Rapportage Internationale Mensenrechtenprocedures

In deze publicatie zijn samenvattingen opgenomen van alle uitspraken en beslissingen uit het verslagjaar, 2014, in zaken waarbij Nederland betrokken is geweest, ongeacht de instantie waarvoor werd geprocedeerd. Daarbij is tevens gebruikelijk informatie opgenomen die in het verlengde ligt van, of van direct belang is voor de procedures, alsmede overzichten en statistieken. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Hof van Justitie over weigering aftrek btw bij fraude

Hof van Justitie 18 december 2014, C-131/13, C-163/13 en C-164/13 (Schoenimport “Italmoda” Mariano Previti ea)

Samenvatting

De Zesde richtlijn btw-richtlijn moet zo worden uitgelegd dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige in het kader van een intracommunautaire levering de toepassing te weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen.

De Zesde richtlijn btw-richtlijn moet zo worden uitgelegd dat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting over toegevoegde waarde wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen, deze rechten kunnen worden geweigerd, ondanks dat de fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op deze rechten wordt gemaakt en de belastingplichtige in deze laatste lidstaat heeft voldaan aan de formele voorwaarden die de nationale wet aan deze rechten verbindt.

Zaak C‑131/13 (Italmoda)

Italmoda, een vennootschap naar Nederlands recht, is actief in de schoenhandel. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding (1999 en 2000) heeft zij ook gehandeld in computerartikelen. Deze goederen, die Italmoda had gekocht in Nederland en in Duitsland, zijn verkocht en geleverd aan belastingplichtige afnemers in Italië. De goederen uit Duitsland waren door Italmoda gekocht onder haar Nederlandse btw-identificatienummer; het betreft een verwerving waarover belasting wordt geheven in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend in de zin van artikel 28 ter, A, lid 2, van de Zesde richtlijn. De goederen zijn echter rechtstreeks vanuit Duitsland naar Italië vervoerd.

Italmoda heeft voor de in Nederland verworven goederen alle nodige aangiften gedaan en in haar btw-aangiften de voorbelasting afgetrokken. Voor de uit Duitsland afkomstige goederen is echter noch aangifte gedaan van de intracommunautaire levering in deze lidstaat, noch van de intracommunautaire verwerving in Nederland, ofschoon deze handeling was vrijgesteld in Duitsland. De afnemers in Italië hebben geen enkele van deze intracommunautaire verwervingen aangegeven en geen btw betaald. De Italiaanse belastingdienst heeft deze afnemers recht op aftrek geweigerd en de verschuldigde btw nageheven.

De Nederlandse belastingdienst stelde zich op het standpunt dat Italmoda bewust betrokken was bij fraude die erop was gericht om in Italië btw te ontduiken, en heeft Italmoda derhalve de toepassing geweigerd van het recht op vrijstelling voor de intracommunautaire leveringen die voor die lidstaat waren bestemd, van het recht op aftrek van voorbelasting, alsmede van het recht op teruggaaf van de btw die was betaald voor de goederen uit Duitsland. De belastingdienst heeft Italmoda derhalve drie naheffingsaanslagen opgelegd.

Het beroep van Italmoda tegen deze naheffingsaanslagen werd in eerste aanleg gegrond verklaard door de Rechtbank te Haarlem, die de belastingdienst heeft opgedragen opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, dat in zijn uitspraak van 12 mei 2011 de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem en de naheffingsaanslagen heeft vernietigd. Volgens deze rechter waren een afwijking van de normale regeling van btw-heffing en de weigering de vrijstelling of het recht op aftrek van de btw toe te passen in dit geval niet gerechtvaardigd. Daarbij heeft het Gerechtshof te Amsterdam inzonderheid in aanmerking genomen dat de fraude niet in Nederland, maar in Italië had plaatsgevonden en dat Italmoda in Nederland aan alle formele voorwaarden had voldaan die de nationale wettelijke bepalingen aan de vrijstelling verbinden.

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Deze rechter merkt inzonderheid op dat gedurende het relevante tijdvak naar Nederlands recht niet als voorwaarde voor de toepassing van de vrijstelling of voor het recht op aftrek gold dat de belastingplichtige niet bewust was betrokken bij ontduiking van btw of btw-fraude. De vraag rijst dus of bewuste betrokkenheid bij btw-fraude in de weg staat aan het recht op teruggaaf van de btw, hoewel een nationale wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt.

