Uitspraak in zaak Vidgen van het verwijzingshof na geslaagde klacht bij EHRM en herziening Hoge Raad

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4354 De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 5 september 2003 de verdachte vrijgesproken ter zake van deelneming aan een criminele organisatie (feit 1) en veroordeeld ter zake van medeplegen van de uitvoer van XTC (feit 2) en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, bij arrest van 13 december 2004 de verdachte ter zake feit 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 juni 2006 het cassatieberoep verworpen en daarbij wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting gedurende het cassatieberoep de door het gerechtshof opgelegde gevangenisstraf verminderd tot vier jaren en drie maanden.

De verdachte heeft een klacht ingediend tegen Nederland bij het EHRM. Het EHRM heeft bij uitspraak van 10 juli 2012 geoordeeld dat de verdachte in Nederland geen eerlijk proces heeft gehad, omdat zijn recht om zelf een belastende getuige te kunnen ondervragen is geschonden.

Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM heeft verdachte een verzoek tot herziening ingediend.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 juni 2013 de aanvraag tot herziening gegrond verklaard, het arrest van het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, vernietigd en de zaak op de voet van artikel 472, eerste lid, in verbinding met artikel 471 Sv verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Ingevolge art. 476, vijfde lid, Sv doet het verwijzingshof opnieuw recht ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde uitspraken.

Beoordeling hof

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het de bedoeling was dat de motoronderdelen waarin de XTC is aangetroffen vanuit Duitsland zouden worden verscheept naar Australië, naar het adres van bedrijf X. Verdachte, die woonachtig was in Australië, heeft begin 2001 gesproken met getuige S over het gebruik van een deel van diens fabriekshal voor het op te richten bedrijf, bedrijf X. Vanaf medio juli 2001 tot medio oktober 2001 is verdachte naar Europa gekomen en in die periode heeft hij ook bij zijn vader in Amsterdam verbleven. Gedurende de periode in Nederland heeft hij in ieder geval contact gehad met medeverdachte A en medeverdachte M en is hij aanwezig geweest bij gesprekken tussen medeverdachte M, medeverdachte A en zijn vader. Ook heeft hij het adres van de fabriekshal van getuige S, zijnde het adres waarheen de motorblokken werden verzonden, telefonisch opgevraagd op verzoek van zijn vader, die nauw betrokken was bij het transport. Na zijn terugkomst in Australië op 18 oktober 2001 heeft verdachte, met geld dat hij van zijn vader had gekregen, contant enkele maanden huur aan getuige S betaald en deze ruimte daadwerkelijk in gebruik genomen. Aldus heeft hij de afzetlocatie voor de motorblokken geregeld. Medeverdachte M heeft verklaard dat verdachte zou meedelen in de opbrengst van de pillen.

Uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien volgt, naar het oordeel van het hof, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde.

De verweren

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

I Invoer in Australië niet ten laste gelegd

Het voorbereiden van doorvoer naar of invoer in Australië door het oprichten van een bedrijf of het beschikbaar houden van een plaats in Australië om de XTC in te voeren is niet begrepen onder de daaraan in tijd en plaats voorafgaande uitvoer uit Nederland naar Duitsland, zelfs wanneer ten laste gelegd is uitvoer als bedoeld in art. 1 lid 5 van de Opiumwet. Het gaat om twee duidelijk (ook in de zin van art 68 Sr) te onderscheiden feiten. Voor het medeplegen van de uitvoer uit Nederland naar Duitsland zoals ten laste gelegd ontbreekt ieder bewijs.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het plan was om XTC-tabletten vanuit Nederland via Duitsland verstopt in motorblokken te verschepen naar Australië. Het hof begrijpt, gelet op de bewijsmiddelen, de tenlastelegging aldus dat sprake was van het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de XTC-pillen met tussenbestemming Duitsland (waar de motorblokken ter verscheping in een container zouden worden verpakt) en eindbestemming Australië. Ten laste gelegd is het buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen; niet is ten laste gelegd het uitvoeren naar Duitsland.

Het hof verwerpt het verweer.

