Artikel 9, vierde lid, onder b Scheepvaartreglement Westerschelde 1990; geen oplopend schip maar schip dat een vaargeul wil binnen varen met kruisende koerslijn

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:350

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 maart 2011 in de gemeente Reimerswaal en/of de gemeente Hulst, althans in Nederland, als schipper van het motortankschip "naam schip verdachte", daarmee heeft gevaren in het voor de scheepvaart openstaande en in het Rijk gelegen water, de Westerschelde, en toen met dat vaartuig een vaargeul is binnengevaren en/of geheel of gedeeltelijk is overgestoken, en daarbij de koerslijn van het zeeschip "naam zeeschip", dat in die vaargeul varende was en daarvan de richting volgde, heeft gekruist terwijl laatstgenoemd vaartuig daardoor verplicht werd koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen, en niet voor dat schip is uitgeweken, waarbij die schepen met elkaar in aanvaring zijn gekomen.

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 9, vierde lid, onder b, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 9. Gedrag in en buiten een vaargeul.

(…)

4. Behoudens het gestelde in artikel 18 (…)

a. (…)

b. mag een schip dat een vaargeul wil binnen varen de koerslijn van een schip dat in die vaargeul varende is en ervan de richting volgt niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen. Bij gevaar voor aanvaring moet het eerstgenoemd schip, daar waar het de vaargeul binnenvaart, uitwijken voor een schip dat de vaargeul volgt; (…).”

Door de verdediging is vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd:

  • dat er geen sprake is van kruisende koersen van het motortankschip “naam schip verdachte” en het zeeschip “naam zeeschip”;
  • dat er geen noodzaak bestond voor de “naam zeeschip” om koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen;
  • dat het de “naam zeeschip” was die de “naam schip verdachte” opliep, ook in de vaargeul, en daarom had moeten uitwijken voor de “naam schip verdachte”;
  • dat beide schepen afspraken hadden gemaakt, waaraan slechts de “naam zeeschip” zich niet heeft gehouden;
  • dat ook overigens niet “naam schip verdachte” maar de “naam zeeschip” het risico van aanvaring in het leven heeft geroepen door de eerder besproken manoeuvres uit te voeren, zich niet aan de gemaakte afspraken te houden en de “naam schip verdachte” niet te waarschuwen, welk risico zich heeft verwezenlijkt.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en in het bijzonder uit de op 21 januari 2015 ter zitting getoonde radarbeelden van het incident met daarbij het gelijktijdige marifoonverkeer tussen de schipper van de “naam schip verdachte” en de loods op de “naam zeeschip”, blijkt het volgende over de toedracht van de aanvaring.

Het zeeschip “naam zeeschip” is varende in de Westerschelde door de bocht van Bath stroomopwaarts, in de richting van Antwerpen, in de door groene en rode tonnen afgebakende (hoofd-)vaargeul. Het door verdachte gevaren motortankschip “naam schip verdachte” vaart dan in vaarwater, buiten de vaargeul, in de Schaar van de Noord, eveneens in de richting van Antwerpen.

De” naam schip verdachte” vaart op enig moment – terwijl beide schepen globaal in zuidelijke richting varen, de “naam schip verdachte” voorop - onder een koers die de door de “naam zeeschip” gevolgde koers kruist, in de richting van de hoofdvaargeul. De “naam zeeschip” vaart met een snelheid hoger dan de “naam schip verdachte” een koers die, gelet op koers en snelheid van de “naam schip verdachte” bij binnenvaren van de “naam schip verdachte” in de hoofdvaargeul volgens de loods van de “naam zeeschip” tot problemen kan leiden. De loods van de “naam zeeschip” neemt dan via de marifoon contact op met de schipper van de “naam schip verdachte”, dit is de verdachte. Op de mededeling van verdachte dat hij de hoofdvaargeul zal invaren maar dicht langs de groene kant (stuurboord/rechts) zal blijven, deelt de loods mee dat de “naam zeeschip” meer naar de groene kant zal gaan, teneinde ruimte te maken voor een tegemoet varende grote afvaart. De “naam schip verdachte” vaart vervolgens ter hoogte van boei 81A de hoofdvaargeul in en wordt direct daarop voorbijgevaren door de “naam zeeschip”. Vervolgens maakt de “naam zeeschip” terwijl de schepen zeer dicht naast elkaar varen nog een koerswijziging naar bakboord (links), waarna de rechterzijde (stuurboordzijde) van de “naam zeeschip” in aanraking komt met de linkerzijde (bakboordzijde) van de “naam schip verdachte”.

