Haags gemeenteraadslid veroordeeld voor meerdere delicten

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 26 mei 2015 in hoger beroep een gemeenteraadslid uit Den Haag veroordeeld, omdat hij een geheim stuk van de gemeente Den Haag ter beschikking heeft gesteld aan een journalist. Hij heeft dat gedaan door zijn persoonlijke toegangspas voor het besloten gedeelte van het stadhuis en de sleutel van zijn fractiekamer aan de journalist te geven, waarna de journalist het stuk uit de fractiekamer heeft opgehaald. Het hof vindt dat het raadslid zijn ambtsgeheim heeft geschonden en medeplichtig is geweest aan lokaalvredebreuk door de journalist. De rechtbank had het gemeenteraadslid en de journalist vrijgesproken van lokaalvredebreuk, maar het hof vond dit wel bewezen. Daarnaast heeft het gemeenteraadslid hennep verkocht aan minderjarigen. Ook had hij een alarmpistool in zijn huis. Het gemeenteraadslid is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De journalist is veroordeeld tot betaling van een geldboete van €1000,-.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: bewijsuitsluiting na onrechtmatige fouillering mede vanwege signaalfunctie

Gerechtshof Amsterdam 17 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1883

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 09 september 2014 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of heeft vervoerd (ongeveer) 997 gram en/of 1,38 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 5 pillen en/of tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de fouillering van de verdachte en de doorzoeking van de auto die hij bestuurde onrechtmatig zou zijn geweest. Dit zou een onherstelbaar vormverzuim opleveren in de zin van artikel 359a Sv en in dit geval moeten leiden tot bewijsuitsluiting.

Ook de advocaat-generaal heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van 359a Sv. Bij de opsporingsambtenaren die de verdachte op 9 september 2014 hebben aangehouden kon immers uit feiten en omstandigheden geen redelijk vermoeden van schuld aan een overtreding van de Opiumwet zijn ontstaan. Zij waren derhalve niet bevoegd het voertuig te doorzoeken, laat staan de verdachte te fouilleren, nu daarvoor ernstige bezwaren zijn vereist. Van het bestaan daarvan is niet gebleken. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof het vormverzuim louter moet constateren zonder hieraan (rechts)gevolgen te verbinden.

Het hof stelt op basis van het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2014 (doorgenummerde dossierpagina’s 3 – 5), het volgende vast.

De verbalisanten verbalisant 1, 2 en 3 hielden op 9 september 2014 de auto, met daarin de verdachte en medeverdachte, staande ter controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 omdat de kentekenplaat aan voorzijde van de auto ontbrak. De verdachte en medeverdachte legitimeerden zich op verzoek van verbalisant 1 en 2. Laatstgenoemde nam waar dat medeverdachte zijn paspoort met trillende hand overhandigde en dat hij ongevraagd verklaarde dat hij om 19:00 uur in Almere moest zijn voor een ouderavond. Nadat de verdachte erop was geattendeerd dat er geen kentekenplaat op de voorkant van de door hem bestuurde auto zat, deelde hij de verbalisanten mee dat hij op de Ruysdaelkade te Amsterdam was geweest en dat er daar door verschillende voertuigen naar hem werd getoeterd, kennelijk, naar hij inmiddels begreep, in verband met het ontbreken van de kentekenplaat.

De verdachte en medeverdachte kwamen nerveus op de verbalisanten over. Verbalisant 1 zag dat de verdachte zijn rijbewijs in zijn schoudertas zocht en daar lang over deed. Daarop vroeg verbalisant 1 de verdachte of hij een ander legitimatiebewijs had, waarop de verdachte hem zijn paspoort overhandigde. Enige tijd later vond de verdachte alsnog zijn rijbewijs in zijn schoudertas. De verdachte bleek drie telefoons bij zich te hebben. Desgevraagd door verbalisant 2 vertelde de verdachte dat hij met medeverdachte vanaf de Ruysdaelkade was gekomen en onderweg was naar Amsterdam-Oost. Bij verbalisant 2 rees het vermoeden dat één dan wel beide mannen een leugenachtig verhaal had(den) verteld, omdat de verklaring van de verdachte omtrent de bestemming afweek van die van medeverdachte. Bovendien bleek de verdachte in de politiesystemen ‘voor te komen’ in verband met mishandeling, woningoverval, oplichting, diefstal en inbraak (welke informatie overigens later onjuist bleek te zijn).