Daarop heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Dienen de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties op grond van het recht van de Europese Unie de toepassing te weigeren van de vrijstelling ter zake van een intracommunautaire levering, van een recht op aftrek van btw ter zake van de aankoop van goederen die na de aankoop naar een andere lidstaat zijn verzonden, dan wel de uit de toepassing van artikel 28 ter, A, lid 2, tweede volzin, van de Zesde richtlijn voortvloeiende teruggaaf van btw, wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat met betrekking tot de desbetreffende goederen sprake is van btw-fraude en de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, indien de nationale wet niet erin voorziet onder die omstandigheden de vrijstelling, de aftrek of de teruggaaf te weigeren?
  2. Dient, indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, de hiervoor bedoelde vrijstelling, aftrek of teruggaaf ook geweigerd te worden indien de ontduiking van de btw zich in een andere lidstaat (dan de lidstaat van verzending van de goederen) heeft voorgedaan en de belastingplichtige zich van die btw-fraude bewust was, of had moeten zijn, terwijl die belastingplichtige in de lidstaat van verzending aan alle (formele) voorwaarden heeft voldaan die de nationale wettelijke bepalingen verbinden aan de vrijstelling, de aftrek of de teruggaaf en hij de belastingdienst in die lidstaat steeds van alle benodigde gegevens heeft voorzien met betrekking tot de goederen, de verzending en de afnemers in de lidstaat van aankomst van de goederen?
  3. Wat moet, indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, in artikel 28 ter, A, lid 2, (slot van) eerste volzin, van de Zesde richtlijn worden verstaan onder ,geheven’: het op de wettelijk voorgeschreven btw-aangifte verantwoorden van de ter zake van de intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst verschuldigde btw, of ook het – bij gebreke van een dergelijke verantwoording – door de belastingautoriteiten van de lidstaat van aankomst nemen van maatregelen om dit te regulariseren? Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang of de desbetreffende transactie deel uitmaakt van een keten van handelingen die is gericht op btw-fraude in het land van aankomst en de belastingplichtige zich daarvan bewust was of had moeten zijn?”

Zaak C‑163/13 (Turbu.com)

Turbu.com, een vennootschap naar Nederlands recht, drijft een groothandel in computers, telefoons en software.

In het tijdvak van augustus tot december 2001 heeft Turbu.com een aantal intracommunautaire leveringen van mobiele telefoons verricht, onder toepassing van de vrijstelling en onder aftrek van de voorbelasting.

Na een onderzoek van de Fiscale Inlichtingen‑ en Opsporingsdienst heeft de Nederlandse belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat Turbu.com ten onrechte heeft gemeend dat deze leveringen waren vrijgesteld en heeft hij deze vennootschap een naheffingsaanslag opgelegd. Voorts is ten aanzien van de directeur van Turbu.com strafrechtelijke vervolging ingesteld wegens btw-fraude, welke in 2005 is uitgelopen op een veroordeling van de directeur wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte en het onjuist of onvolledig doen van een belastingaangifte.

De aan Turbu.com opgelegde naheffingsaanslag is bevestigd in de beroepen die door deze vennootschap zijn ingesteld, in eerste aanleg door de Rechtbank te Breda en vervolgens in hoger beroep door het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch in een arrest van 25 februari 2011. In dat arrest heeft het Gerechtshof geoordeeld dat aannemelijk is dat bij de betrokken leveringen in werkelijkheid geen sprake was van intracommunautaire leveringen en dat Turbu.com willens en wetens betrokken is geweest bij btw-fraude.

Turbu.com heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Deze rechterlijke instantie zet onder meer uiteen dat vragen van uitlegging van Unierecht rijzen indien na verwijzing naar het Gerechtshof komt vast te staan dat de bedoelde leveringen deel uitmaakten van een keten van handelingen die was gericht op btw-fraude en dat Turbu.com zich daarvan bewust was of had moeten zijn. De Hoge Raad vraagt zich met name af of het recht op vrijstelling van btw moet worden geweigerd in geval van btw-fraude, ook indien het nationale recht daarvoor geen rechtsgrondslag biedt.

Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dienen de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties op grond van het recht van de Europese Unie de toepassing te weigeren van de btw-vrijstelling ter zake van een intracommunautaire levering wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat met betrekking tot de desbetreffende goederen sprake is van btw-fraude en de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, indien de nationale wet niet erin voorziet onder die omstandigheden de vrijstelling te weigeren?”

Zaak C‑164/13 (TMP)

TMP, een vennootschap naar Nederlands recht, handelt in mobiele telefoons.

In juli 2003 heeft zij intracommunautaire leveringen van mobiele telefoons verricht onder toepassing van de vrijstelling en met verzoek om teruggaaf van de voorbelasting die was betaald voor de verwerving van deze telefoons van in Nederland gevestigde ondernemingen.

De Nederlandse belastingautoriteiten, die in de aangiften van TMP meerdere onregelmatigheden hadden vastgesteld, zowel ter zake van de handelingen in een eerder stadium als ter zake van de genoemde intracommunautaire leveringen, weigerden de teruggaaf. De beschikking houdende weigering van teruggaaf is door de Rechtbank te Breda vernietigd. De uitspraak van deze rechtbank is vervolgens vernietigd bij arrest van het Gerechtshof te ’s‑Hertogenbosch van 25 februari 2011. In dat arrest heeft het Gerechtshof geoordeeld dat TMP de voorbelasting niet kon aftrekken op grond, zakelijk weergegeven, dat zij wist of had moeten weten dat sprake was van btw-fraude.

TMP heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Deze rechterlijke instantie zet onder meer uiteen dat vragen van uitlegging van Unierecht rijzen indien na verwijzing naar het Gerechtshof komt vast te staan dat de bedoelde leveringen deel uitmaakten van een keten van handelingen die was gericht op btw-fraude en dat TMP zich daarvan bewust was of had moeten zijn. De Hoge Raad merkt inzonderheid op dat gedurende het relevante tijdvak naar Nederlands recht niet als voorwaarde voor het recht op aftrek gold dat de belastingplichtige niet bewust was betrokken bij ontduiking van btw of btw-fraude.

Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dienen de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties op grond van het recht van de Europese Unie het recht op aftrek te weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat met betrekking tot de desbetreffende goederen sprake is van btw-fraude en de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij daaraan deelnam, indien de nationale wet niet erin voorziet onder die omstandigheden het recht op aftrek te weigeren?”

Ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑163/13 en C‑164/13

De Commissie voert aan dat de vragen in de zaken C‑163/13 en C‑164/13 niet-ontvankelijk zijn, omdat zij als hypothetisch moeten worden beschouwd. Wezenlijke feitelijke en juridische gegevens zijn in de hoofdgedingen immers nog niet vast komen te staan.

Het Hof is volgens vaste rechtspraak in beginsel gehouden uitspraak te doen op prejudiciële vragen over de uitlegging van het recht van de Unie, tenzij duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.

Dit nu is het geval bij de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de zaken C‑163/13 en C‑164/13.

In die zaken wordt het Hof verzocht nader aan te geven of en, in voorkomend geval, onder welke omstandigheden de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties gehouden zijn de rechten van vrijstelling en aftrek van de btw in een geval van btw-fraude te weigeren.

Uit de overwegingen van de verwijzingsarresten komt echter naar voren dat de Hoge Raad niet heeft vastgesteld dat bij de handelingen die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, sprake is van btw-fraude. Daar de prejudiciële vragen die in deze arresten worden gesteld, uitgaan van het bestaan van een dergelijke fraude, moeten zij met betrekking tot deze hoofdgedingen worden beschouwd als hypothetisch.

De prejudiciële vragen in de zaken C‑163/13 en C‑164/13 moeten dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beantwoording van de prejudiciële vragen in zaak C‑131/13

Eerste vraag

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij in het kader van intracommunautaire leveringen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, het recht op aftrek van de voorbelasting uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de Zesde richtlijn, het recht op vrijstelling neergelegd in artikel 28 quater, A, sub a, van deze richtlijn, en het recht op teruggaaf van de btw uit hoofde van artikel 28 ter, A, lid 2, van deze richtlijn te weigeren indien de nationale wet niet in een dergelijke weigering voorziet.

