Getuigenverzoek na terugwijzing HR: toepassing verdedigingsbelang

Hoge Raad 11 december 2012, LJN BY5546 Het Gerechtshof te Amsterdam heeft, na terugwijzing door de Hoge Raad, bij arrest van 1 april 2011 verdachte wegens verduistering veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verzoek van de raadsman van de verdachte tot het oproepen van een getuige heeft afgewezen.

Beoordeling Hoge Raad

Bij arrest van 3 november 2009, LJN BJ6949, heeft de Hoge Raad het eerder in deze zaak gewezen arrest van het Hof van 18 september 2007 vernietigd wegens een motiveringsgebrek bij het afwijzen van het verzoek tot het horen van betrokkene 1 als getuige. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het Hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een schrijven van de raadsman van de verdachte van 18 november 2010 gericht aan de Advocaat-Generaal bij het Hof. Dit schrijven houdt onder meer het volgende in:

"In de zaak met opgemeld ressortnummer (...) bericht ik u (...) op te treden als raadsman van cliënt (...). 

In dat kader ontving ik heden telefonisch bericht dat de strafzaak gepland gaat worden voor inhoudelijke behandeling bij het Hof Amsterdam op 18 maart 2011. 

Met het oog op die zitting doe ik u opgave van de navolgende getuige: [betrokkene 1] (...) Toelichting: cliënt is in eerste aanleg veroordeeld terzake van diefstal, terwijl cliënt ontkent zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Ik wens de getuige te kunnen ondervragen over de inhoud van haar aangifte, over de feitelijke gang van zaken, in hoeverre zij zich gebaseerd heeft op eigen waarnemingen danwel achteraf heeft geconcludeerd hoe de feitelijke gang van zaken moet zijn geweest en in hoeverre zij conclusies heeft gepresenteerd als feiten. 

Om verhoor van deze getuige wordt te meer verzocht nu cliënt de door de getuige geschetste gang van zaken ontkent, ontkent de portemonnee te hebben gestolen, cliënt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voor de primaire tenlasteleggingsvariant is veroordeeld en telkens de aangifte voor het bewijs is gebezigd en de bewezenverklaring (gelet op de inhoud van het dossier) in beslissende mate gebaseerd zal moeten worden op diezelfde aangifte." 

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2011 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter maakt melding van een brief van de raadsman van de verdachte van 18 november 2010, gericht aan de advocaat-generaal, waarin hij heeft verzocht [betrokkene 1] ter terechtzitting op te roepen teneinde als getuige te worden gehoord. 

Voorts maakt de voorzitter melding van een brief van 15 december 2010 van mr. C.L.R. Bennen, waarin namens de advocaat-generaal is voorgesteld [betrokkene 1] middels videoverhoor te horen als getuige en de zaak daartoe te verwijzen naar de raadsheer-commissaris. (...) Na beraad in raadkamer komt het hof tot de volgende beslissingen: (...) Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot het horen van [betrokkene 1] als getuige af, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken." 

In HR 16 februari 2010, LJN BL3964, NJ 2010/262 is geoordeeld dat art. 410, derde lid, Sv en de daarmee samenhangende bepalingen, te weten art. 414, tweede lid tweede volzin, en art. 418, derde lid, Sv in de procedure na verwijzing of terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad niet van toepassing zijn. Dat betekent dat wat betreft de - na de verwijzing of terugwijzing van de zaak door de verdediging gedane - opgave van getuigen en deskundigen art. 263 en art. 264 Sv onverkort gelden. Wel moet na verwijzing of terugwijzing, ook in het geval van een door de verdachte ingesteld hoger beroep, de toepasselijkheid worden aangenomen van art. 418, tweede lid, Sv.