Op basis van het voorgaande, in combinatie met de ambtshalve wetenschap van de verbalisanten dat ‘criminelen’ verschillende telefoons bij zich plegen te dragen en dat er veel drugs gedeald worden rond de Ruysdaelkade, rees bij de verbalisanten het vermoeden dat de beide mannen zich schuldig maakten aan strafbare feiten zoals mogelijk handel in drugs, overtreding van de Opiumwet, en wellicht gewelddadige attributen bij zich hadden. Op grond van dit (subjectieve) vermoeden zijn de verbalisanten, zonder toestemming van de verdachte overgegaan tot doorzoeking van de auto en fouillering van de verdachte. Bij de fouillering trof verbalisant 3 in de kleding van de verdachte twee koffiefilters aan met wit poeder, bevattende cocaïne, en een zakje met vijf goudkleurige pillen met het opschrift ‘GOLD’. In de auto trof verbalisant 3 een plastic pakketje aan (met naar later bleek 997 gram van een materiaal bevattende cocaïne). Naar aanleiding hiervan werden de verdachte en medeverdachte aangehouden.

De vormverzuimen

De vraag die het hof allereerst dient te beantwoorden is of sprake is geweest van een rechtmatige doorzoeking van de auto en een rechtmatige fouillering van de verdachte.

Op grond van artikel 96, eerste lid, Sv is de opsporingsambtenaar bevoegd ter inbeslagneming de auto van de verdachte te doorzoeken. Daarvoor is noodzakelijk dat sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. Voor die verdenking is vereist een uit feiten en omstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.

Het hof is van oordeel dat de hierboven gerelateerde omstandigheden niet van dien aard waren dat een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet of van enig ander strafbaar feit aanwezig was. Weliswaar ontstond bij de verbalisanten door het gedrag van de verdachte en zijn bijrijder een subjectief vermoeden dat er iets niet in de haak was, maar dit vermoeden werd daarna onvoldoende – binnen een aanvaardbaar korte termijn – door feiten en omstandigheden geobjectiveerd. Dat blijkt ook uit het feit dat hen geen concreet strafbaar feit voor ogen stond toen zij tot de doorzoeking en fouillering overgingen. Dit betekent dat de doorzoeking van de auto niet rechtmatig is geweest.

Ten aanzien van het onderzoek aan de kleding van de verdachte geldt het navolgende. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet mag de politie een persoon bij het bestaan van ernstige bezwaren aan de kleding onderzoeken. Op basis van voornoemd proces-verbaal gaat het hof ervan uit dat verbalisant 3 eerst de verdachte heeft gefouilleerd en daarna de auto heeft doorzocht. Dit betekent dat het onderzoek aan de kleding van de verdachte niet rechtmatig is geweest.

Het hof concludeert dan ook dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek.

Overwegingen ten aanzien van de onrechtmatige doorzoeking van het voertuig

Op basis van het bepaalde in artikel 359a Sv en de daarop gebaseerde jurisprudentie geldt dat een onherstelbaar vormverzuim alleen dan tot bewijsuitsluiting kan leiden indien door het verzuim onder meer concreet nadeel voor de verdachte wordt veroorzaakt. Hiervan is niet gebleken. Gelet hierop zal het hof ten aanzien van de doorzoeking van de auto volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.

Het hof zal de verdachte evenwel vrijspreken van het ten laste gelegde bezit en vervoer van 997 gram cocaïne. Bewijs dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto ontbreekt namelijk. De enkele aanwezigheid van de cocaïne in de door de verdachte bestuurde auto (die toebehoorde aan zijn broer) is hiervoor onvoldoende. Evenmin is uit technisch onderzoek (dactyloscopisch onderzoek en/of onderzoek naar de samenstelling van de onderscheidenlijke cocaïne vondsten) een relatie tussen de verdachte en het verdovende middel vastgesteld. Het feit dat de verdachte andere verdovende middelen op zak had, maakt deze conclusie niet anders.