Het hof stelt, mede op basis van hetgeen de ter zitting gehoorde deskundige heeft verklaard, vast dat uit deze toedracht volgt dat de “naam schip verdachte” met een koers die de koers van de in de hoofdvaargeul varende “naam zeeschip” kruiste, derhalve met een kruisende koerslijn als bedoeld in artikel 9 van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990, vanuit het vaarwater de (hoofd-)vaargeul binnen is gevaren, ten gevolge waarvan de “naam zeeschip” met de koerswijziging die door de loods op de “naam zeeschip” nodig geacht werd om het tegemoetkomend afvarend zeeschip de ruimte te geven, in aanvaring is gekomen met de “naam schip verdachte’’.

Dat er sprake is van kruisende koersen, blijkt ook, zoals ook de deskundige ter terechtzitting heeft verklaard, uit de lijnen op de radarbeelden die op basis van de koers van beide schepen de te volgen koers weergegeven. Deze lijnen kruisen elkaar.

De verdediging heeft aangevoerd dat de “naam zeeschip” ten opzichte van de “naam schip verdachte” een oplopend schip was. Volgens artikel 13, eerste lid, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 moet elk schip, dat een ander schip oploopt, uitwijken voor het schip dat wordt opgelopen.

Het hof verwerpt dit verweer.

Artikel 13, negende lid, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 bepaalt dat dit artikel niet van toepassing is op een schip dat binnen de vaargeul een buiten de vaargeul varend schip oploopt en omgekeerd.

Deze situatie deed zich hier voor. Immers de “naam zeeschip” voer binnen de vaargeul en de “naam schip verdachte” buiten de vaargeul.

Het begrip ‘vaargeul’ wordt in artikel 2 onder d, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 omschreven als: “het gedeelte van het vaarwater dat betond of bebakend is”.

Ter betonning of bebakening van een vaargeul worden, overeenkomstig het Maritiem betonningssysteem van de International Association of Lighthouse Authorities (IALA) uitsluitend groene en rode tonnen gebruikt. Gele tonnen duiden op een incidenteel gevaar en bebakenen niet mede een vaargeul. Dit betekent voor het onderhavige geval dat, toen de “naam schip verdachte” ter plaatse in het vaarwater tussen de groene tonnen aan bakboord en de gele tonnen aan stuurboord voer, dit schip niet in de vaargeul (tussen de groene en rode tonnen) voer.

Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte de gedragsregel van artikel 9, vierde lid, onder b, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 heeft overtreden.

Ten aanzien van de communicatie tussen beide schepen en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden volgens de verdediging, overweegt het hof mede op grond van wat de deskundige ter zitting heeft verklaard, het volgende.

Het is juist de “naam zeeschip” geweest die ter waarschuwing contact heeft opgenomen met de “naam schip verdachte”, terwijl het omgekeerde, hoewel geen voorschrift, meer voor de hand had gelegen. Immers de “naam schip verdachte” was voornemens de hoofdvaargeul binnen te varen en kende de snelheid en koers waarmee de “naam zeeschip” naderde en wist dat de “naam zeeschip” ongehinderde vaart moest worden verleend. Dit hield tevens in dat de “naam schip verdachte” niet ervan mocht uitgaan dat de “naam zeeschip” bij zijn koersbepaling ook nog rekening zou houden met de “naam schip verdachte”. De “naam zeeschip” heeft juist gewaarschuwd dat hij dichter langs de groene kant, de kant waar ook de “naam schip verdachte” zich bij binnenvaren van de vaargeul zou bevinden, zou komen in verband met een afvarend zeeschip. Het is vervolgens aan het schip in de vaargeul te bepalen welke koers zal worden gevolgd om een tegemoetkomend zeeschip eveneens vrije vaart te verlenen.

