Verzoek tot vrijwillige verstrekking van beeldmateriaal aan opsporingsinstanties & bewijsuitsluiting

Hoge Raad 27 november 2012, LJN BY0215 Feiten

Verzoeker is bij arrest van 28 januari 2011 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van de hem onder 2 tenlastegelegde woninginbraak en wegens de onder 1 tenlastegelegde woninginbraak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 146 dagen.

Middel

Het middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer het volgende aangevoerd:

"Rechtmatigheid Sinds de verklaringen van aangever en de verklaring van verbalisant 1 bij de rechter-commissaris weten wij dat de gang van zaken rond de verkrijging van het beeldmateriaal van de bewakingscamera van de flat niet conform de regels is verlopen. Hierdoor werd afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijk proces, inzet van opsporingsmiddelen vergt een voldoende wettelijke basis, tevens werd zijn recht op privacy (art. 8 EVRM) geschonden, nu hij zijn bezoek aan personen in het flatgebouw niet (vrijwillig, zonder vordering van het OM) in de openbaarheid wenste te (doen) brengen. Verbalisant 1 zegt hierover:

"Toen ik die aangifte opnam, waren er geen videobeelden bij aangeleverd. Toen die zaak na ongeveer een maand werd toebedeeld, waren er wel videobeelden bij. In de tussenliggende periode heb ik geen bemoeienis gehad met die zaak en ik weet niet hoe of door wie die beelden bij de politie zijn aangeleverd. (....) Ik herinner mij dat bij die tweede aangifte videobeelden waren aangeleverd. Ook daarvan weet ik niet hoe of door wie die videobeelden waren aangeleverd."

Aangever zegt: "Ik heb geen idee hoe de bewakingsbeelden op het politiebureau zijn terecht gekomen."

Nu voor de rechtmatige verkrijging van zulk beeldmateriaal ten behoeve van een strafzaak een vordering ex art. 126nd Sv vereist is en vrijwillige verstrekking gelet op de privacybelangen van bewoners en bezoekers van de flat niet tot de mogelijkheden behoort, ligt de vraag voor of zo een vordering van de officier heeft bestaan.

Het dossier bevat zo een vordering niet, waardoor het er voor moet worden gehouden dat deze vordering nimmer werd gedaan. De bewakingscamerabeelden hadden daarom niet voor het onderzoek in deze zaak mogen worden gebruikt. En dienen van het bewijs te worden uitgesloten.

Ook de vruchten van de onrechtmatige verkrijging van dit beeldmateriaal dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Dit heeft tot consequentie dat nu de selectie van het fotomateriaal voor de simultane confrontatie niet de foto van cliënt als verdachte (op positie nummer 9) zou hebben bevat en de resultaten van deze confrontatie kunnen ook niet voor het bewijs worden gebruikt."

Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Bewijsverweren ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen - eveneens vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat voor de rechtmatige verkrijging van het beeldmateriaal afkomstig van de bewakingscamera's in de flat ten behoeve van een strafzaak een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering is vereist en dat vrijwillige verstrekking, gelet op de privacybelangen van bewoners en bezoekers van de flat, niet tot de mogelijkheden behoort. Nu het dossier zo'n vordering niet bevat, moet het ervoor worden gehouden dat deze vordering nimmer werd gedaan. De bewakingscamerabeelden hadden dan ook niet voor het onderzoek in deze zaak mogen worden gebruikt. Naar de mening van de raadsman heeft dit tot gevolg dat ook de resultaten van de foslo-confrontatie dienen te worden uitgesloten. Immers, de foto van de verdachte zou niet in de selectie zijn opgenomen als de verdachte niet reeds op de bewakingsbeelden te zien was. Hetgeen aan bewijsmateriaal overblijft is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Anders dan de raadsman stelt, is er wel degelijk een wettelijke basis voor vrijwillige verstrekking van het betreffende beeldmateriaal aan opsporingsinstanties. De bewakingscamera's van de flat dienen - naar kan worden aangenomen - ter beveiliging van de flat tegen inbraak en andere strafbare feiten. Op grond van artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is het degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de bewakingscamera's toegestaan hiertoe de beelden van de camera's te verwerken. Hieronder is op grond van artikel 8, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 1, aanhef en onder b, van de Wbp begrepen het verstrekken van de beelden aan de politie indien zich daadwerkelijk een strafbaar feit heeft voorgedaan. Daarnaast biedt ook artikel 43, aanhef en onder b, van die wet een basis voor vrijwillige verstrekking, indien dit noodzakelijk is voor de opsporing van strafbare feiten. Het hof verwerpt het verweer."