Overwegingen ten aanzien van de onrechtmatige fouillering

De wettelijke regels omtrent onderzoek aan kleding beogen de lichamelijke integriteit van personen te beschermen. De toepassing van dit dwangmiddel is daarom aan strikte voorwaarden verbonden.

Doordat in casu niet is voldaan aan deze strikte voorwaarden, is in aanzienlijke mate inbreuk gemaakt op belangrijke strafvorderlijke voorschriften, alsook op de grondrechten van de verdachte. Dit verzuim is ernstig, omdat de onrechtmatige toepassing van deze zware opsporingsbevoegdheden de lichamelijke integriteit van de verdachte fors hebben aangetast op een moment waarop hij redelijkerwijs niet als verdachte kon worden aangemerkt.

Het onderzoek aan de kleding van de verdachte heeft bovendien plaatsgevonden op een openbare plek waar doorgaans veel verkeer passeert. Hierdoor is de lichamelijke integriteit van de verdachte publiekelijk geschonden, hetgeen voor hem negatief en stigmatiserend is geweest. Het hof stelt vast dat het optreden van de verbalisanten louter gebaseerd was op algemene aannames en subjectieve indrukken en (voor)oordelen, een handelwijze die het hof, gelet op de inbreuk op de grondrechten van de verdachte en medeverdachte, verwijtbaar acht.

Het gevolg

In het licht van artikel 359a Sv ziet het hof zich thans gesteld voor de vraag welke rechtsgevolgen aan het hierboven geconstateerde onherstelbare vormverzuim dienen te worden verbonden.

In gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet aan de orde is, kan desondanks toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn indien er sprake is van een schending van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel. Bewijsuitsluiting kan in dergelijke gevallen dienen als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm.

Het hof zal de als gevolg van deze onrechtmatige fouillering verkregen verdovende middelen uitsluiten van het bewijs. De hiervoor omschreven aanzienlijke schending van de strafvorderlijke voorschriften en de daarmee gepaard gaande ingrijpende inbreuken op (tevens in het EVRM beschermde) grondrechten van de verdachte, vormen voldoende reden om tot bewijsuitsluiting over te gaan, gelet op de relatief geringe ernst van het onderhavige feit (te weten het aanwezig hebben van 1,38 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 5 pillen bevattende MDMA). Het hof acht bewijsuitsluiting eveneens noodzakelijk in het licht van de rechtsstatelijke waarborgen die fundamentele strafvorderlijke beginselen bieden, alsmede opdat inbreuken als de onderhavige in de toekomst zoveel mogelijk worden voorkomen.

De verdachte zal, gelet op het voorgaande, ook van het overige onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Straffen voor fraude met kinderopvangtoeslag

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 22 mei boetes tot €75.000, gevangenisstraffen van twaalf maanden en taakstraffen opgelegd in de strafzaken tegen twee mannen die in 2007 en 2008 met hun gastouderbureaus gefraudeerd hadden met kinderopvangtoeslagen. Door hun toedoen werd bij het aanvragen van kinderopvangtoeslagen opzettelijk onjuiste informatie aan de belastingdienst gegeven. Hierdoor is geld voor kinderopvang uitgekeerd zonder dat de ouders daar recht op hadden.

De advocaat-generaal van het OM had boetes en gevangenisstraffen van 3 en 4,5 jaar geëist, zoals eerder door de rechtbank opgelegd. De mannen werd vooral verweten dat er uren en tarieven onjuist waren opgegeven, dat niet aan de eisen van registratie door hun gastouderbureau was voldaan, dat verklaringen omtrent het gedrag ontbraken en dat er alles bij elkaar grote geldbedragen waren witgewassen. Het hof heeft lagere straffen opgelegd dan de rechtbank, omdat het hof minder feiten bewezen verklaart en vanwege de lange duur van het strafproces.