Dat, zoals de deskundige desgevraagd heeft verklaard, zijns inziens een iets andere koerswijziging voor de “naam zeeschip” mogelijk zou zijn geweest doet daaraan niet af. Temeer omdat de deskundige de gevolgde koers van de "naam zeeschip" gelet op die afvaart en de moeilijke omstandigheden ter plaatse begrijpelijk en verstandig achtte.

Bewezenverklaring

Overtreding van de regels gesteld bij artikel 9, vierde lid sub b, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Ontvankelijkheid van een machtiging tot het instellen van hoger beroep. Wie zijn bevoegd om een machtiging te tekenen?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:783

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep dient te worden verklaard nu de machtiging aan de griffiemedewerker van de rechtbank Gelderland om de appelakte op te maken kennelijk niet is ondertekend door de raadsman. Bij de handtekening op de fax aan de griffiemedewerker waarin deze wordt gemachtigd tot het instellen van het hoger beroep staan immers de letters “i/o” geschreven.

Naar het oordeel van de advocaat-generaal blijkt daaruit dat deze machtiging niet door de gemachtigd advocaat is ondertekend en is niet voldaan aan de eis dat de volmacht aan de griffiemedewerker door de gevolmachtigde advocaat is gegeven.

Het hof overweegt als volgt:

Het instellen van het hoger beroep tegen een beschikking als hier aan de orde kan ingevolge de artikelen 449 en 450 Wetboek van Strafvordering geschieden onder andere door tussenkomst van een advocaat, indien deze verklaart daartoe door verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Deze advocaat kan ingevolge het bepaalde in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering door middel van een bijzondere schriftelijke volmacht een griffiemedewerker machtigen het hoger beroep in te stellen.

Blijkens de mededeling van de raadsman van verdachte tijdens de behandeling in raadkamer heeft mr. [advocaat], op 26 januari jl. als gemachtigd raadsvrouw van verdachte, telefonisch contact met de griffie opgenomen met het oog op het instellen van hoger beroep tegen de hiervoor bedoelde beschikking. Bij die gelegenheid is afgesproken dat het instellen van het hoger beroep - bij gebreke van een op dat moment op de griffie aanwezige advocaat die confraternele hulp kon verlenen - door middel van een schriftelijke machtiging aan de griffier zou plaatsvinden. Vervolgens is bij fax van diezelfde datum - dus tijdig - een machtiging gezonden aan de griffier om hoger beroep in te stellen tegen deze beschikking. Deze fax is volgens mededeling van de raadsman van verdachte tijdens de behandeling in raadkamer “i/o [advocaat] ”- het hof begrijpt: in opdracht van mr. [advocaat] - ondertekend door een medewerker van het kantoor van mr. [advocaat].

Het hof heeft geen reden aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door de raadsman geschetste gang van zaken te twijfelen. Naar het oordeel van het hof kan er geen onzekerheid over bestaan dat een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat de bijzondere schriftelijke volmacht heeft verleend. Dat mr. [advocaat] de fax niet zelf heeft ondertekend doet daar niet aan af .

Verdachte is derhalve ontvankelijk in het hoger beroep.

Het hof is na onderzoek gebleken dat de gronden waarop de rechtbank het bevel tot gevangenhouding van verdachte heeft gegeven ook thans nog bestaan, zodat de beschikking van de rechtbank, voor zover daarvan beroep is ingesteld, met overneming van de gronden dient te worden bevestigd.

Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 71 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof bevestigt de beschikking voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM niet-ontvankelijk: eerder al boete opgelegd door Arbeidsinspectie voor dezelfde feiten

Gerechtshof Amsterdam 10 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4232

De raadsman heeft in onderhavige zaak betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdachte wordt vervolgd ter zake van een feit, waarvoor op 16 september 2010 door de Arbeidsinspectie al een boete van € 12.000 is opgelegd en, in aansluiting op hetgeen het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 22 september 2014 heeft bepaald, het instellen van een strafvervolging voor hetzelfde feit als waarvoor eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, in strijd is met het wettelijk stelsel, in het bijzonder het ne bis in idem-beginsel, het una via-beginsel en artikel 243, tweede lid Sv.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgelegde bestuurlijke boete niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staat op de grond dat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, nu de ratio legis van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen een geheel andere is dan die van artikel 197b Sr: de overtreden norm van de Wet arbeid vreemdelingen betreft het laten verrichten van arbeid in Nederland door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, waarmee oneerlijke concurrentie wordt tegengegaan, en die is wezenlijk anders dan de norm van artikel 197b Sr dat ziet op de bestrijding van illegaal verblijf van vreemdelingen in Nederland.

De advocaat generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de opgelegde bestuurlijke boete wel een rol kan spelen bij de straftoemeting en heeft - gelijk de beslissing van de politierechter in eerste aanleg - toepassing van artikel 9a Sr gevorderd.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt.

Bij de stukken bevindt zich een boetebeschikking van 16 september 2010 van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarbij een boete van € 12.000 is opgelegd aan mevrouw eigenaresse restaurant, “v.h.o.d.n. [restaurant]”. De boete is blijkens de beschikking opgelegd na een inspectie in de onderneming aan voornoemd adres op 9 juni 2010. Bij deze inspectie werd geconstateerd dat artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen werd overtreden ten aanzien van drie vreemdelingen, onder wie getuige. Deze vreemdelingen verrichtten arbeid bestaande uit het bereiden van gerechten, het snijden van groenten, afwassen en schoonmaken.

De feiten die aan de onderhavige tenlastelegging ten grondslag liggen, zouden zijn gepleegd in de periode van 1 juni 2010 tot en met 9 juni 2010 en hebben betrekking op beweerdelijk verrichte werkzaamheden door getuige in het restaurant van eigenaresse restaurant.

Artikel 2, eerste lid, Wet arbeid vreemdelingen (WAV) verbiedt een werkgever een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Artikel 197b Sr stelt strafbaar een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is.

Artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) luidt: “Indien terzake van het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd (…), heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging.”

Ingevolge artikel 255 Sv kan het openbaar ministerie alleen in het geval van nieuwe bezwaren, of wanneer het gerechtshof na een klacht op grond van artikel 12 Sv de vervolging alsnog beveelt, vervolgen voor een feit waarvoor al een bestuurlijke boete is opgelegd. In deze bepalingen heeft het zogeheten una via-beginsel uitdrukking gekregen. Aangenomen moet worden dat voor het begrip “feit” in artikel 255 Sv aangeknoopt moet worden bij het begrip “hetzelfde feit” in artikel 68 Sr.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van hetzelfde “feit” moet worden gekeken naar a) de juridische aard van de feiten, waarbij van belang is de mate van verschil tussen de verschillende strafbare feiten, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, en b) de gedraging van de verdachte met dien verstande dat, indien het om verschillende gedragingen gaat, de mate van verschil tussen de gedragingen van belang is, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

In het onderhavige geval zijn de feitelijke gedragingen van de verdachte naar het oordeel van het hof dezelfde als de gedragingen die tot de oplegging van de bestuurlijke boete hebben geleid. Het gaat er immers om dat de verdachte getuige in haar restaurant op 9 juni 2010 (en de periode daaraan voorafgaand) werkzaamheden in de keuken heeft laten verrichten.