Ter beantwoording van deze vraag moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en mogelijke misbruiken een doel is dat door de Zesde richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd.

In deze context heeft het Hof herhaalde malen onderstreept dat justitiabelen in geval van bedrog of misbruik geen beroep op het Unierecht kunnen doen.

Het Hof heeft hieruit in vaste rechtspraak over het in de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek van de btw ten eerste afgeleid dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat om dat recht te weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat aanspraak op dit recht wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik.

Ten tweede blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat deze consequentie van misbruik of fraude in beginsel ook aan het recht op vrijstelling uit hoofde van een intracommunautaire levering kleeft.

Ten derde vormt een eventuele weigering van een recht ontleend aan de Zesde richtlijn de afspiegeling van het eerder in dit arrest genoemde algemene beginsel dat niemand in geval van misbruik of bedrog aanspraak kan maken op rechten die voortvloeien uit het rechtsstelsel van de Unie, zodat het in algemene zin aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een dergelijk recht te weigeren, om welk btw-recht het bij de betrokken fraude ook gaat, met inbegrip van het recht op teruggaaf van de btw.

Anders dan de Commissie betoogt, kan deze gevolgtrekking niet worden ontkracht door het gegeven dat laatstgenoemd recht van bijzondere aard is doordat het een correctiemechanisme vormt waarmee de belastingneutraliteit bij bepaalde intracommunautaire leveringen kan worden gewaarborgd.

In dat verband moet worden opgemerkt dat uit de rechtspraak volgt dat de kernfunctie die het in artikel 17, lid 3, van de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek in het btw-stelsel heeft met het oog op de waarborg van volkomen belastingneutraliteit er niet aan in de weg staat dat dat recht wordt geweigerd aan een belastingplichtige in geval van deelname aan fraude. Evenmin kan de specifieke functie van het recht op teruggaaf van de btw met het oog op de waarborg van de neutraliteit van de btw eraan in de weg staan dat dat recht in een dergelijk geval aan een belastingplichtige wordt geweigerd.

Gelet op de voorgaande overwegingen staat het in beginsel aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties om in de Zesde richtlijn neergelegde rechten waarop aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik te weigeren, ongeacht of het gaat om een recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw in verband met een intracommunautaire levering, zoals de rechten in het hoofdgeding.

Daarnaast moet worden opgemerkt dat dit volgens vaste rechtspraak niet alleen geldt wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.

Met betrekking tot de vraag of de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties deze rechten ook moeten weigeren indien specifieke bepalingen in die zin in de nationale rechtsorde ontbreken, moet worden opgemerkt, ten eerste, dat de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft benadrukt dat de Zesde richtlijn zonder lacunes in het Nederlandse recht is omgezet en dat het beginsel van voorkoming van fraude als algemeen rechtsbeginsel van toepassing is op de uitvoering van de nationale bepalingen waarbij die richtlijn is omgezet.

Uit dien hoofde staat het aan de nationale rechter het nationale recht zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en de doelstelling van de betrokken richtlijn uit te leggen teneinde de daarmee beoogde resultaten te bereiken, hetgeen vergt dat hij binnen zijn bevoegdheden al het mogelijke doet, het gehele interne recht in beschouwing nemend en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden.

Dientengevolge is het aan de verwijzende rechter vast te stellen of het Nederlandse recht, zoals de Nederlandse regering suggereert, een bepaling of algemeen beginsel kent op grond waarvan rechtsmisbruik is verboden, dan wel andere bepalingen inzake belastingfraude of ‑ontwijking die kunnen worden uitgelegd in overeenstemming met de vereisten van het recht van de Unie op het vlak van de bestrijding van belastingfraude.

Mocht, ten tweede, vast komen te staan dat het nationale recht in casu geen regels behelst die in overeenstemming daarmee kunnen worden uitgelegd, dan mag daaruit echter niet worden afgeleid dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties in omstandigheden als in het hoofdgeding belet worden deze vereisten in acht te nemen en het voordeel ontleend aan een in de Zesde richtlijn neergelegd recht in geval van fraude te weigeren.