II Geen bewuste en nauwe samenwerking

Door de raadsman is aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte actief betrokken is geweest hij het plannen en uitvoeren van het ten laste gelegde feit of dusdanig betrokken is geweest bij zowel de planning als de uitvoering daarvan dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het plan was dat de motorblokken gevuld met XTC-tabletten naar Australië zouden worden verscheept. Voor zover uit de bewijsmiddelen en ook overigens uit het dossier blijkt, was verdachte de enige persoon in Australië die van dit transport (van de XTC-pillen) op de hoogte was. Weliswaar heeft verdachte niet aan de feitelijke uitvoer uit Nederland naar Duitsland deelgenomen, maar hij heeft wel geregeld dat er een opslagruimte in Australië beschikbaar was. Het regelen van een adres in Australië waarheen de motorblokken met daarin de XTC tabletten konden worden verzonden was een essentiële voorwaarde voor het doen uitvoeren van het (totale voorgenomen) transport. Immers zonder afleveradres in Australië konden de XTC-pillen niet worden afgezet op de kennelijk beoogde Australische markt van gebruikers. Verdachte heeft zulks geregeld en heeft zijn vader op de hoogte gebracht van het adres. Vervolgens is hij teruggekeerd naar Australië en heeft de huur van het desbetreffende pand geregeld en betaald. Medeverdachte M heeft verklaard dat de zoon van opa (zijnde verdachte) weet waar hij de spullen moet afhalen en verdachte en zijn vader samenwerken. Uit de verklaringen van medeverdachte M leidt het hof af dat verdachte wist dat er XTC-tabletten in de motorblokken werden verstopt. Verder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte een aanzienlijk bedrag (AUD 2.000,00 per maand) aan huur heeft betaald voor de loods. Dit bedrag staat niet in verhouding tot de opslag van slechts een handjevol motorblokken. Ook dit duidt erop dat de verdachte wist dat het om iets anders dan de motorblokken ging.

Voorts is gebleken dat verdachte samen met zijn vader een ontmoeting heeft gehad met medeverdachte M. De verklaring van verdachte dat hij weliswaar bij gesprekken aanwezig is geweest, maar niets daarvan heeft kunnen horen, acht het hof niet geloofwaardig. Voorts blijkt uit de verklaring van medeverdachte M dat verdachte, indien de export zou slagen, zou delen in de opbrengst van de XTC en wel in een mate (FL 1,50 per pil) die vergelijkbaar is met de medeplegers medeverdachte V (vader verdachte) (FL 1,- per pil) en medeverdachte A (FL 2,- per pil).

Gelet op bovenstaande heeft verdachte een zodanig belangrijke rol gehad in de taakverdeling rondom het ten laste gelegde transport dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

Het hof verwerpt het verweer.

III Verklaring medeverdachte M uitsluiten van bewijs

Door de raadsman is aangevoerd dat de belastende verklaringen van medeverdachte M ten overstaan van de politie (2002) ook na diens verhoor door de raadsheer-commissaris op 23 april 2015 niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, terwijl bij uitsluiting van deze verklaringen het wettig en overtuigend bewijs tegen de verdachte voor de ten laste gelegde uitvoer in welke deelnemingsvorm dan ook ontbreekt. Deze verklaringen vormen immers doorslaggevend bewijs voor het opzet van verdachte en kunnen daarom alleen worden gebruikt als de verdediging deze getuige effectief heeft kunnen ondervragen. Daarvan is geen sprake, nu de getuige heeft verklaard zich niets meer te herinneren. Het is dus tijdens het verhoor niet mogelijk geweest voor de verdediging om de beschuldigende verklaring van deze getuige op enige wijze inhoudelijk aan de orde te stellen.

De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat het ondervragingsrecht ten gevolge van aan de Nederlandse autoriteiten toe te rekenen omstandigheden (tijdsverloop ten gevolge van met een eerlijk proces strijdige veroordelingen) ineffectief en in feite illusoir is geworden.

Het hof overweegt het volgende.

Medeverdachte M heeft in 2002 tegenover de politie een bekennende verklaring afgelegd en daarbij ook verklaard over de betrokkenheid en het aandeel van zijn mededaders. Later tijdens verhoren in het kader van een rogatoire commissie en ter zitting van het hof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 6 augustus 2004 heeft medeverdachte M zich beroepen op zijn verschoningsrecht.

