouwen wekken, waardoor potentiële klanten over de streep worden getrokken.

 

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor dodelijk ongeval in Wanssum definitief

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de man die op 15 maart 2009 een 17-jarige jongen in Wanssum doodreed verworpen. Daarmee is de straf die het hof de man eerder oplegde definitief geworden. De man klaagt er bij de Hoge Raad over dat hij niet juist zou zijn gedagvaard  en dat het hof die klacht ten onrechte heeft verworpen. Ook  vindt hij dat het hof zijn verzoek tot een alcoholonderzoek bij het slachtoffer ten onrechte had afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het afwijzen van beide klachten op juiste gronden en in voldoende mate motiveerde. Bij gebrek aan cassatiegronden doet de Hoge Raad deze zaak verkort af (art. 81 RO).

De man wordt zeer onvoorzichtig rijgedrag verweten. Hij overtrad de verkeersregels door de fietser rechts in te halen, terwijl deze juist van het midden van de weg naar rechts ging in de veronderstelling links te worden ingehaald. Daarbij minderde de automobilist zijn toch al te hoge snelheid niet terwijl dat in deze verkeerssituatie wel had gemoeten. Hij kreeg 6 maanden gevangenisstraf waarvan 3 voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 jaar.

 

Lees hier de uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Salduz-verweer

Hoge Raad 22 januari 2013, LJN BY7892 Feiten

Verzoeker is wegens vernieling veroordeeld tot een geldboete van € 180,-, subsidiair drie dagen hechtenis.

Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde Salduz-verweer overweegt het hof het volgende:

"Aan een aangehouden verdachte dient binnen redelijke grenzen de gelegenheid te worden geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie, met betrekking tot het feit waarop de aanhouding stoelde, een advocaat te raadplegen. Indien die gelegenheid niet of niet binnen redelijke grenzen wordt geboden, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv.

Verdachte is echter ter zake van het feit waarover hij bij de politie een verklaring heeft afgelegd niet aangehouden; hem was namelijk op dat moment uit anderen hoofde, te weten ter executie van eerdere vonnissen zijn vrijheid ontnomen. De stelling dat in die situatie de hiervoor geformuleerde rechtsregel zou gelden vindt geen steun in het recht."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij in de gelegenheid was gesteld voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen, op onjuiste, althans ontoereikende gronden heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349).

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte ter zake van het feit waarover hij bij de politie een verklaring heeft afgelegd niet was aangehouden, maar dat hem op dat moment uit anderen hoofde, te weten ter executie van eerdere vonnissen, zijn vrijheid was ontnomen. Aan die omstandigheid heeft het Hof de conclusie verbonden dat de hiervoor geformuleerde regel niet van toepassing is. Dat oordeel is niet juist. Een uit anderen hoofde gedetineerde verdachte ten aanzien van wie de verdenking is gerezen van een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bevindt zich wat betreft de bedoelde regel in een met een aanhouding vergelijkbare situatie (vgl. HR 3 juli 2012, LJN BW9264).

In aanmerking genomen dat ingevolge art. 67, eerste lid onder b, Sv voor het feit ter zake waarvan de verdachte door de politie werd verhoord een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven, had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of de verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaande aan dat verhoor en of hem de gelegenheid is geboden van dat recht gebruik te maken dan wel of hij daarvan ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Nu het Hof dat heeft nagelaten, is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Toepassing art. 80a RO door Hoge Raad

Hoge Raad 22 januari 2013, LJN BY9128 Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 januari 2012.

Het eerste middel, dat klaagt dat het Hof de aanvulling van het verkorte arrest en het proces-verbaal van de zitting niet binnen de wettelijke termijn heeft opgesteld, stelt eisen die het recht niet kent. Op beide verzuimen staan immers geen wettelijke sancties. Het tweede middel komt op tegen de motivering van de verwerping van het verweer dat alle bewijsmiddelen die door verbalisant zijn verzameld moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

 

  Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^