Leidt de enkele omstandigheid dat de afwijzing van een voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek ten onrechte niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond, tot vernietiging van het bestreden arrest?

Hoge Raad 6 november 2012, LJN BX8075 Feiten

De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking tot een werkstraf van 65 uren, subsidiair 32 dagen hechtenis.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"subsidiair, indien u niet voorshands tot vrijspraak overgaat, verzoek ik u [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen over de gang van zaken mbt het binnentreden, nu onduidelijkheid bestaat over de vraag of vrijwillig toestemming is gegeven. Cliënt ontkent dat ten stelligste. Cliënt zegt dat hij tegen de verbalisanten heeft gezegd dat hij meende dat hij geen andere optie had dan hen binnen te laten."

Het verkorte arrest houdt onder het kopje "overweging met betrekking tot het bewijs" onder meer het volgende in:

"De raadsman heeft als verweer naar voren gebracht dat vrijspraak van de tenlastegelegde feiten dient te volgen, nu sprake is van onherstelbare vormverzuimen bij het vooronderzoek, hetgeen dient te leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat is voortgevloeid uit het binnentreden van de woning van verdachte. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd: 1. (...) 2. De toestemming die verdachte op 21 maart 2007 aan de verbalisanten gaf om zijn woning te betreden, gaf hij niet uit vrije wil, doch alleen omdat hij dacht dat de verbalisanten in hun recht stonden om de woning te betreden. Het hof overweegt ten aanzien van de verweren als volgt. Ad 1. (...) Ad 2. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting - met name ook uit de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gegeven versie omtrent de gang van zaken op 21 maart 2007 bij de deur van zijn woning - is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat verdachte op 21 maart 2007 aan de verbalisanten zonder enig kenbaar voorbehoud toestemming heeft gegeven om zijn woning te betreden. Het motief voor het verlenen van die toestemming, dan wel eventuele gebreken in dat motief doen aan de rechtmatigheid van het betreden van de woning op basis van de gegeven toestemming in beginsel niet af. Gelet op het bovenstaande verwerpt het hof de verweren."

De aanvulling op het verkorte arrest houdt onder meer het volgende in: "Ten aanzien van de bewijsoverweging voegt het hof het volgende toe. Op grond van het dossier blijkt voldoende dat de verbalisanten met toestemming de woning zijn binnengetreden. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het horen van verbalisanten als getuigen, zoals subsidiair door de verdediging is verzocht, niet noodzakelijk is. Het hof heeft in het arrest nagelaten op dit verzoek expliciet te reageren. Uit de overwegingen volgt dat het hof het verzoek afwijst."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, een voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen heeft afgewezen.

Beoordeling Hoge Raad

Nu het Hof de verdachte niet heeft vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, is de door de raadsman gestelde voorwaarde vervuld en diende het Hof een uitdrukkelijke beslissing op het getuigenverzoek te nemen. Indien een zodanige beslissing is verzuimd, heeft dat verzuim ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

In het verkorte vonnis of arrest moeten de beslissingen zijn opgenomen ten aanzien van op de terechtzitting door of namens de verdachte gedane verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een beslissing te geven, voor zover daarop niet reeds ter terechtzitting is beslist (vgl. HR 23 maart 2004, LJN AO3254).

Het Hof heeft evenwel zijn uitdrukkelijke beslissing op het voorwaardelijke getuigenverzoek niet opgenomen in het verkorte arrest, doch in de aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv.

De vraag rijst of een klacht in cassatie die ertoe strekt dat de enkele omstandigheid dat deze beslissing ten onrechte niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond, tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Bij vernietiging op deze enkele grond heeft de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang. Hij kan immers de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing op het voorwaardelijk getuigenverzoek in volle omvang aan de Hoge Raad voorleggen. Laat hij na inhoudelijke klachten te formuleren tegen deze beslissing, dan zal in voorkomende gevallen de klacht met art. 81, eerste lid, RO kunnen worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.

Het middel faalt. Bij zijn oordeel dat het voorwaardelijk getuigenverzoek moet worden afgewezen, heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontbreken ttz. in h.b. overgelegde pleitnota bij de aan de HR toegezonden stukken leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak

Hoge Raad 6 november 2012, LJN BX8142 Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens diefstal tot een gevangenisstraf 98 dagen. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2010 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het Hof overgelegde pleitnota zich niet bij de stukken van het geding bevindt.

Blijkens het proces-verbaal van voormelde terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Dit proces-verbaal houdt daaromtrent in:

"De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd."

De in genoemd proces-verbaal vermelde pleitnota ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Naar aanleiding van een door de raadsvrouwe op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008 gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat die pleitnota niet meer beschikbaar zal komen.

Nu bedoelde pleitnota ontbreekt, valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan wel of aldaar meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan de in de bestreden uitspraak genoemde. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

Het middel is gegrond.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming en redelijke termijn

Hoge Raad 6 november 2012, LJN BX8465 Bij arrest van 18 februari 2011 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, aan betrokkene de plicht opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 2.329.736 aan de Staat te betalen.