Na de verwijzing na herziening door de Hoge Raad is de getuige medeverdachte M op 23 april 2015 bij de raadsheer-commissaris gehoord in het bijzijn van de raadsman van verdachte. De getuige kon zich tijdens dat verhoor niet meer beroepen op zijn verschoningsrecht en de verdediging heeft toen de gelegenheid gehad om de getuige te ondervragen en tijdens het verhoor te observeren. De omstandigheid dat medeverdachte M op veel van de vragen heeft geantwoord dat hij zich niets meer daarover kan herinneren brengt op zich geen inbreuk mee op het ondervragingsrecht van de verdediging. Ook de omstandigheid dat deze getuige eerst na 15 jaar door de verdediging kon worden bevraagd evenmin. Het is inherent aan getuigenverklaringen dat door tijdsverloop de herinnering afzwakt, maar, het enkele tijdverloop brengt nog niet mee dat er geen inhoudelijke antwoorden op vragen hadden kunnen komen. Het is het hof niet gebleken dat de getuige weigerachtig is geweest op vragen te antwoorden en de verdediging heeft de gelegenheid gehad om de getuige te confronteren met zijn eigen eerder in het kader van deze strafzaak afgelegde verklaringen. De getuige is niet op die verklaringen terug gekomen. Het hof acht derhalve de verklaring van medeverdachte M zoals afgelegd tegenover de politie bij deze stand van zaken wel bruikbaar voor het bewijs en verwerpt het verweer. De raadsman heeft, voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat de belastende verklaring van medeverdachte M wel kan worden gebruikt, subsidiair verzocht om compensatie door middel van het horen van getuigen. Nu het hof van oordeel is dat de verdediging wel het ondervragingsrecht in de zin van art. 6 lid 3 sub d EVRM heeft kunnen uitoefenen is het eventueel ter compensatie laten horen van getuigen zoals de verhorende ambtenaren niet aan de orde.

IV Verklaring medeverdachte M onbetrouwbaar

Door de raadsman is aangevoerd dat de belastende verklaring van medeverdachte M d.d. 20 februari 2002 - kort gezegd - niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en bovendien onbetrouwbaar is.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer van de raadsman dat de belastende verklaring van medeverdachte M onvoldoende wordt ondersteund wordt naar het oordeel van het hof verworpen door de bewijsmiddelen waaruit, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, het bewezen verklaarde volgt.

Dat de verklaring van medeverdachte M onbetrouwbaar zou zijn, omdat hij een duidelijk motief had om verdachte te beschuldigen in verband met de door hem in Duitsland genoten strafkorting, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De getuige heeft onder ede door de raadsheer-commissaris gehoord, ook niet verklaard dat hij eerder – om in zijn eigen strafzaak eventueel een lagere straf te bekomen – tegenover de politie onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Anders dan de raadsman stelt is medeverdachte M inhoudelijk niet teruggekomen op zijn belastende verklaring. Voorts houdt de omstandigheid dat medeverdachte M eerder is veroordeeld ter zake van meineed niet per definitie in dat aan de betrouwbaarheid van deze verklaring van medeverdachte M tegenover de politie moet worden getwijfeld.

Omtrent zijn beweegredenen om te verklaren over zijn eigen aandeel en dat van medeverdachten heeft medeverdachte M het volgende gezegd in zijn verhoor op 20 februari 2002 (EXA/V03/02 dossierpagina 62):

“Vraag: waarom vertelt u ons dit allemaal?

Antwoord: Zoals ik al heb aangegeven, heb ik al ongeveer 8 - 9 maanden geleden tegen medeverdachte A gezegd dat ik ermee wilde ophouden. Zo eenvoudig is het echter niet om ermee op te houden, omdat je natuurlijk teveel weet. Op een bepaalde manier ben ik daarom blij dat het zo is gelopen en ik een streep kan trekken onder datgene wat in feite mijn leven heeft verwoest (…) Wat vooral belangrijk is, is om het misverstand uit de weg te ruimen dit ik hier (…) zit om mijzelf schoon te spreken, ik wil de verantwoording voor wat ik heb gedaan op mij nemen (…). Van de andere kant is mij echter ook zeer duidelijk dat het zeer gevaarlijk is, wat ik hier allemaal vertel.. Ik wil daarmee natuurlijk niet het leven van mijn familie en mijn vriendin op het spel zetten. Ik weet zelf dat dit kan gebeuren, ook wanneer anderen dat niet zo serieus nemen. Ik was lang genoeg met medeverdachte A samen en weet hoe explosief hij kan zijn.”

Deze verklaring van medeverdachte M, die op het hof een authentieke indruk maakt, duidt er niet op dat medeverdachte M valse verklaringen over medeverdachten heeft afgelegd om er zelf beter van te worden.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de (bekennende) verklaringen van medeverdachte M in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de opgenomen vertrouwelijke communicatie, telefoontaps en observaties, het in de woning van medeverdachte M aangetroffen briefje met het adres in Australië waarheen de XTC-pillen moesten worden vervoerd en de verklaring van getuige S die, in afwijking van wat verdachte zelf verklaart, bevestigt dat een lading motoronderdelen naar de door verdachte van getuige S gehuurde loods in Australië zou worden getransporteerd, aanvankelijk in november 2001 en, na uitstel, later in december 2001.