Zelfs al kan een richtlijn volgens vaste rechtspraak uit zichzelf aan particulieren geen verplichtingen opleggen en kan zij als zodanig niet door een lidstaat tegenover een particulier worden ingeroepen, zoals Italmoda heeft aangevoerd, de weigering van een recht naar aanleiding van fraude, zoals in casu, wordt niet bestreken door de situatie waarop deze rechtspraak ziet.

Integendeel, die weigering strookt met het beginsel dat niemand in geval van misbruik of bedrog een beroep kan doen op het Unierecht, daar de Unieregeling niet zo ruim mag worden toegepast dat zij gevallen van misbruik dan wel bedrog dekt.

Voor zover misbruik of fraude geen grondslag kunnen bieden voor een recht dat is neergelegd in de rechtsorde van de Unie, betekent de weigering van een voordeel ontleend aan, in casu, de Zesde richtlijn dus niet dat een verplichting wordt opgelegd aan de betrokken particulier uit hoofde van die richtlijn, maar deze weigering is louter de consequentie van de vaststelling dat in werkelijkheid niet is voldaan aan de objectieve voorwaarden die in deze richtlijn met betrekking tot dat recht zijn neergelegd om het gewenste voordeel te verkrijgen.

Derhalve gaat het er in een dergelijk geval eerder om dat de belastingplichtige geen aanspraak kan maken op een recht dat is neergelegd in de Zesde richtlijn en waarvoor niet is voldaan aan de objectieve criteria voor de verlening ervan vanwege fraude bij de handeling die door de belastingplichtige zelf is verricht of vanwege de frauduleuze aard van een keten van handelingen waaraan hij deelnam als geheel.

In een dergelijk geval is geen uitdrukkelijke autorisatie voor de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties vereist om een voordeel uit hoofde van het gemeenschappelijke btw-stelsel te weigeren, aangezien deze consequentie moet worden gezien als inherent aan het stelsel.

Voorts kan een belastingplichtige die de voorwaarden voor een recht heeft geschapen louter door deel te nemen aan frauduleuze handelingen, anders dan Italmoda heeft gesteld, kennelijk niet op goede gronden een beroep doen op het vertrouwens‑ of rechtszekerheidsbeginsel om zich te verzetten tegen de weigering van toekenning van het betrokken recht.

Aangezien, tot slot, de weigering van een recht dat voortvloeit uit het gemeenschappelijke btw-stelsel in geval van betrokkenheid van de belastingplichtige bij fraude louter de consequentie is van het ontbreken van de daarvoor in de relevante bepalingen van de Zesde richtlijn vereiste voorwaarden, vormt die weigering geen straf of sanctie in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, of van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige in het kader van een intracommunautaire levering de toepassing te weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen.

Tweede vraag

Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de omstandigheden dat de btw-fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw wordt gemaakt en dat de betrokken belastingplichtige in die laatste lidstaat aan de formele voorwaarden heeft voldaan die de nationale wet aan deze rechten verbindt, relevant zijn voor de eventuele, in de eerste vraag bedoelde verplichting om deze rechten te weigeren.

Zoals eerder in het arrest al is opgemerkt, wordt in dat verband volgens vaste rechtspraak niet alleen de situatie waarin de belastingplichtige zich rechtstreeks zelf, als eenling, schuldig maakt aan belastingfraude beschouwd als een fraudeleuze handeling die aanleiding kan zijn tot weigering van een recht dat in de Zesde richtlijn is neergelegd, maar ook de situatie waarin een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de verwerving of levering die door hem is verricht, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van dezelfde toeleveringsketen actief was.

Er is geen enkele objectieve reden om aan te nemen dat zulks anders zou zijn door het enkele feit dat de frauduleuze keten van leveringen zich uitstrekt over twee of meer lidstaten of dat de handeling die btw-fraude oplevert, plaats heeft gevonden in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de belastingplichtige die betrokken is bij de frauduleuze verwezenlijking van de betrokken handelingen ongerechtvaardigd aanspraak maakt op een recht dat aan de Zesde richtlijn is ontleend.

Met betrekking tot de weigering van een in de Zesde richtlijn neergelegd recht is het op zich evenmin van belang dat de voorwaarden voor toekenning van dat recht voor de rechtsorde, op zichzelf beschouwd, van de lidstaat die geroepen is te beslissen over die toekenning, vervuld lijken, nu de betrokkenheid bij btw-fraude, zoals zojuist is opgemerkt, kan bestaan in bewuste deelname, of deelname die bewust had moeten zijn, aan een keten van handelingen waarin een andere ondernemer door middel van een latere handeling die plaatsvindt in een andere lidstaat de frauduleuze handeling voltrekt.

