Hinderwetvergunning, 'aan hem', art. 18.18 Wm, drijver van een inrichting

HR 15 november 2011, LJN BP9321


Verdachte is tenlastegelegd dat hij zich heeft gedragen in strijd met de voorschriften uit een aan hem verleende Hinderwetvergunning. Het Hof spreekt verdachte vrij van het onderdeel 'aan hem', maar veroordeelt hem voor het overige tenlastegelegde: weliswaar is de vergunning niet verleend aan de verdachte, maar de verdachte heeft de inrichting waaraan de vergunning werd verleend overgenomen. Verdachte is derhalve de vergunninghouder, en als zodanig is hij, als drijver van de inrichting, aanspreekbaar op de naleving van de aan de voor de inrichting geldende voorschriften, aldus het Hof.

De Hoge Raad casseert niet. Art. 18.18 Wm richt zich immers, in combinatie met art. 8.20 Wm, tot een ieder die de inrichting drijft. Aan wie de bedoelde vergunning is verleend is derhalve niet van belang.

Print Friendly and PDF ^

Wederrechtelijk verkregen voordeel, besparing van kosten, (tijdig aanvragen) milieuvergunning

Hoge Raad 20 september 2011, LJN BQ4686


In lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt onder wederrechtelijk verkregen voordeel ook een besparing van kosten begrepen. Op grond van het Urker visafslag-arrest (Gemeente Urk vervolgd wegens overtredingen van de Visserijwet door de gemeentelijke visafslag, HR 8 juli 1992, NJ 1993, 12) is daarbij niet relevant of het voordeel de veroordeelde ook was toegevallen indien de wet niet was overtreden.

Onderhavige uitspraak handelt over een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 december 2009, waarbij het Hof conform het verweer van de verdediging, oordeelde dat het voordeel in dat geval (alleen) bestond uit het niet tijdig aanvragen van een Wm-vergunning voor het opslaan en bewerken van groenafval. Door het OM werd immers niet bestreden dat de wederrechtelijke activiteiten van het veroordeelde bedrijf ten tijde van het plegen van het strafbare feit reeds voldeden aan de voorwaarden van de nadien aangevraagde en verleende Wm-vergunning. Voor het aanvragen van die vergunning betaalde het bedrijf € 2.500,-. Het Hof stelde het bedrag aan bespaarde kosten derhalve op € 2.500,-. Het OM ging hiertegen, onder verwijzing naar het Urker visafslag-arrest, in cassatie.

Tevergeefs: het oordeel van het Hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de gegeven omstandigheden diende te worden vastgesteld op de besparing van de kosten van de aanvraag van de vereiste vergunning, getuigt naar het oordeel van de Hoge Raad (en AG Knigge) niet van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 36e Sr.

Print Friendly and PDF ^