Het Hof heeft bij zijn afwijzing van het verzoek betrokkene 1 als getuige te horen toepassing gegeven aan het noodzaakcriterium. Nu sprake is van een procedure na terugwijzing en de raadsman deze getuige schriftelijk en binnen de in art. 263, tweede lid, Sv bedoelde termijn voor de terechtzitting heeft opgegeven, terwijl zich niet de in art. 418, tweede lid, Sv bedoelde situatie voordoet, had het Hof toepassing moeten geven aan het in art. 288, eerste lid aanhef en onder c, Sv bedoelde criterium van het verdedigingsbelang.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: voor de beoordeling van de vraag of een o.d.v.v. art. 552b Sv ingediend klaagschrift ontvan-kelijk is, is niet van belang of de inbeslaggenomen voorwerpen (ten tijde van het indienen van het klaagschrift) vernietigd zijn

Hoge Raad 11 december 2012, LJN BY2813 Bij beschikking van 2 augustus 2011 heeft de Rechtbank te Maastricht klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van een Jaguar en een Porsche.

De beschikking van de Rechtbank houdt het volgende in:

“De rechtbank stelt vast dat de vernietiging van de voertuigen heeft plaatsgevonden vóórdat het klaagschrift door belanghebbende werd ingediend.

Op grond van het vorenstaande moet aanstonds geoordeeld worden dat belanghebbende in haar primaire verzoek niet ontvangen kan worden, waartoe de rechtbank moge verwijzen naar HR 27 november 2001, LJN: AD5210.

Mutatis mutandis moet hetzelfde worden geoordeeld ten aanzien van het subsidiaire verzoek. Gelet op het met betrekking tot het primaire verzoek overwogene dient aangenomen te worden dat met de vernietiging op 8 oktober 2010 ook het beslag op de oldtimers is komen te vervallen. Bij deze stand van zaken kan er niet meer toegekomen worden aan de toepassing van de artikelen 552b lid 5 Sv jo. 33c Sr jo. 36b Sr, nu de met deze artikelen gegeven wetssystematiek het bestaan van een beslagsituatie postuleert. Om deze reden moet het verzoek als tardief worden beschouwd."

Middel

Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank de klaagster ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar op de voet van art. 552b Sv ingediende klaagschrift.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 552b Sv voorziet in de mogelijkheid dat een belanghebbende, niet zijnde de verdachte of de veroordeelde, zich schriftelijk beklaagt over de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van een hem toekomend voorwerp.

Indien het beklag gegrond is, herroept de rechter de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last als bedoeld in art. 353, tweede lid, onderdeel a of b, Sv. Op die last is, ingevolge art. 552b, derde lid, Sv, art. 119 Sv van overeenkomstige toepassing.

Indien een inbeslaggenomen voorwerp op wettige wijze is vernietigd, schrijft het tweede lid van laatstgenoemd artikel voor dat de bewaarder, tot wie een last tot teruggave van dat voorwerp is gericht, overgaat tot uitbetaling van de prijs die het voorwerp bij verkoop door hem redelijkerwijze had moeten opbrengen.

Uit het voorgaande volgt dat voor beoordeling van de vraag of een op de voet van art. 552b Sv ingediend klaagschrift ontvankelijk is, niet van belang is of de inbeslaggenomen voorwerpen (ten tijde van het indienen van het klaagschrift) vernietigd zijn. De Rechtbank heeft dit miskend.

Het middel klaagt daarover terecht.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Stelbrief noodzakelijk of kan rechtsbijstand ook worden afgeleid uit het indienen van een appelmemorie?

Hoge Raad 11 december 2012, LJN BY4303 Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte wegens overtreding van art. 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 veroordeeld tot het betalen van een geldboete van €1.560 en verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de tijd van 4 maanden.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in: "De verdachte (...) is niet ter terechtzitting verschenen. (...) De voorzitter maakt melding van een op 10 juni 2010 binnengekomen appelschriftuur van mr. H.W.M. van den Heiligenberg en merkt op dat hij zich in hoger beroep niet als raadsman in de onderhavige zaak heeft gesteld. Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte."