Het hof heeft derhalve geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van medeverdachte M te twijfelen.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verdachte heeft meegewerkt aan het plannen van een transport van een grote hoeveelheid (ongeveer 104 kilogram) XTC-tabletten, verstopt in motorblokken met de beoogde eindbestemming Australië. De inbeslaggenomen hoeveelheid XTC-tabletten vertegenwoordigt bovendien een aanzienlijk marktwaarde. Verdachte heeft welbewust gehandeld om, naar blijkt uit de bewijsmiddelen, er financieel beter van te worden. Hij heeft daarbij geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen van gezondheid en sociale veiligheid waartoe de productie van en handel in XTC leiden en voor de ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers van die tabletten.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 3 maanden.

Het hof ziet in de verstreken tijd sinds genoemd arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2006 geen reden om de straf verder te matigen, nu dit tijdsverloop inherent is aan de gevolgde procedure bij het Europese Hof. Sinds de beslissing van het EHRM op 10 juli 2012 is naar het oordeel van het hof de nodige voortvarendheid betracht in de herzienings- en verwijzingsprocedure. De Hoge Raad heeft, na indiening van de aanvraag tot herziening op 8 november 2012, binnen 7 maanden (op 4 juni 2013) op die aanvraag beslist. De verstreken tijd van 2 jaar en bijna 5 maanden voor de behandeling bij dit hof is, gelet op de door de raadsheer-commissaris gehouden verhoren, waaronder het verhoor van de verdachte middels een rogatoire commissie in Australië, niet onredelijk lang.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor het opzettelijk niet verstrekken van inlichtingen in verband met een bijstandsuitkering

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4394 Het hof spreekt de verdachte vrij van het opzettelijk niet verstrekken van inlichtingen in verband met een bijstandsuitkering. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde niet-opzettelijke variant ontslaat het hof de verdachte van alle rechtsvervolging nu hem daarvan geen rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt.

Achtergond

In de bewezen verklaarde periode ontving verdachte een bijstandsuitkering. Teneinde ‘uit de bijstandsuitkering te komen’ vatte verdachte het plan op om als zelfstandige te starten. Hij werd daarbij door of namens de gemeente Breda begeleid door naam 1 van instantie 1, naam 2 van de gemeente Breda, naam 3 van instantie 2 en naam 4 van de gemeente Breda.

De werkzaamheden die verdachte in dat traject zou ontplooien, bestonden onder meer uit het schrijven van boeken met als doel deze te verkopen. Daartoe had verdachte, via stichting 2 en stichting 1 een contract gesloten met uitgeverij. Het hof stelt vast dat de gemeente Breda en de achtereenvolgens bij het traject van verdachte betrokken ambtenaren of door de gemeente ingeschakelde derden hiervan op de hoogte waren. Ter illustratie hiervan kan dienen de omstandigheid dat de gemeente financieel heeft bijgedragen aan de vertaling van één van de door verdachte geschreven boeken, op rekening van stichting 2. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof steeds openheid van zaken gegeven over zijn werkzaamheden.

Het hof acht het op basis van het dossier voorts aannemelijk dat de verdachte, zoals hij consequent heeft verklaard, er met de gemeente over heeft gesproken, in de persoon van mevrouw naam 2, dat hij pas (mogelijke) inkomsten uit de verkoop van zijn boeken aan de gemeente zou opgeven, indien deze de daarmee samenhangende uitgaven zouden overstijgen. Die verklaring wordt immers ondersteund door de verklaring van naam 3 alsmede door de hiervoor gememoreerde omstandigheid dat de gemeente ervan op de hoogte was dat verdachte boeken schreef gericht op de verkoop waarbij beoogd werd dat verdachte in de toekomst geen uitkering meer nodig zou hebben. Ook overigens blijkt niet dat de gemeente, indachtig die omstandigheid, ooit bij verdachte heeft geïnformeerd of de door hem geschreven boeken (inmiddels) royalty’s genereerden.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan, naar het oordeel van het hof, aan verdachte geen rechtens relevant verwijt worden gemaakt van hetgeen is bewezen verklaard.

