HR: Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten

HR 2 oktober 2012, LJN BX5506 Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest, wegens medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.

Middel

Middel is ingesteld door verdachte en klaagt dat het Hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het standpunt als weergegeven in het middel samengevat en verworpen.

De klacht dat het Hof zonder nadere motivering van een ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken mist feitelijke grondslag.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat het opzet van de verdachte als medepleger was gericht op het uit winstbejag handelen, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De middelen zijn terecht voorgesteld.

Beslissing

Vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Door Mirjam Levy

Print Friendly and PDF ^

HR: Soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36d Sr

HR 2 oktober 2012, LJN BX5268 Essentie

Zonder nadere motivering valt niet in te zien hoe een inbeslaggenomen stiletto kan dienen om een bewezenverklaard vermogensdelict (zonder melding van gewelddadigheid) te begaan of voor te bereiden.

Middel

Het middel is ingesteld door de verdachte en klaagt over de beslissing van het Hof tot onttrekking aan het verkeer van een aan de verdachte toebehorende sitlleto.

Beoordeling middel

De Hoge Raad begint met beschouwing van de redelijke uitleg van art. 36d Sr en de gebezigde woorden “soortgelijke feiten”. Hieronder dient te worden verstaan feiten, die, gelet op het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling daarvan heeft willen beschermen, tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht (vgl. HR 6 mei 1997, LJN ZC9322, NJ 1997/665).

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad het door de verdachte begane feit door het Hof als diefstal is aangemerkt. In aanmerking genomen dat de bewezenverklaring van dit feit geen melding maakt van enige vorm van gewelddadigheid, valt zonder nadere motivering niet in te zien hoe de inbeslaggenomen stiletto kan dienen om een vergelijkbaar vermogensdelict te begaan of voor te bereiden.

Echter kan het middel niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan belang, daar het voorhanden hebben van de stiletto door het bekrachtigde vonnis als zelfstandig feit is bewezenverklaard, moet het ervoor worden gehouden dat na vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre geen andere beslissing ten aanzien van dit inbeslaggenomen voorwerp kan volgen dan onttrekking aan het verkeer krachtens art. 36c, aanhef en onder 2°, Sr.

Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Door Mirjam Levy

Print Friendly and PDF ^

HR ambtshalve: OM is nog slechts voor wat betreft een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk in zijn vervolging

Hoge Raad 2 oktober 2012, LJN BX5112 Feiten

Verzoeker is bij arrest van 16 november 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens:

Feit 1 en 2: het als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd en als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd, art. 363  Sr en

Feit 3: opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd, art. 272 Sr.

Voorts heeft het Hof verzoeker veroordeeld tot een taakstraf.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Hetgeen onder feit 3 is strafbaar gesteld in art. 272 Sr Op het misdrijf van art. 272 Sr is een gevangenisstraf van een jaar gesteld.

De feiten zijn volgens de tenlastelegging begaan in de periode van 9 juli 1999 tot en met 9 juli 2005. Op grond van art. 70, aanhef en onder 2°, Sr in verbinding met het tweede lid van art. 72 Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Uit het vorenstaande vloeit dan ook rechtstreeks voort dat het Openbaar Ministerie nog slechts wat betreft een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk is in zijn vervolging van het onder 3 tenlastegelegde. De bestreden uitspraak kan daarom wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging niet in stand blijven.

Op grond van art. 70 sub 2 jo 72 Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval maximaal twaalf jaar (twee maal zes jaren).

Het OM is nog slechts een deel van de tenlastegelegde periode ontvankelijk in zijn vervolging.

De Hoge Raad vernietigd de uitspraak voor het tenlastegelegde in de ‘verjaarde periode’ en de strafoplegging daarbij.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR: De schatting van het w.v.v., alsmede de betalingsverplichting, moeten in een concreet bedrag zijn uitgedrukt

HR 2 oktober 2012, LJN BX4704 Feiten

Verdachte is een verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vermeerderd met het vervolgprofijt vanaf de datum van inbeslagneming.

Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend advocaat-generaal bij het Hof, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten het als vervolgprofijt aan te merken door veroordeelde te betalen bedrag te bepalen op een concreet, in euro’s uitgedrukt bedrag.

Oordeel HR

De Hoge Raad herhaalt zijn overwegingen uit een eerder arrest (LJN BL1454). De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, dient de schatting van dat voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting uit te drukken in een concreet bedrag. Omtrent de hoogte van dat bedrag zal bij de betrokkene en het OM als executerende instantie geen misverstand mogen bestaan. Daarom kan niet worden aanvaard dat het concrete bedrag pas bij de executie wordt bepaald. Het hof heeft hier niet aan voldaan, omdat het vervolgprofijt niet in een concreet geld bedrag is uitgedrukt.

De uitspraak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Door Annoeska Rubbens

Print Friendly and PDF ^

HR stelt prejudiciële vragen over prospectusplicht op executoriale verkoop van effecten

Hoge Raad 28 september 2012, LJN BW7006 (Civiele Kamer) De Hoge Raad zal allereerst aan het HvJEU de vraag voorleggen of art. 3 lid 1 van de Prospectusrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen prospectusplicht in beginsel (dat wil zeggen afgezien van de in de richtlijn opgenomen vrijstellingen en uitzonderingen voor bepaalde gevallen) ook van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten.

Indien de Prospectusrichtlijn in beginsel ook van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten, rijst vervolgens de vraag of de vrijstellingsbepaling van art. 53 lid 2 Vrijstellingsregeling Wft van toepassing is.

De Hoge Raad stelt daartoe de volgende vragen:

(a) Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, dient dan het begrip "de totale tegenwaarde van de aanbieding" als bedoeld in art. 1 lid 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn, aldus te worden uitgelegd dat bij een executoriale verkoop van effecten uitgegaan moet worden van de, met inachtneming van het bijzondere karakter van een executieverkoop, redelijkerwijs te verwachten opbrengst, ook indien de redelijkerwijs te verwachten opbrengst aanzienlijk onder de waarde in het economisch verkeer ligt?

(b)Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, maar het antwoord op vraag 2(a) ontkennend luidt, hoe moet dan "de totale tegenwaarde van de aanbieding" als bedoeld in art. 1 lid 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn uitgelegd worden, in het bijzonder bij een executoriale verkoop van effecten?

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^