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof wijst de ontnemingsvordering af omdat uit het feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld (medeplegen valsheid) door haar geen voordeel is genoten

Gerechtshof Amsterdam 24 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1568 Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg bij requisitoir gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 43.877,19.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2009 veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift (feit 2).

Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 3 april 2014 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 33.507,02 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

Dit gerechtshof heeft de veroordeelde bij arrest van 13 april 2011 veroordeeld ter zake van medeplegen van witwassen (feit 1) en medeplegen van valsheid in geschrift (feit 2).

De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 april 2013 het arrest van dit gerechtshof van 13 april 2011 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van feit 1 en de strafoplegging en de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 april 2015 -na terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 16 april 2013- vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 33.507,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De grondslag voor ontnemen vereist dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van het gepleegde feit en/of andere feiten. De veroordeelde is door het hof bij arrest van 10 april 2015 veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift. De veroordeelde heeft meegewerkt aan het opmaken van een valse koopovereenkomst. Niet blijkt dat de veroordeelde uit deze valsheid in geschrift enig wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Het betreft overigens een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie is gesteld.

De medeveroordeelde medeverdachte, de ex-partner van de veroordeelde, is veroordeeld voor witwassen, het aanwezig hebben van hasjiesj en harddrugs alsmede overtreding van de Wet wapens en munitie. De ontneming van medeverdachte is gebaseerd op de aangetroffen hennepkwekerij en daarvoor is aan medeverdachte wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen.

De advocaat-generaal heeft gesteld dat de veroordeelde voordeel heeft genoten uit de strafbare feiten die medeverdachte heeft gepleegd. De ontnemingsvordering tegen de veroordeelde is berekend aan de hand van de abstracte methode (eenvoudige kasopstelling). Zij heeft meer geld uitgegeven dan zij legaal kan verantwoorden en dat surplus is derhalve te beschouwen als wederechtelijk verkregen voordeel, aldus de advocaat-generaal.

De raadsman heeft onder meer bepleit dat de gepretendeerde andere feiten die tot voordeel zouden hebben geleid voor zijn cliënte door het openbaar ministerie bewezen dienen te worden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat geen aanwijzing bestaat dat het feit waarvoor de veroordeelde veroordeeld is, te weten medeplegen van valsheid in geschrift, haar wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de vruchten van witwassen en criminele activiteiten van de ex-partner van de veroordeelde haar wederrechtelijk voordeel hebben opgeleverd ten belope van het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven in de eenvoudige kasopstelling en meent met deze constatering te kunnen volstaan.

Alvorens de omvang van het wederrechtelijk voordeel in ogenschouw te nemen, voor de berekening waarvan de eenvoudige kasopstelling zeer wel dienstbaar kan zijn, moet echter direct of indirect (strafrechtelijke) betrokkenheid van de veroordeelde bij die andere feiten, waarvoor haar partner is veroordeeld, aannemelijk zijn. Nu daarvoor voldoende aanwijzingen ontbreken -louter het constateren van een verschil tussen legale inkomsten en (te) hoge uitgaven is daartoe ontoereikend- komt het hof niet toe aan het bepalen van de omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel en dient de ontnemingsvordering te worden afgewezen. Andere door de raadsman naar voren gebrachte punten hoeven in dat licht bezien geen (nadere) bespreking.

Ten overvloede geldt nog dat -indien het bepalen van de omvang van het voordeel wel aan de orde zou zijn gekomen- de veroordeelde afdoende ter weerlegging van het bewijsvermoeden (art. 36e, derde lid, Sr), heeft verklaard en (met verklaringen) geschraagd aangaande het met de eenvoudige kasopstelling berekende surplus dat zij financieel door haar broer, partner en moeder werd ondersteund.