Het verweer slaagt derhalve, zodat het hof verdachte terzake het bewezen verklaarde zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Voorwaardelijke gevangenisstraf voor in voorraad hebben gehad van enkele dozen met valse merkkleding

Gerechtshof Den Haag 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2833 De verdachte heeft enkele dozen met valse merkkleding in voorraad gehad. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat hij een hoeveelheid ondergoed van het merk Björn Borg in voorraad had, die voor een aanzienlijk lagere prijs dan de gebruikelijke handelsprijs zou worden verkocht, ‘om arme mensen blij mee te maken’. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door aldus te handelen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze goederen valselijk van het merk Björn Borg waren voorzien, zodat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het in voorraad hebben van valse merkgoederen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor witwassen

Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4358 In onderhavige zaak is sprake van verschillende geldstromen. Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen. Eerste geldstroom: geen witwassen omdat er geen sprake is van uit misdrijf verkregen geld. Tweede geldstroom: verduistering door ex-directeur van de Nederlandse importeur van Subaru, geld derhalve wel afkomstig uit misdrijf, maar geen (opzet)witwassen omdat geen sprake is van wetenschap c.q. redelijkerwijs moeten vermoeden dat geld afkomstig is van enig misdrijf, doordat in de gegeven omstandigheden een andere plausibele verklaring aanwezig was.

Procesverloop

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 uren voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 26 februari 2010

het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte heeft tegen voornoemd arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 18 september 2012 voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.

Vrijspraak verduistering in dienstbetrekking

Het hof is - gehoord het requisitoir van de advocaat-generaal en het pleidooi van de raadsman - en gezien de stukken van het geding van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van medeplegen aan en medeplichtigheid van verduistering in dienstbetrekking.

Vrijspraak witwassen

De verdachte is directeur en enig aandeelhouder van bedrijf 1. Bedrijf 1 is vanaf 1989 bedrijf 3 dealer op grond van een dealercontract. Dagelijkse betalingen van bedrijf 1 werden in de periode die ten laste is gelegd gedaan door de verdachte alsmede door de echtgenote van de verdachte, de medeverdachte 1. Zij zorgde eveneens grotendeels voor de boekhouding van bedrijf 1.

De heer naam 1 was van 1 april 2002 tot en met 31 maart 2004 voorzitter van de raad van bestuur van N.V. bedrijf 3 Benelux. Hij werkte sedert 1980 bij bedrijf 3 Nederland B.V. Vanaf 1999

tot 1 april 2002 was hij directeur van bedrijf 3 Nederland. Hij zat tevens in de raad van bestuur van die onderneming. Als directeur was hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van bedrijf 3 Nederland.

Het moederbedrijf van N.V. bedrijf 3 Benelux is bedrijf 4, de hoofdaandeelhouder. Bedrijf 4 Europe (MAE) behartigt de Europese belangen van bedrijf 4. Naam 1 was tevens general manager van MAE. Hem was gevraagd dit bedrijf te helpen oprichten. De heer medeverdachte 2 was sinds 1996 hoofd van de boekhouding en sedert 2002 directeur accountboekhouder van bedrijf 3. Hij was onder andere verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken binnen bedrijf 3.

Eind/midden jaren negentig stond bedrijf 1 er financieel slecht voor. naam 1 heeft toen samen met de toenmalige accountmanager van bedrijf 3 - naam 2 - bij de bedrijf bank een regeling getroffen voor bedrijf 1. Nadat naam 2 met pensioen was gegaan is met de bedrijf overeengekomen dat medeverdachte 2 dit traject zou bewaken. medeverdachte 2 was de contactpersoon tussen de bankier, de verdachte en bedrijf 3 Benelux. Vanuit bedrijf 1 gaan in de periode van 1999 tot en met 2003 grote contante geldstromen naar bedrijf 3. Deze geldstromen kunnen op de navolgende wijze worden uitgesplitst:

Geldstroom A

Bedrijf 1 betaalt de auto’s die bedrijf 3 aan haar levert contant, waarbij opvalt dat bedrijf 1 op haar beurt grotendeels contant wordt betaald door haar afnemers. Ook als de afnemers van bedrijf 1 niet contant betalen wordt het geld niet overgemaakt, maar gedeeltelijk door de verdachte dan wel zijn echtgenote cash opgenomen bij de bank om het vervolgens cash aan medeverdachte 2 van bedrijf 3 te overhandigen.

Geldstroom B

Er wordt geld op de rekening van bedrijf 1 gestort door bedrijf 3. Dit geld wordt opgenomen door de verdachte dan wel zijn echtgenote waarna het vrijwel onmiddellijk in contante vorm wordt overhandigd aan medeverdachte 2.

Medeverdachte 2 heeft bekend vele miljoenen te hebben verduisterd. Hij heeft, aldus zijn verklaring, alles vergokt. Medeverdachte 2 is veroordeeld voor verduistering van vele miljoenen euro’s.