Bovendien wordt de btw-fraude die in het hoofdgeding aan de orde is – carrouselfraude in het kader van intracommunautaire leveringen – zoals de Nederlandse regering terecht opmerkt, vaak gekenmerkt doordat de voorwaarden om een btw-recht in te roepen uit oogpunt van een lidstaat op zichzelf beschouwd vervuld lijken. Het is immers juist de specifieke combinatie van handelingen in verschillende lidstaten die maakt dat deze handelingen als geheel genomen fraude opleveren.

Daarnaast zou elke andere uitlegging niet in overeenstemming zijn met het doel van bestrijding van belastingfraude, dat door de Zesde richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd.

Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen, deze rechten kunnen worden geweigerd, ondanks dat de fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op deze rechten wordt gemaakt en de belastingplichtige in deze laatste lidstaat heeft voldaan aan de formele voorwaarden die de nationale wet aan deze rechten verbindt.

Derde vraag

Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft niet te worden geantwoord op de derde vraag, die slechts is gesteld voor het geval de eerste vraag ontkennend zou worden beantwoord.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Mutual trust and transnational ne bis in idem: A further step made by the CJEU

Ne bis in idem is one of the key principles of EU criminal law. On the one hand, it is an important individual safeguard for suspects and convicted persons in the EU, as it protects against double prosecution and double punishment. On the other hand, it is the only mechanism – although imperfect and insufficient – to regulate conflicts of jurisdiction in the Area of Freedom, Security and Justice (AFSJ). A final judgment in one Member State indeed prevents another Member State from (further) prosecuting the same person (again) for the same facts.

Last June the Court of Justice (CJEU) issued an important judgment regarding the scope of the transnational protection against double jeopardy. The decision of the CJEU further expands the concept of ‘final decision’ triggering the ne bis in idem, confirming the validity of the previously consolidated trend which, on the one hand, recognises a strong importance to the mutual trust between Member States, and on the other hand acknowledges the inherent link between ne bis in idemand the freedom of movement in the EU.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

EU-Handvest Grondrechten staat vertrouwelijk rapport toe als bewijsmateriaal

Bewijs in douanezaken op basis van een vertrouwelijk rapport, waarvan noch de belanghebbende noch de nationale rechter alle details mogen inzien, druist volgens het EU-Hof niet in tegen het recht op een eerlijk proces in het Handvest Grondrehten. De nationale rechter moet de relevantie van een dergelijk bewijsmiddel wegen, inclusief tegenbewijs van de belanghebbende, en een effectieve rechtsgang garanderen.

Het gaat om het arrest van 23 oktober 2014, C-437/13 Unitrading.

Een Brits bedrijf voerde een partij verse knoflook de EU in via Nederland, met Pakistan als opgegeven land van herkomst. Er rees echter twijfel over de juistheid van die opgave. De Nederlandse douane liet een monster van de knoflookbollen controleren door een laboratorium in de Verenigde Staten. Daar werd vastgesteld dat de knoflook vrijwel zeker uit China afkomstig was, waardoor hogere invoerrechten zouden moeten worden betaald. Het laboratorium weigerde echter openheid te geven over de precieze vergelijkingsmethode, omdat dit gevoelige informatie zou betreffen. De zaak kwam bij de Hoge Raad, waar de vraag rees of het gebruik van dit vertrouwelijk rapport als bewijsmateriaal in overeenstemming was met Europese grondrechten.

Het Handvest van de Grondrechten van de EU garandeert in artikel 47 het recht op een effectieve rechterlijke toetsing. Hieronder valt ook het recht op hoor en wederhoor, en het recht van een persoon om te weten op welke gronden een besluit tegen hem is gebaseerd. Het douanerecht van de EU is geharmoniseerd in het Communautair Douanewetboek (Verordening 2913/92). Art. 245 van het wetboek laat de uitvoering van de beroepsprocedure tegen een douanebesluit over aan lidstaten.