Beoordeling

Bij de beoordeling van de klacht tegen de verwerping door het Hof van het in het middel bedoelde verweer moet worden vooropgesteld dat beeldmateriaal als in dat verweer bedoeld, gelet op art. 1 Wbp onder het bereik van die wet valt, en dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 126nd Sv de opsporingsambtenaar of de officier van justitie niet mag vragen om op vrijwillige basis mee te werken aan verstrekking van dat beeldmateriaal (vgl. HR 21 december 2010, LJN BL7688, NJ 2012/24).

In zijn overwegingen ligt als de niet onbegrijpelijke vaststelling van het Hof besloten dat degene die verantwoordelijk is voor het gebruik van de onderhavige beelden van de bewakingscamera deze beelden eigener beweging en op vrijwillige basis aan de politie heeft verstrekt, althans dat die persoon niet door de politie is gevraagd om op vrijwillige basis deze beelden aan de politie te verstrekken. Het oordeel van het Hof dat in een zodanig geval geen vordering als bedoeld in art. 126nd Sv is vereist, is juist. Het Hof heeft het verweer dus terecht verworpen.

Opmerking verdient nog het volgende. Het in de overwegingen van het Hof omschreven geval heeft klaarblijkelijk geen betrekking op verwerking van persoonsgegevens in de vorm van overdracht van zulke gegevens door het ene bestuursorgaan aan het andere bestuursorgaan. Daarom zou - anders dan het Hof heeft aangenomen - art. 8, aanhef en onder e Wbp geen grondslag kunnen vormen voor het ter beschikking van de opsporingsinstantie stellen van het desbetreffende beeldmateriaal. Voor dit ter beschikking van de opsporingsinstantie stellen van het door middel van beveiligingscamera's verkregen beeldmateriaal zou degene die daartoe toegang heeft (de verantwoordelijke of bewerker in de zin van art. 1 aanhef en onder d dan wel e Wbp) onder omstandigheden wel een grondslag kunnen ontlenen - anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd - aan het bepaalde in art. 43 in verbinding met art. 9, eerste lid, Wbp.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

De HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. de eisen waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om h.b. in te stellen, moet voldoen, en de mogelijkheden om verzuimen in dit kader voor gedekt te houden

Hoge Raad 27 november 2012, LJN BY1230 Feiten

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft de verdachte op tegenspraak niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Maastricht, waarbij de verdachte wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak bij verstek is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vijf weken.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep waren de verdachte en haar raadsman ter terechtzitting aanwezig en heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

"Ik ben destijds op een gegeven moment gebeld door iemand die goed kon communiceren met mijn cliënt. Ik meen dat de beslissing al twee weken daarvoor aan cliënt was betekend waarop ik met grote spoed die dag appel moest instellen. Ik kon geen collega's vinden om dat voor mij te doen. Ik moest het op deze wijze zo doen anders zou ik te laat zijn. Ik ben van mening dat uit de machtiging die ik aan de griffier te Maastricht heb gegeven door middel van een faxbericht, voldoende blijkt dat ik gevolmachtigd was om het appel in te stellen. Het adres van cliënt was al bekend in het programma Compas. Ik ben derhalve van mening dat cliënt wel ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep." 

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in dat hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Uit de processtukken is gebleken dat bij de griffie van de rechtbank Maastricht op 21 december 2010 een faxbericht is binnengekomen, gezonden namens de raadsman van verdachte, door zijn secretaresse [de secretaresse], welk faxbericht door de griffier van de rechtbank is opgevat als machtiging tot het instellen van hoger beroep in de onderhavige zaak, waarop een akte door de griffier is opgemaakt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het instellen van hoger beroep door machtiging van een griffieambtenaar onder bepaalde voorwaarden, waaronder die van een bijzondere volmacht door verdachte aan de raadsman, volstaat. 

Uit bedoelde brief blijkt echter niet dat een zodanige bijzondere volmacht door verdachte aan de raadsman is gegeven. Voorts doet zich in het onderhavige geval niet de situatie voor als bedoeld in artikel 503 van het Wetboek van Strafvordering, te weten dat alle bevoegdheden aan de minderjarige op grond van dat wetboek toegekend eveneens aan de raadsman toekomen. Dit geldt blijkens genoemd artikel uitsluitend voor de minderjarige die de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, terwijl het daarbij gaat om de leeftijd van de minderjarige ten tijde van het optreden van de raadsman. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep had verdachte de leeftijd van zestien jaar echter al bereikt. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het hoger beroep niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld en verdachte daarom in haar hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

Middel

Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in haar hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

In het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010/102, zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen. Die volmacht dient onder andere de verklaring van de advocaat te bevatten dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv). Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. In het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2012, LJN BV6999, NJ 2012/426, is geoordeeld dat gelet op de ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, onvoldoende grond bestaat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel wegens het niet voldoen van de volmacht aan de gestelde eisen, indien ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. In een dergelijk geval kan een verzuim als voormeld voor gedekt worden gehouden.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en hetgeen door de raadsman is aangevoerd, kunnen de door het Hof genoemde gronden waarop de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in haar hoger beroep steunt, die beslissing niet dragen.