Geldstroom A

Over de contante betalingen door bedrijf 1 aan hem verklaart medeverdachte 2 dat het betalingsverkeer tussen bedrijf 1 en bedrijf 3 soms elektronisch, soms per verrekening en in het merendeel van de gevallen contant ging. De verdachte dan wel zijn echtgenote brachten dit geld naar hem, waarna hij dan wel de administratie het geld in ontvangst nam. Een bewijs van ontvangst werd veelal later getekend. Ze werkten veel op vertrouwen en uit de kwitanties in zijn bureau zal blijken wat hij verduisterd heeft, aldus medeverdachte 2. Deze wijze van handelen spruit voort uit problemen die bedrijf 1 in het verleden had met de bank, daarom werd alles vanaf toen cash gedaan. medeverdachte 2 verklaart voorts “Ik kreeg dit geld van bedrijf 1 omdat zij in de veronderstelling waren dat dit geld werd weggeboekt tegen openstaande facturen van bedrijf 3 aan bedrijf 1”. Deze methode is, aldus medeverdachte 2, niet bedacht om geld te kunnen verduisteren. medeverdachte 2 zag pas later de mogelijkheden hiervan.

De accountant van bedrijf 1, de heer naam 3, van bedrijf 5 Accountants te Rotterdam verklaart op de hoogte te zijn geweest van de liquiditeitsproblemen die er destijds waren. Hij was aanwezig bij de gesprekken die destijds gevoerd zijn met de bank. Ook verklaart hij dat hij al in het eerste jaar dat bedrijf 1 klant was (1998) gestuit was op contant betalingen aan de importeur bedrijf 3. Het idee was van de financieel directeur van bedrijf 3, de heer medeverdachte 2. naam 3 kreeg het idee dat de verdachte een groot vertrouwen had in bedrijf 3 Benelux en in de heer medeverdachte 2, welk vertrouwen volgens naam 3 ook wel begrijpelijk was, aangezien bedrijf 3 in de personen van naam 1 en medeverdachte 2 voor de betalingsregeling met de bank gezorgd hadden. Dat er grote sommen contant geld door bedrijf 1 naar Aalsmeer werden gebracht wist de accountant vanaf het eerste moment dat bedrijf 5 de jaarstukken samenstelde voor bedrijf 1.

Het hof is van oordeel dat aan deze contante betalingen een legale/geldige titel ten grondslag ligt. De verdachte en/of zijn medeverdachte betaalde(n) voor de producten/auto’s die aan bedrijf 1 waren geleverd. medeverdachte 2 trad daarbij op als vertegenwoordiger van bedrijf 3, bedrijf 1 ontving kwitanties, de accountant van bedrijf 1 was van dit alles op de hoogte en verwerkte een en ander in de boekhouding.

Nu deze geldstroom van bedrijf 1 naar medeverdachte 2/bedrijf 3 is gestoeld op een legale titel kan niet gezegd worden dat dat geld afkomstig is uit enig misdrijf. Van medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan verduistering is geen sprake, zodat reeds hierom geen sprake kan zijn van witwassen. Dat medeverdachte 2 op enig moment zich deze gelden is gaan toe-eigenen, maakt dit niet anders, dat moment ligt immers later. Dat bedrijf 1 door deze wijze van betalen mogelijk wanprestatie pleegde – gelet op de afspraken tussen bedrijf, bedrijf 3 en bedrijf 1 – ten opzichte van de bank lijkt waarschijnlijk, maar dat is strafrechtelijk irrelevant.

Geldstroom B

Het hof is van oordeel dat de verdachte ook in verband met deze geldstroom moet worden vrijgesproken van medeplegen van opzet- en schuldwitwassen. Geconcludeerd kan weliswaar worden dat de verdachte en zijn echtgenote wisten dat zij zowel de bank als het moederbedrijf van bedrijf 3 om de tuin aan het leiden waren teneinde bedrijf 1 te kunnen laten voortbestaan c.q. te laten groeien, maar dit houdt tevens in dat zij - tegen die achtergrond bezien - redelijkerwijs niet behoefden te bevroeden dat het geld dat zij ontvingen van en weer overdroegen aan medeverdachte 2/bedrijf 3 van misdrijf afkomstig was en naar medeverdachte 2 (en niet naar bedrijf 3) ging. Dit klemt temeer indien daarbij wordt betrokken dat medeverdachte 2 (en ook naam 1) binnen bedrijf 3 reeds jaren vooraanstaande posities aannamen. Dit laatste kan tevens verklaren waarom medeverdachte 2 de verdachte en zijn echtgenote - toen het niet goed voelde in oktober 2003 - toch kon overhalen het weer te doen. Ook hier kan gezegd worden dat verdachtes gedragingen civielrechtelijk wellicht niet in orde waren, maar dit levert strafrechtelijk geen witwassen op. Dit laatste geldt - naar het oordeel van het hof - ook voor overboekingen eind december 2003 en begin januari 2004 van geld van bedrijf 3 naar de Visa-rekening van medeverdachte 2. Immers, jarenlang was medeverdachte 2 in staat geweest binnen en buiten bedrijf 3 misbruik te maken van het hem geschonken vertrouwen, spelde hij een ieder van alles op de mouw, maar werd hij gezien als de ideale werknemer. Dit was het beeld dat de verdachte en zijn echtgenote van hem hadden en waardoor zij zich hebben kunnen laten overrompelen. Er is geen reden te veronderstellen dat zij deze betalingen niet ook gewoon aan de accountant van bedrijf 1 zouden hebben opgegeven (in de veronderstelling dat de betalingen aan bedrijf 3 ten goede waren gekomen) zodat van verhullen of verbergen als bedoeld in de artikel 420bis Sr geen sprake is. Dat de accountant deze betaling niet klakkeloos zou hebben geaccepteerd en dat medeverdachte 2 dan in de problemen zou zijn gekomen leidt (gezien het in de rekening-courantverhouding opnemen van het hiervoor aan de orde gekomen bedrag van € 11.500,00) naar het oordeel van het hof geen twijfel, ware het niet dat medeverdachte 2 inmiddels (al) bij bedrijf 3 was ontmaskerd.