Het Hof begint met te concluderen dat het recht op hoor en wederhoor en het recht om kennis te nemen van een besluit niet zijn geschonden. De knoflookimporteur heeft immers kennis kunnen nemen van de gronden waarop de beslissing tegen hem is gebaseerd en van alle aan de rechter voorlegde stukken, en heeft daarover dus een standpunt kunnen innemen. In deze omstandigheden kan het vertrouwelijke rapport gewoon worden aangemerkt als een bewijsmiddel. Het Unierecht staat immers alle bewijsmiddelen toe die in soortgelijke nationale procedures mogen worden aangevoerd.

Volgens het Hof is het hierbij niet van belang dat een dergelijk cruciaal bewijsmiddel niet volledig kan worden geverifieerd door de betrokken partij of door de rechter. Immers, redeneert het Hof, de nationale rechter is niet gebonden aan de door de douane verrichte beoordeling, of door de aangedragen bewijsmiddelen. Het staat hem vrij om de relevantie ervan te beoordelen. Ook de betrokken partij kan het bewijs in twijfel trekken of met tegenbewijs komen. Het Europese Douanewetboek laat het aan de lidstaten om procesregels over bewijsmateriaal vast te leggen, zolang deze niet ongunstiger zijn dan procesregels in vergelijkbare nationale procedures.

Wel moet de nationale rechter volgens het Hof alle procedurele middelen aanwenden die hem in het nationaal recht ter beschikking staan, om te garanderen dat de procesrechten van betrokken partijen doeltreffend worden beschermd. Komt hij hierna alsnog tot de conclusie dat de opgegeven oorsprong van de knoflook onjuist is, dan is dit niet strijdig met het Handvest.

Het Hof voegt daaraan nog toe dat de vraag of de douaneautoriteiten moeten ingaan op een verzoek van de belanghebbende om onderzoeken te laten verrichten in een derde land, de vraag naar de relevantie in dit verband van het feit dat nog gedurende een beperkte tijd gedeelten van de monsters van de goederen zijn bewaard, en, zo ja, de vraag of de douaneautoriteiten de belanghebbende daarvan in kennis moeten stellen, moeten worden beantwoord op basis van de nationale procesregels.

Bron: Expertisecentrum Europees recht

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG HvJ EU over Beroepsgeheim van autoriteiten die toezicht uitoefenen op financiële dienstverrichters & recht van investeerders op toegang tot informatie

Conclusie van Advocaat-Generaal N. JÄÄSKINEN van 4 september 2014, zaak C‑140/13 (Altmann e.a.)

Feiten

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen betreffende het beroepsgeheim. Dit verzoek is voorgelegd in het kader van een geding tussen benadeelde investeerders en het Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht (Duits federaal bureau voor toezicht op financiële dienstverlening; „BaFin”) inzake een beschikking van het BaFin van 9 oktober 2012 tot weigering van toegang tot bepaalde documenten en informatie betreffende Phoenix Kapitaldienst GmbH Gesellschaft für die Durchführung und Vermittlung von Vermögensanlagen.

Verzoekers Altmann en twaalf anderen vertegenwoordigen een groep van meer dan 500 belanghebbenden. Zij zijn een zaak begonnen tegen het BaFin om erachter te komen op grond van welke documenten deze instelling een besluit heeft genomen over de betrouwbaarheid van Phoenix Kapitaldienst GmbH die sinds juli 2005 in staat van insolventie verkeert nadat door twee leidinggevenden beleggingsfraude en verduistering is gepleegd waarvoor zij inmiddels veroordeeld zijn. Ongeveer 30.000 beleggers dreigen gedupeerd te worden.

In juli 2012 heeft BaFin openheid van zaken gegeven met uitzondering van de gevraagde namen en telefoonnummers van medewerkers van het bedrijf. BaFin stelde oude niet op internet gepubliceerde jaarverslagen beschikbaar, maar niet het door Ernst & Young opgestelde speciale audit. Hij verdedigt dit door vooral te wijzen op de zowel in de Duitse wet op het kredietwezen als de Duitse wet op de effectenhandel genoemde geheimhoudingsverplichting.

Het door verzoekers gemaakte bezwaar tegen die weigering is afgewezen; daarbij bracht BaFin ook de bescherming van de intellectuele eigendom in stelling.