Het middel is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Motiveringseisen t.a.v. het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt

Hoge Raad 23 oktober 2012, LJN BX6752 (gepubliceerd op 27 november 2012) Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, eerste en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344a, derde lid, Sv is voldaan, terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, LJN ZD1460, NJ 1999/526).

In onderhavige kwestie heeft het Hof heeft tot het bewijs gebezigd een proces-verbaal van politie houdende de weergave van telefonisch aan de politie verstrekte informatie van een persoon die anoniem wil blijven. Dit proces-verbaal moet worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv. Het Hof heeft dit bescheid voor het bewijs gebruikt, maar in strijd met art. 360, eerste lid, Sv nagelaten het gebruik van dit bewijsmiddel nader te motiveren. Dit leidt ingevolge art. 360, vierde lid, Sv tot nietigheid.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Horen getuige met gesloten deuren en afwijzing verzoek tot het oproepen van een niet verschenen getuige

Hoge Raad 20 november 2012, LJN BY0052 Feiten

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor poging tot moord en handelen in strijd met art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met art. 26 lid 1 Wwm, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 12 jaar.

Horen getuige met gesloten deuren

Het tweede middel klaagt over de beslissing van het Hof om getuige 1 met gesloten deuren te horen.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:

"De voorzitter deelt het volgende mee. (...) Als laatste heeft het hof besloten dat getuige 1 vandaag als getuige zal worden gehoord, maar dat zijn verhoor zal plaatsvinden in afwezigheid van eventueel aanwezig publiek. De advocaat-generaal en de raadsman delen desgevraagd mee dat zij akkoord gaan met het verhoor van getuige 1 buiten aanwezigheid van publiek."

HR: Nu de raadsman van de verdachte ter terechtzitting heeft ingestemd met het horen van getuige 1 buiten aanwezigheid van publiek kan het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

Afwijzing verzoek tot het oproepen van een niet verschenen getuige

Het vierde middel klaagt dat het Hof op ontoereikende gronden heeft afgezien van het oproepen van de niet verschenen getuige 2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2011 houdt in:

"De voorzitter deelt mee dat zes getuigen zijn opgeroepen voor de zitting van vandaag, maar dat twee daarvan op voorhand te kennen hebben gegeven vandaag niet te zullen verschijnen. De voorzitter deelt mee dat getuige 2 reeds eerder had laten weten dat zij niet in staat is een verklaring af te leggen en voorts dat zij een brief heeft gestuurd aan het hof. De raadsman deelt mee dat hij de brief van getuige getuige 2 niet heeft ontvangen. De voorzitter deelt in het kort de inhoud mee van de brief van getuige 2 d.d. 1 december 2010 waaruit blijkt dat zij zich fysiek en geestelijk niet in staat voelt ter terechtzitting als getuige een verklaring af te leggen.

De raadsman deelt desgevraagd het volgende mee. Mijn cliënt was niet op de hoogte van de inhoud van de brief van de getuige. Kort voor de zitting bleek dat getuige 2 niet was verschenen en heb ik dit met mijn cliënt besproken. Hij was toen stellig in zijn standpunt dat hij, hoe vervelend ook voor deze getuige, geen afstand wil doen van het horen van deze getuige, omdat de rechtbank haar verklaring als bewijsmiddel heeft gebruikt. Wellicht kan deze getuige bij de rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris worden gehoord, zodat zij de belasting om ter terechtzitting een verklaring af te leggen niet heeft. (...)

De raadsman deelt desgevraagd het volgende mee. De verdediging heeft er geen bezwaar tegen als getuige 2 bij de rechter-commissaris of door een raadsheer-commissaris wordt gehoord, maar dan wel in aanwezigheid van mijn cliënt. (...) Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter de volgende beslissingen van het hof mee: (...) Het hof meent dat een hernieuwde oproeping van getuige 2 achterwege moet worden gelaten, aangezien de gezondheid en het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar worden gebracht en het voorkomen van dit gevaar prevaleert boven het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen."