Gedeeltelijke verjaring van het ten laste gelegde schuldwitwassen

Naar het oordeel van het hof volgt uit art. 71 Sr dat het misdrijf van schuldwitwassen zou zijn voltooid na het afgeven van de geldbedragen door de verdachte en de medeverdachte aan medeverdachte 2. Dit betekent dat alleen die bedragen buiten de verjaring vallen die zijn overgemaakt naar de credit card rekening van medeverdachte 2 op 30 december 2003 en 2 januari 2004. Voor het overige dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging voor dit ten laste gelegde feit, aangezien het recht tot strafvordering door een tijdsverloop van twaalf jaar is vervallen.

Vrijspraak schuldwitwassen

Het hof verwijst voor de bewijsoverwegingen ten aanzien van die betalingen die nog aan de orde zijn naar hetgeen daaromtrent is overwogen ter zake het witwassen.

Ook hier is de slotsom dat de verdachte moet worden vrijgesproken van schuldwitwassen.

Conclusie

Het hof verklaart het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk voor het ten laste gelegde schuldwitwassen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 19 oktober 2003 en verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling oplichting verzekeringsmaatschappij

Gerechtshof Amsterdam 20 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3782 De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van een verzekeringsmaatschappij door opzettelijk in strijd met de waarheid een Apple Macbook als gestolen op te geven. De verdachte heeft in strijd met de waarheid aan de politie en de verzekeringsmaatschappij gemeld dat zij eigenaar zou zijn van een van haar gestolen goed.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat hetgeen haar wordt verweten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte verzamelde haar aankoopbonnen in een schoenendoos. De neef, die de verdachte hielp met het invullen van de lijst met gestolen goederen, noemde de onderscheidenlijke aankoopbonnen stuk voor stuk op, aangezien de schrijf- en leesvaardigheid van de verdachte onvoldoende is. De verdachte gaf vervolgens aan of het goed gerelateerd aan de door hem genoemde aankoopbon al dan niet was gestolen. De neef vroeg bij het zien van de aankoopbon van het betreffende Apple Macbook of de verdachte een “Apple” had die mogelijk was gestolen. De verdachte had verscheidene Apple apparaten (en computers) en bevestigde dat er een Apple-product van haar gestolen was, niet bedoelende het betreffende Apple Macbook. Bij het invullen van de lijst met gestolen goederen was er dus reeds sprake van een misverstand.

Toen een medewerker van bedrijfsnaam langskwam om de schade vast te stellen, heeft de verdachte hem de hele schoenendoos met aankoopbonnen overhandigd. Voornoemde medewerker heeft de verdachte uitdrukkelijk meegedeeld dat kopiebonnen niet in behandeling zouden worden genomen. De verdachte ging er daarom vanuit dat de kopiebonnen in de schoenendoos niet gebruikt zouden worden en heeft daar verder niet te lang bij stilgestaan, omdat zij wist dat er reeds genoeg originele bonnen in de schoenendoos zaten om tot het maximaal uit te keren bedrag te komen. De verdachte had derhalve geen opzet de verzekeraar te bewegen of uit te lokken tot afgifte van enig goed met de (kopie) aankoopbon van het Apple Macbook, nog daargelaten dat de verzekeraar met een kopiebon (formeel) nergens toe kon worden bewogen. Voorts zou de “beweging” tot uitkeren hoe dan ook hebben plaatsgevonden, aangezien de verdachte genoeg originele bonnen had overhandigd om tot uitkering van het maximaal te vergoeden bedrag te komen. Het was voor de verdachte derhalve volstrekt onnodig om te sjoemelen met aankoopbonnen.