Het hof wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof ziet af van vervolging (medewerkers) Rabobank voor liborfraude: verwijst naar schikking van €70 mio en vervolging in buitenland

Gerechtshof Den Haag 19 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1204 Het Gerechtshof Den Haag heeft op 19 mei 2015 een klacht van klanten van de Rabobank in een artikel 12 strafvorderingsprocedure afgewezen. Spong diende vorig jaar, namens de stichting Justitia Distributiva en gedupeerde Rabobank-certificaathouders, een klacht in bij het hof tegen afdoening door het Openbaar Ministerie in de Libor-kwestie om de bank en verantwoordelijke medewerkers vervolgd te krijgen.

De betreffende Rabobankklanten houden die medewerkers, hun leidinggevenden, de Raad van Bestuur en de bank zelf strafrechtelijk aansprakelijk voor het uit eigen gewin manipuleren van de wereldwijd bepalende rentetarieven onder de naam Libor en Euribor. Ze voelen zich als klant met aan rente gekoppelde financiële producten daardoor benadeeld. Klagers maken bezwaar tegen de manier waarop het OM de zaak heeft afgedaan.

Het OM had samen met de Fiod en De Nederlandse bank en in samenwerking met buitenlandse justitiële autoriteiten en financiële toezichthouders onderzoek gedaan naar die manipulaties en aan de Rabobank een boete opgelegd van 70 miljoen euro. De bank heeft die boete betaald. Betrokken medewerkers die niet meer werken bij de bank worden door buitenlandse autoriteiten vervolgd. Het OM zag af van strafvervolging van de bankbestuurders en de betrokken medewerkers die nog bij de Rabo werken.

Het gerechtshof is het met klagers eens dat de rechtsorde en voor de financiële markt en alle deelnemers zo noodzakelijke rust en vertrouwen ernstig zijn geschaad. Dergelijke wereldwijd ingrijpende en schokkende malversaties in de financiële markt hadden aan de strafrechter moeten worden voorgelegd. Strafvervolging zou dus zijn aangewezen.

Om een aantal redenen geeft het hof echter niet het verlangde bevel tot vervolging. Ook nader strafrechtelijk onderzoek kan achterwegen blijven. Kort samengevat zijn dat de volgende redenen:

  1. Volgens het gerechtshof is de Rabobank als organisatie voor de internationale Libor-rentemanipulaties verantwoordelijk en strafbaar. Gelet op de aan de Rabobank wereldwijd opgelegde en betaalde boetes van in totaal 774 miljoen euro, waarvan 70 miljoen euro aan het OM, vindt het hof dat voorleggen aan de strafrechter nu geen toevoegde waarde meer heeft. Ook de strafrechter kan aan de organisatie niet veel anders dan een boete opleggen.
  2. Het hof oordeelt dat de toenmalige bestuurders van de Rabobank niet alert zijn geweest en dat naar de normen van de financiële toezichthouders bezien waarschijnlijk kritiek op zijn plaats is, maar dat naar de normen van het strafrecht gemeten niet kan worden vastgesteld dat deze bestuurders opzettelijk en uit eigen gewin of ernstig nalatig hebben gehandeld. Zij worden daarom niet vervolgd.
  3. Betrokken ex-medewerkers die in het buitenland worden vervolgd voor deze feiten kunnen niet ook in Nederlands voor dezelfde feiten worden vervolgd. Over andere ex-medewerkers heeft het OM nog geen sepotbesluit genomen, zodat een klacht over niet vervolging van deze betrokkenen niet ontvankelijk is.
  4. Betrokken medewerkers die nog wel voor Rabobank werken, zouden volgens het hof vervolgd moeten worden vanwege de ernst van de verdenkingen en de daarmee in onduidelijke verhouding staande opgelegde interne maatregelen. Strafvervolging op basis van het opgebouwde dossier is echter niet mogelijk. Dit heeft te maken met het feit dat er internationaal is samengewerkt tussen opsporingsautoriteiten en toezichthouders, waarbij niet altijd is voldaan aan de eisen van het strafprocesrecht met betrekking tot de vergaring van bewijsmateriaal. Een nieuw zuiver strafrechtelijk onderzoek is niet goed denkbaar nu zoveel essentiële gegevens en verklaringen al zijn vastgelegd en in brede kring bekend.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^