HR: Ingevolge art. 288, eerste lid onder b, Sv kan de rechter van het verhoor van een niet verschenen getuige afzien indien het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen.

De vraag of dit vermoeden bestaat dient te worden beantwoord tegen de achtergrond van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht van de verdachte op een eerlijk proces. Daaruit volgt dat de rechter zijn oordeel ten aanzien van vorenbedoeld belang van de getuige zal moeten motiveren aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, zoals het oordeel van een deskundige (vgl. EHRM 10 november 2005, nr. 54789/00 (Bocos Cuesta), LJN AU9997, NJ 2006/239, rov. 69 en 72 en HR 6 juli 2010, LJN BL9001, NJ 2010/509).

In het licht van het hiervoor overwogene is het oordeel van het Hof dat hernieuwde oproeping van getuige 2 achterwege moet worden gelaten niet zonder meer begrijpelijk. Immers, niet blijkt op grond van welke concrete feiten en omstandigheden het Hof tot het oordeel is gekomen dat de gezondheid en het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar worden gebracht en het voorkomen van dit gevaar dient te prevaleren boven het belang van de verdachte om haar als getuige te kunnen (doen) horen. De enkele verwijzing naar een brief van de getuige die, naar het Hof heeft vastgesteld, inhoudt dat zij zich fysiek en geestelijk niet in staat voelt ter terechtzitting als getuige een verklaring af te leggen is daartoe niet voldoende.

Het middel klaagt hierover terecht.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en verwerpt het beroep voor het overige.

 

Lees hier het hele arrest.

Print Friendly and PDF ^

Consequentie niet tijdig kenbaar maken door OvJ van het voornemen tot aanhangig maken van ontnemingsvordering

Hoge Raad 20 november 2012, LJN BY0251 Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 20 april 2011 het door de betrokkene, ter zake van gekwalificeerde diefstal in vereniging en poging tot gekwalificeerde diefstal, wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op afgerond € 975 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2011 houdt in dat de raadsman van de betrokkene aldaar het volgende heeft aangevoerd:

"Ik blijf bij mijn bij brief van 22 februari 2011 aangevoerde standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat art. 311 Sv is geschonden. Mijn cliënt heeft nadeel ondervonden als gevolg van de schending van art. 311 Sv omdat hij lange tijd er van is uitgegaan dat er geen ontnemingsvordering zou worden gedaan. Juist bij eenvoudige zaken dient het openbaar ministerie eerder niet-ontvankelijk te worden verklaard." 

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat artikel 311 Sv is geschonden nu de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir in de strafzaak kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om de onderhavige ontnemingvordering aanhangig te maken. 

Het hof constateert dat in de strafzaak tegen verdachte door de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar is gemaakt dat hij voornemens is een ontnemingvordering aanhangig te maken. Dit is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het rechtsgevolg van deze schending blijkt niet uit de wet. 

Daarom dient beoordeeld te worden of aan het verzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt (vergelijk onder meer HR 11 januari 2011, LJN BN2297). 

Het hof neemt voor dit oordeel de volgende door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden in aanmerking: 

  • de officier van justitie heeft bij brieven van 29 september 2008 (drie maanden na de laatste zitting in de strafzaak) alsnog aan de verdachte en zijn raadsman laten weten dat hij voornemens is een ontnemingsvordering te doen; 
  • de verdachte heeft tegen het strafvonnis van de rechtbank hoger beroep aangetekend; het verzuim van de aankondiging kon derhalve niet de verwachting wekken dat de strafprocedure met het vonnis van eerste aanleg was beëindigd. 

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de ernst van het verzuim zodanig gering is dat zal worden volstaan met de enkele constatering ervan. 

Het hof verwerpt derhalve het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie." 

Middel

Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de onder omstandigheden bestaande verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingvordering is met name de rechtszekerheid in het geding (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199 en HR 11 januari 2011, LJN BN2297, NJ 2012/297).

Ingeval een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, zal de rechter bij de beslissing op die vordering dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te beoordelen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199).

Het Hof heeft geoordeeld dat aan het verzuim van de OvJ niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar te maken dat hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken, geen rechtsgevolg dient te worden verbonden, maar dat zal worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Daargelaten dat het verzuim van de OvJ door het Hof ten onrechte is aangemerkt als een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de omstandigheden waarop het Hof zijn kennelijke oordeel heeft gebaseerd dat het belang van de betrokkene bij rechtszekerheid omtrent het voornemen van de OvJ een ontnemingsvordering aanhangig te maken, slechts in geringe mate is geschonden.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

 

Lees hier het hele arrest.

 

 

Print Friendly and PDF ^