Verzoekers zijn in beroep gegaan omdat zij van mening zijn dat het in liquidatie verkerende Phoenix geen beschermenswaardig belang heeft voor geheimhouding van de gegevens die BaFin in bezit heeft.

Verwijzing

De verwijzende Duitse rechter haalt vaste Duitse rechtspraak aan over inachtneming van strikte geheimhoudingsverplichtingen ten aanzien van ambtelijke informatie (zoals in casu aan de orde). Om te beoordelen of sprake is van noodzakelijke geheimhouding is er een ‘in camera-procedure’, een niet-openbare zitting waarin alles om die vraag draait. Hij meent dat de DUI rechtspraak echter voor wat de geheimhoudingsverplichtingen betreft onverenigbaar is met EU-richtlijnen, en stelt twee vragen aan het HvJEU:

  1. Is het verenigbaar met het Unierecht dat dwingende geheimhoudingsverplichtingen voor de nationale autoriteiten die toezicht uitoefenen op financiële dienstverrichters, welke verplichtingen hun grondslag vinden in handelingen van Unierecht (in casu: de richtlijnen 2004/109/EG, 2006/48/EG en 2009/65/EG) en die zijn omgezet in het nationale recht – in de Bondsrepubliek Duitsland bij § 9 Kreditwesengesetz en § 8 Wertpapierhandelsgesetz – kunnen worden doorbroken door de toepassing en uitlegging van een nationaal procesrechtelijk voorschrift als § 99 Verwaltungsgerichtordnung?
  2. Kan een toezichthoudende autoriteit als de Bundesanstalt für Finanzdienstleistungs-aufsicht, ingeval zij krachtens het Informationsfreiheitsgesetz wordt verzocht om inzage te geven in informatie over een bepaalde financiële dienstverrichter, zich ook dan nog beroepen op de onder andere krachtens het Unierecht voor haar geldende geheimhoudingsverplichtingen, zoals nader uitgewerkt in § 9 Kreditwesengesetz en § 8 Wertpapierhandelsgesetz, wanneer het bedrijfsmodel van de betrokken onderneming die financiële diensten heeft aangeboden – die ondertussen evenwel wegens insolventie is ontbonden en zich in staat van vereffening bevindt – in wezen bestond in grootschalige beleggingsfraude en de bewuste benadeling van beleggers en de leidinggevenden van de onderneming bij gewijsde tot meerjarige gevangenisstraffen zijn veroordeeld?

Vraag

In de uitoefening van hun functie op grond van de verschillende richtlijnen ontvangen de autoriteiten die toezicht houden op de financiële sector een verscheidenheid aan informatie van de onder toezicht staande instellingen. In casu rijst de vraag of investeerders recht hebben op toegang tot deze informatie wanneer een frauduleuze beleggingsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd. Bovendien moet worden uitgelegd onder welke omstandigheden „vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar [mogen] worden gemaakt indien dat nodig is voor de afwikkeling van de procedure”.

Oordeel AG

Een bevoegde toezichthoudende autoriteit kan zich ten aanzien van een persoon die verzoekt om toegang tot informatie over een bepaalde beleggingsonderneming die intussen wegens insolventie is ontbonden en zich in staat van vereffening bevindt, beroepen op de krachtens het Unierecht op haar rustende geheimhoudingsverplichtingen, met name op het beroepsgeheim zoals bedoeld in artikel 54, lid 1, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad, van 21 april 2004, betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, niettegenstaande het feit dat het bedrijfsmodel van die onderneming bestond in grootschalige fraude en de bewuste benadeling van beleggers en dat meerdere leidinggevenden van die onderneming bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis tot meerjarige gevangenisstraffen zijn veroordeeld.

Wanneer een beleggingsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, kunnen vertrouwelijke gegevens, voor zover deze geen betrekking hebben op derden, hoe dan ook krachtens artikel 54, lid 2, van richtlijn 2004/39 slechts openbaar worden gemaakt in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures, indien dat nodig is voor de afwikkeling van de lopende procedure. Deze vertrouwelijke gegevens kunnen niet openbaar worden gemaakt ter onderbouwing van een later, op zichzelf staand beroep dat niet wordt ingesteld in het kader van een lopende civiele of handelsrechtelijke procedure.

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^