Achteraf is duidelijk geworden hoe de aankoopbon van de Macbook bij de verdachte in de schoenendoos terecht is gekomen. Naam 1, een vriend van de zoon van de verdachte, was bevriend met mevrouw getuige: de eigenaresse van het Apple Macbook. Het Apple Macbook van mevrouw getuige is door naam 1 getaxeerd bij de ex-man van de verdachte. Zodoende is er een kopie van de betreffende aankoopbon terecht gekomen bij de familie. Waarschijnlijk heeft de verdachte de aankoopbon in de schoenendoos gelegd en is zij er niet bewust van geworden wat voor bon het was, dan wel nam zij aan dat deze bon hoorde bij een van de computers van haar kinderen. Aldus steeds de raadsman.

Beoordeling hof

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De aanvullende aangifte van 21 september 2011, waarbij een goederenlijst van gestolen goederen is meegestuurd, is in samenspraak met de verdachte opgemaakt door haar neef. Op deze goederenlijst staat genoemd een Apple Macbook (laptop) met witte kleur en als bijzonderheid dat het een Intel core duo 2.4Ghz betreft.

De verdachte heeft vervolgens op 26 september 2011 bij de verzekeraar een schade-aangifte formulier ingediend met een verwijzing naar het politierapport in verband met de gegevens van de beschadigde en/of vermiste voorwerpen. Naar aanleiding hiervan is op 13 oktober 2011 een schade-expert bij de verdachte langsgekomen om de schade vast te stellen. De verzekeraar heeft in de aangifte verklaard dat tijdens het expertise-onderzoek de expert heeft gesproken met de verdachte. De verdachte heeft blijkens het rapport van de schade-expert het bezit van ontvreemde eigendommen aangetoond met aankoopnota’s, gebruiksaanwijzingen en contracten. Tevens heeft de verzekeraar in de aangifte verklaard dat de verdachte aan de expert kopieën ter hand stelde, waarmee zij het voormalig bezit van de ontvreemde goederen aantoonde. In overleg met de verdachte is vervolgens de schade ten aanzien van het Apple Macbook (wit) vastgesteld op € 999,00. Dat de verdachte een schoenendoos met aankoopnota’s aan de schade-expert zou hebben overhandigd, dan wel dat slechts originele aankoopfacturen konden worden overgelegd, volgt uit voorgaande geenszins.

Uit onderzoek is komen vast te staan dat de door de verdachte aan de schade-expert overgelegde aankoopbon van het Apple Macbook was vervalst. Op basis van het factuurnummer en de datum werd bekend dat op 8 januari 2011 het betreffende Apple MacBook was gekocht door de getuige. Op de originele aankoopbon stonden ook de n.a.w.-gegevens van de getuige, die op de door de verdachte overgelegde aankoopnota waren weggeretoucheerd. De getuige heeft verklaard de aankoopnota te herkennen en verder heeft zij het betreffende Apple MacBook nog in haar bezit.

Het hof volgt niet de lezing van de raadsman over de gang van zaken betreffende de route die de aankoopnota zou hebben gevolgd. Die lezing geeft hooguit antwoord op de vraag hoe de aankoopnota in het bezit van de verdachte is gekomen, maar verklaart in het geheel niet hoe het kan dat er een aankoopnota door de verdachte aan de schade-expert is overhandigd ter zake een door haar aangegeven gestolen voorwerp, waarbij de originele n.a.w.-gegevens zijn weggeretoucheerd en waarbij in overleg met de verdachte op grond van deze overgelegde nota de schade is vastgesteld.

Naar het oordeel van het hof volgt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat de verdachte, met het oogmerk om zich of een andere wederrechtelijk te bevoordelen, met een valse aangifte, een valse schadeclaim en een vervalste kopiefactuur de verzekeraar heeft bewogen over te gaan tot uitkering van een bedrag van tenminste € 999, terwijl zij daar in het geheel geen recht op had. Van enig misverstand ter zake een ander gestolen Apple product is overigens niet gebleken. De verdachte heeft immers, op de opmerking van de verbalisanten dat volgens de aangifte twee laptops en twee computers zijn weggenomen, geantwoord: “ja vier computers in totaal, waarvan twee laptops.

Bewezenverklaring

Oplichting

Strafoplegging

Taakstraf van 25 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^