OM-cassatie, art. 359a Sv, bewijsuitsluiting van Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-gegevens

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BV7438

De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit LJN BH8889, LJN AM2533 en LJN BM6673. 

’s Hofs oordeel dat de onrechtmatig verkregen ANPR-gegevens van het bewijs moeten worden uitgesloten (mede) gelet op de omstandigheid dat nadeel voor de verdachte is ontstaan aangezien die gegevens aanleiding zijn geweest voor het aanwenden van verdergaande opsporingsbevoegdheden waardoor belastend bewijsmateriaal is verkregen, geeft, in aanmerking genomen dat niet zonder meer gesteld kan worden dat de verdachte is tekortgedaan wat betreft zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak en met de ontdekking van een strafbaar feit ook geen rechtens te respecteren belang van de verdachte is geschonden, blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip nadeel als bedoeld in art. 359a lid 2 Sv. 

’s Hofs oordeel dat door de onderhavige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een schending van het door art. 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces, terwijl het Hof omtrent de ernst van de inbreuk op dit recht van de verdachte niets heeft vastgesteld, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat het Hof zijn oordeel dat art. 8.6 en art. 3.1 en 3.1.2 Wet politiegegevens zijn geschonden mede grondt op de inhoud van parlementaire stukken die dateren uit 2010, terwijl de tenlastegelegde feiten dateren van 2008 en 2009, en ten tijde van het verwerken van de ANPR-gegevens in de onderhavige zaak hooguit gezegd kon worden dat die kamerstukken en de desbetreffende regelgeving onduidelijkheid lieten bestaan over het antwoord op de vraag of en hoe die gegevens in het belang van de opsporing van strafbare feiten zouden mogen worden aangewend in het kader van de Wpg.
Print Friendly and PDF ^

Kennelijk leugenachtige verklaring

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW9968

Het middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van de feiten 4 tot en met 8 (kort gezegd, opzetheling) en behelst de klacht dat 's Hofs oordeel dat de onder 8 tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat "de gestolen spullen die in de blokhut zijn aangetroffen (...) van een vriend waren" als kennelijk leugenachtig dient te worden aangemerkt, ontoereikend is gemotiveerd. 

Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN ZD0413, AD8873 en AT2897. 

Een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen, mag volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het bewijs worden gebezigd. 

Zodanig oordeel zal dan wel voldoende grondslag moeten vinden in vastgestelde feiten en omstandigheden, vervat in een of meer andere voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen (vgl. HR 19 maart 1996, LJN ZD0413, NJ 1996/540, rov. 4.4). 

Tot bedoelde andere bewijsmiddelen kunnen in ieder geval niet worden gerekend bewijsmiddelen, inhoudende verklaringen van de verdachte zelf (vgl. HR 19 maart 2002, LJN AD8873, NJ 2002/567) of van andere personen die slechts behelzen hetgeen de verdachte hen heeft meegedeeld (vgl. HR 24 mei 2005, LJN AT2897, NJ 2005/396). 

De omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd omtrent het desbetreffende punt een verklaring te geven, kan niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen (vgl. HR 19 maart 1996, LJN ZD0413, NJ 1996/540, rov. 4.5).

Het Hof heeft in zijn overwegingen klaarblijkelijk geoordeeld dat de onder 8 tot het bewijs van de onder 4 tot en met 8 tenlastegelegde feiten gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat "de gestolen spullen die in de blokhut zijn aangetroffen (...) van een vriend waren", kennelijke leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen. 

Voor zover het Hof dat oordeel blijkens zijn overwegingen heeft gegrond op de verklaring van de medeverdachte omtrent de herkomst van de tassen, geldt dat deze verklaring geen steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat niet zonder meer begrijpelijk is dat die verklaring voldoende grondslag biedt voor het oordeel over de kennelijk leugenachtigheid. De door het Hof genoemde omstandigheid dat de verdachte zelf omtrent die herkomst geen verklaring heeft willen geven kan in dit verband geen rol spelen. Door desalniettemin de bedoelde verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig tot het bewijs te bezigen, is de bewezenverklaring van de feiten 4 tot en met 8 niet naar behoren gemotiveerd. 

Het middel slaagt. 
Print Friendly and PDF ^

Vrijwillige terugtred en deelneming

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW9976


Verzoeker is bij arrest door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld wegens poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Beide middelen keren zich tegen het oordeel van het Hof dat met betrekking tot verzoeker geen sprake is van een vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr. 

Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Of gedragingen van de verdachte de gevolgtrekking wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een voltooide poging voor het aannemen van vrijwillige terugtred veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (vgl. HR 19 december 2006, LJN AZ2169, NJ 2007/29). Dat is bij medeplegen niet anders, terwijl daarbij, gelet op de wetsgeschiedenis, ook voor de medepleger geldt dat de 'omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk' als bedoeld in art. 46b Sr - behoudens in bijzondere gevallen - alleen in aanmerking komen ten aanzien van hem van wiens wil die omstandigheden daadwerkelijk afhankelijk zijn (vgl. HR 12 april 2011, LJN BN4351, NJ 2011/358). 

Gelet hierop getuigt de verwerping door het Hof van het beroep op vrijwillige terugtred niet van een onjuiste rechtsopvatting. Die verwerping is ook toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat op het moment waarop de verdachte zich bedacht, de medepleger met het mes in de hand naar binnen was gerend waarbij hij "geld, geld" had geroepen en "al binnen in de cafetaria was en bezig om van de eigenaar geld uit de kassa te krijgen", terwijl de verdachte door op zijn hoogst "Nee, kom, rennen" te roepen niet zodanig is opgetreden dat dit geschikt was de voltooiing van de afpersing te beletten. 

Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld. 

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie. Beroep op avas. Bij een beroep op een strafuitsluitingsgrond moet de rechter de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Voor aanvaarding van het beroep is vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan voldoende aannemelijk acht. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. Het Hof heeft dit beslissingskader miskend.

Hoge Raad 3 juli 2012, LJN BW9975


Gerechtshof 

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij als bestuurder van een voertuig, personenauto, daarmee rijdende op de weg, alwaar verdachte in een flauwe bocht naar links met zijn rechtervoorband tegen de aldaar gelegen trottoirrand is aangebotst en met zijn rechtervoorband in de aldaar gelegen grasberm terecht is gekomen, waardoor hij de macht over het stuur is kwijtgeraakt en tegen een in de middenberm staande boom is aangebotst en vervolgens op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer tot stilstand is gekomen, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers is hij toen aldaar tegen een boom aangebotst als gevolg waarvan inzittende betrokkene 1 letsel heeft bekomen.

Het Hof heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en overweegt daartoe als volgt: 

"(...) ten aanzien van de aanleiding voor dan wel de oorzaak van het raken van de stoeprand, welke aanraking onmiskenbaar de oorzaak is geweest van de botsing tegen de boom, [kan] geen enkele betrouwbare uitspraak worden gedaan, noch in technische zin, noch in de sfeer van de rijstijl van de verdachte. De vraag of de verdachte van het raken van de stoeprand ook maar enig verwijt kan worden gemaakt kan dus niet worden beantwoord. 

Nu niet is gebleken dat de verdachte niet de maximaal te vergen zorg heeft betracht en ook overigens niet is gebleken van relevante schuld, komt het hof tot de slotsom dat de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt van het veroorzaken van het ongeval. Hij is daarom niet strafbaar en hij moet van alle rechtsvervolging worden ontslagen." 


Advocaat Generaal Silvis

In geval van een bewezen verklaarde overtreding is de maatstaf voor AVAS of aannemelijk is geworden dat de verdachte niet anders kon of behoorde te handelen. Alle schuld aan de bewezen verklaarde overtreding zou bij verdachte ontbreken, indien aannemelijk zou zijn, dat hem redelijkerwijze geen mogelijkheid heeft opengestaan om de in de bewezenverklaring bedoelde gevaarzetting te vermijden.

Aan het veroorzaken van een belemmering of gevaar als bedoeld in art. 25 WVW (oud), de voorloper van het huidige art. 5 WVW 1994, moet ongeoorloofd gedrag als oorzaak ten grondslag liggen. Pas als er sprake is van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag kan worden nagegaan of daardoor een belemmering of gevaar teweeg is gebracht. Dat is de bewijskwestie: is de veiligheid op de weg door van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag van verdachte in gevaar gebracht? Als dat niet uit de bewijsmiddelen valt af te leiden, dient vrijspraak te volgen.

Het Hof heeft geoordeeld dat het gevaar voor de veiligheid op de weg uit de bewijsmiddelen valt af te leiden en dat dit gevaar veroorzaakt werd door van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag van verdachte. Het Hof heeft dit uitdrukkelijk in de bespreking van een (bewijs)verweer overwogen.


Het Hof heeft bewezen kunnen achten dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt waardoor een ongeval ontstond. Om vervolgens nog tot afwezigheid van alle schuld te kunnen komen, moet aannemelijk zijn dat verdachte redelijkerwijze geen (aanvaardbare) mogelijkheid had om de in de bewezenverklaring bedoelde gevaarzetting te vermijden. 

Het hof heeft niet kunnen vaststellen of verdachte het feit heeft kunnen vermijden. Door op die grond afwezigheid van alle schuld aan de bewezen verklaarde overtreding aan te nemen, heeft het Hof een onjuiste maatstaf toegepast. 


Het is evenmin zo dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar 's Hofs oordeel het bestaan van feiten en omstandigheden, die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, aannemelijk heeft gemaakt.

Het middel is terecht voorgesteld. 

Hoge Raad

Wanneer een beroep op een strafuitsluitingsgrond is gedaan, is de rechter gehouden de feitelijke grondslag van dat beroep te onderzoeken. Voor aanvaarding van het beroep op een strafuitsluitingsgrond is vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan voldoende aannemelijk acht. 

De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd. 

De verdachte heeft naar het oordeel van het Hof terecht een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld ten aanzien van het verkeersongeval waarvan uit de vaststellingen van het Hof volgt dat dat ongeval door de verdachte als bestuurder van de auto is veroorzaakt. Het Hof heeft echter, in het bijzonder in de overweging dat "niet is gebleken dat de verdachte niet de maximaal te vergen zorg heeft betracht en ook overigens niet is gebleken van relevante schuld" - welke overweging erop neerkomt dat niet is gebleken dat de strafuitsluitingsgrond niet kan worden aanvaard - het hiervoor onder 2.4 weergegeven beslissingskader miskend. 

Het middel slaagt. 


Print Friendly and PDF ^

HR: Beklag, beslag, art. 94 Sv., herhaling maatstaf

Hoge Raad 29 mei 2012, LJN BW6668

Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv draagt een summier karakter. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.


Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.

(Vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2 en 2.9).

Print Friendly and PDF ^