Middel

Het middel klaagt naar de kern genomen dat het Hof mr. W.H.M. van Heiligenberg op grond van het door hem ingediende appelschriftuur als raadsman had moeten aanmerken en vervolgens - nu noch verdachte, noch de raadsman ter terechtzitting zijn verschenen - had moeten onderzoeken of aan het voorschrift van art. 51 Sv was voldaan. Omdat van een dergelijk onderzoek niet blijkt, en ook niet blijkt dat een afschrift van de stukken (waaronder de appeldagvaarding) aan de raadsman is verzonden, lijdt het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid.

Beoordeling Hoge Raad

Art. 38, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte te allen tijde bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen. Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van een raadsman - evenals ingevolge art. 43, eerste lid, Sv de toevoeging van een raadsman - voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg is beëindigd als de betreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of als daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld (vgl. HR 9 juni 1998, LJN ZD1192, NJ 1998/784). Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier.

De regeling van art. 39 Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, LJN ZD2182, NJ 2001/161).

Het kennelijke oordeel van het Hof dat uit de stukken niet kan blijken dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand door mr. Van den Heiligenberg had voorzien en het voorschrift van art. 51 Sv in het onderhavige geval niet van toepassing is, geeft ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ofwel is niet begrijpelijk.

Het middel is terecht voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Gelet op de door raadsman opgegeven reden voor de afwezigheid van verdachte ttz in hoge beroep, is de overweging van het Hof dat verdachte door zijn afwezigheid de verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen afwijst niet zonder meer begrijpelijk

Hoge Raad 11 december 2012, LJN BY5672 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld wegens 1. medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en 2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

Het middel klaagt over de strafmotivering.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof houdt in: "Gevraagd naar zijn eventuele bekendheid met de reden van afwezigheid van verdachte antwoordt de raadsman, zakelijk weergegeven: Cliënt heeft weinig financiële middelen. Een retour Enschede-Leeuwarden is dan gewoon te duur. Cliënt heeft mij gemachtigd om hem hier ter terechtzitting te verdedigen."

Ter motivering van de strafoplegging heeft het Hof onder meer overwogen: "Het hof stelt vast dat verdachte heeft gekozen voor een nagenoeg volledig ontkennende opstelling en dat hij noch ter terechtzitting in eerste aanleg noch in hoger beroep is verschenen. Het hof maakt daaruit op dat verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen afwijst."

Gelet op de namens de verdachte gegeven reden van zijn afwezigheid, waaromtrent het Hof niets heeft vastgesteld, is deze overweging niet zonder meer begrijpelijk. De strafoplegging is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel doel treft.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, de last tot tenuitvoerlegging daaronder begrepen en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, verwerpt het beroep voor het overige.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: De Rb heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken klager is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het sfo aan de raadkamer worden overgelegd

Hoge Raad 4 december 2012, LJN BY4985 Bij beschikking van 20 september 2011 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klager van een aantal onder hem in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.

Beoordeling van het derde middel

Het middel klaagt dat, aangezien aan de raadsman van de klager processtukken zijn onthouden en derhalve ook de Rechtbank niet over die stukken beschikte, de Rechtbank op ontoereikende gronden heeft beslist tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.

In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank het volgende overwogen: "De raadsman van klager heeft ter terechtzitting aangevoerd dat een beoordeling van de rechtmatigheid van de beslaglegging niet mogelijk is nu de processtukken worden onthouden. Wat daar verder ook van zij, in onderhavige procedure ligt uitsluitend ter beoordeling voor het klaagschrift tegen inbeslagname en voortduren van beslag. Over het al dan niet onthouden van processtukken kan in het kader van deze procedure geen oordeel worden gegeven."

HR: De Rechtbank heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken de klager is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan de raadkamer worden overgelegd.