Het eerste middel klaagt dat het Hof niet, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gereageerd op een ter terechtzitting gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van betrokkene ten aanzien van de redelijke termijn, en dat standpunt aldus impliciet heeft verworpen.

Door de verdediging is aangevoerd dat de redelijke termijn is aangevangen op 8 oktober 2003, op welke datum de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen de betrokkene aan de betrokkene is betekend.

Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn op 1 oktober 2004 is aangevangen, op welke datum de Officier van Justitie het voornemen tot ontneming kenbaar heeft gemaakt. Het middel betoogt dat dit laatste oordeel van het Hof onbegrijpelijk is.

Het Hof heeft vastgesteld dat de ontnemingsprocedure die, nadat in de hoofdzaak op 15 oktober 2004 vonnis was gewezen, op 5 september 2006 bij de Rechtbank aanhangig is gemaakt en tot een op 11 juli 2008 uitgesproken ontnemingsvonnis heeft geleid, in eerste aanleg weliswaar lang heeft geduurd, maar dat dit tijdsverloop in die procesfase in verband met de complexiteit en de omvang van het onderzoek niet als een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM kan worden beschouwd. Daarin ligt als het feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof besloten dat die in aanmerking genomen omstandigheden van doorslaggevende invloed zijn geweest op de lange duur van het tijdsverloop in eerste aanleg. Hiervan uitgaande, kan de enkele omstandigheid dat het Hof heeft verzuimd tot uitgangspunt te nemen dat het moment waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn moet worden gesteld op 8 oktober 2003 niet afdoen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat geen sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 2.334.736. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak voor wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 2.329.736 bedraagt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het beslag was reeds opgeheven t.t.v. de behandeling van de zaak door het Hof. Het Hof heeft ten onrechte de bewaring van deze voorwerpen gelast t.b.v. de rechthebbende.

Hoge Raad 6 november 2012, LJN BX5551 Feiten

Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens

  1. een gewoonte maken van het plegen van opzetheling;
  2. handelen in strijd met art. 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd; en
  3. handelen in strijd met art. 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Tevens heeft het Hof de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende van een aantal, in het bestreden arrest nader gespecificeerde inbeslaggenomen voorwerpen.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte en in strijd met de daaraan voorafgegane beslissing tot teruggave aan verzoeker de bewaring heeft gelast ten behoeve van de rechthebbende ten aanzien van een groot aantal goederen, althans dat het Hof ten aanzien van die goederen een onbegrijpelijk en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerde beslissing heeft genomen, nu ten aanzien van die goederen al wel de teruggave aan verzoeker was gelast en/of die goederen al aan verzoeker waren teruggegeven, hetgeen blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting en/of de stukken van het geding.

Beoordeling Hoge Raad

In de "lijst van inbeslaggenomen voorwerpen" zijn onder meer een computer, computermuis en geheugenkaart opgenomen. Achter elk van deze voorwerpen is handgeschreven opgemerkt "retour verdachte 116/1 Sv" en is een stempel inhoudende "Mr. M.K.A. Wijnbelt officier van justitie" met een handtekening van voornoemde Officier van Justitie geplaatst.

Uit de door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat de desbetreffende voorwerpen op 20 april 2009 aan de verdachte zijn teruggegeven. Dit betekent dat het beslag op deze voorwerpen reeds was opgeheven ten tijde van de behandeling van de zaak door het Hof. Het Hof heeft derhalve, met miskenning van het bepaalde in art. 353, eerste lid, Sv, ten onrechte de bewaring van de voorwerpen gelast ten behoeve van de rechthebbende. Het middel klaagt hierover terecht.

De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak in zoverre vernietigen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aanwezigheidsrecht en art. 588a Sv

Hoge Raad 6 november 2012, LJN BX6732 Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld wegens diefstal tot een gevangenisstraf voor de duur van één week.

Middelen

Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen, nu niet op de voet van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv een afschrift van de appeldagvaarding was verzonden naar het in de appelakte vermelde adres van de verdachte.

Het tweede middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Beoordeling Hoge Raad

In HR 23 oktober 2001, LJN AD4727, NJ 2002/77 is beslist dat een raadsman die niet op de voet van art. 279 Sv is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de ter terechtzitting niet-verschenen verdachte, geen van de bij de wet aan de raadsman toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld, en dat bij gebreke van een zodanige machtiging de behandeling van de zaak geldt als een procedure bij verstek.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de gelegenheid is gesteld de afwezigheid van de verdachte toe te lichten doch daartoe niet heeft aangevoerd dat geen afschrift van de dagvaarding was verzonden naar het in het middel vermelde adres, kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd dat het Hof ten onrechte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen wegens niet-naleving van art. 588a Sv.

Het eerste middel is dus vruchteloos voorgesteld.

Bij de beslissing op een verzoek tot schorsing van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, LJN ZD1314, NJ 1999/294).

Het Hof heeft de afwijzing van het door de raadsman gedane verzoek niet gemotiveerd. Derhalve kan niet blijken of het Hof de hiervoor bedoelde afweging van belangen heeft gemaakt.

Het tweede middel klaagt daarover terecht.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^