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in een geval als het onderhavige, niettegenstaande de ongegrondverklaring van het door de klager op de voet van art. 32 Sv ingediende bezwaarschrift, door het Openbaar Ministerie de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan deraadkamer moeten worden overgelegd als "op de zaak betrekking hebbende stukken" als bedoeld in art. 23, vierde lid, Sv. Die opvatting is onjuist.

Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen klagen over de motivering van de ongegrondverklaring van het klaagschrift door de Rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat de Rechtbank in de motivering van haar beslissing niet ervan blijk heeft gegeven de juiste maatstaf te hebben aangelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat de middelen slagen en verwijst hierbij naar de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal:

"5. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, in: "In raadkamer is vast komen te staan dat onder klager thans in beslag zijn genomen ex artikel 94 Sv de volgende goederen: - diverse papieren; - de boekhouding van een café;

In raadkamer is vast komen te staan dat onder klager thans in beslag zijn genomen ex artikel 94a Sv de volgende goederen: - een auto, merk Volkswagen, type Polo; - een horloge, merk Rolex; - een zakelijk recht van erfpacht van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]; - twee woningen gelegen aan de [b-straat 1] en [2] te [plaats], - een woning met bedrijvigheid gelegen aan de [b-straat 1]/[c-straat 1] te [plaats]. (...) In raadkamer is vast komen te staan dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld tegen klager. Dit onderzoek loopt nog. In het kader van dit onderzoek zijn diverse goederen op grond van artikel 94 en 94a Sv in beslag genomen.

Nu er een strafrechtelijk financieelonderzoek is ingesteld tegen klager staat, gelet op het bepaalde in artikel 126, eerste lid Sv, vast dat er tegen klager thans een verdenking voorligt van een feit (i.e. witwassen) waarop een geldboete van de vijfde categorie staat. Ingevolge het bepaalde in artikel 126 Sv wordt een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. De vordering van de officier van justitie is eveneens met redenenomkleed en bij die vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 94a, tweede, derde en vierde lid Sv. in beslag zijn genomen. De officier van justitie dient de rechter-commissaris periodiek te informeren over de voortgang van het onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in indien hij dat nodig oordeelt met het oog op onnodige vertraging van het onderzoek. De bemoeienis van de rechter-commissaris vormt aldus een waarborg bij inbeslagname en gedurende het strafrechtelijk financieel onderzoek.

In het onderhavige geval duurt het strafrechtelijk financieel onderzoek nog voort. Bovengenoemde bemoeienis en bevoegdheden van de rechter-commissaris in aanmerking genomen acht de rechtbank vooralsnog geen grond aanwezig tot teruggave van enig onder klager ingevolge artikel 94 of 94a Sv. inbeslaggenomen goed. Bij haar overwegingen betrekt de rechtbank dat -zoals in raadkamer door de officier van justitie is aangevoerd en namens klager niet is bestreden- de rechter-commissaris na het leggen van het beslag reeds een aantal goederen heeft teruggegeven aan klager, omdat die goederen niet konden dienen totéén van de doelen genoemd in artikel 94 en 94a Sv.

Het beklag zal derhalve ongegrond verklaard worden."

6. In geval van een beklag tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Bij de beoordeling van een beklag gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van of een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

8. Voor wat betreft het conservatoire beslag heeft de Rechtbank verzuimd na te gaan of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van eengeldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

9. Met haar beschouwingen over de "bemoeienis en bevoegdheden van de Rechter-Commissaris" heeft de Rechtbank miskend dat de Rechtbank bij de beoordeling van een klaagschrift tegen inbeslagneming de hiervoor onder 6 genoemde maatstaven dient aan te leggen en zich niet kan verlaten op de beslissingen van de Rechter-Commissaris in het sfo, die immers niet betrekking hebben op beklag tegen inbeslagneming van voorwerpen in het kader van het sfo."

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Samenhangende zaak:

 

 

Print Friendly and PDF ^