Voorts is naar het oordeel van het hof het met artikel 2 WAV beschermde rechtsgoed niet dermate verschillend van het met artikel 197b Sr beschermde rechtsgoed dat niet gesproken kan worden van hetzelfde feit, nu beide bepalingen zien op (onder meer) het bestrijden van de tewerkstelling van illegale vreemdelingen en beide bepalingen kunnen worden bezien als onderdeel uitmakend van het vreemdelingenbeleid en de uitvoering daarvan.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat het tenlastegelegde feit hetzelfde feit is waarvoor eerdere een bestuurlijke boete is opgelegd zodat, nu geen sprake is van nieuwe bezwaren of een bevel als bedoeld in artikel 12i Sv, artikel 255 Sv in de weg staat aan de onderhavige strafvervolging.

Het openbaar ministerie dient dan ook niet-ontvankelijk in zijn vervolging te worden verklaard.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens Bijstandsfraude

Gerechtshof Amsterdam 28 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3984

Verdachte heeft jarenlang nagelaten aan DWI te melden dat zij -naast haar uitkering- de beschikking had over twee bankrekeningen en dat daarop inkomsten werden gestort voor werkzaamheden betaald uit het Persoonsgebonden Budget van haar zoon. Hierdoor is het voor DWI onmogelijk geweest, met inachtneming van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden, het recht van de verdachte op een uitkering dan wel de juiste hoogte of duur hiervan te bepalen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep begrijpt het hof dat de verdachte bedoeld heeft het verweer te voeren dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat gebruik is gemaakt van ongeoorloofde opsporingsmethodes in het onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI), waardoor zij in ernstige mate in haar belangen is geschaad.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat het DWI - laat staan opsporingsambtenaren dan wel ambtenaren van het Openbaar Ministerie - doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft gehandeld, waardoor aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. Het hof verwerpt het verweer.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De tenaamstelling van rekeningnummers

De verdachte heeft verklaard dat de ING-rekening met rekeningnummer 2 wel op haar naam stond, maar dat dit is te wijten aan een fout van de ING-bank. De ING-bank had die rekening op naam van haar zoon verdachte moeten zetten en dat is niet gebeurd. In plaats daarvan is de rekening aanvankelijk op naam van de verdachte gezet, waarna de bank dit nadien heeft gewijzigd in een “en/of”-rekening van de verdachte met zoon verdachte als mederekeninghouder. De verdachte meent dat haar dit niet valt te verwijten. Een zelfde situatie heeft zich volgens de verdachte voorgedaan ten aanzien van de ABN AMRO-rekening met rekeningnummer 1. Ook deze rekening had op naam van zoon verdachte moeten worden gezet.

Het hof overweegt met betrekking tot de tenaamstellingen van opgenoemde bankrekeningen het navolgende. Het hof acht het zeer onwaarschijnlijk dat zowel de ABN AMRO-bank als de ING-bank een fout heeft gemaakt met betrekking tot de tenaamstelling van voornoemde bankrekeningnummers. Het hof constateert dat voornoemde ING-rekening aanvankelijk bijna twee jaar slechts op naam van de verdachte heeft gestaan, waarna dit tussen 17 april 2008 en 15 mei 2008 is gewijzigd in een zogeheten “en/of rekening” ten name van de verdachte en haar zoon verdachte. Een dergelijke wijziging kan slechts plaatsvinden in opdracht van de rekeninghouder. Dat de bank toen wederom een fout zou hebben gemaakt komt het hof zeer onwaarschijnlijk voor. Dit geldt te meer daar de verdachte de tenaamstelling “en/of rekening” in stand heeft gelaten terwijl er nadien ten aanzien van deze rekening nog steeds transacties door de verdachte zijn verricht.

Ten aanzien van de gestelde fout aan de kant van de ABN AMRO-bank overweegt het hof dat deze stelling in strijd is met de door de verdachte afgelegde verklaringen bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg, inhoudende dat zij deze rekening heeft geopend zodat zij daarop geld voor haar zoon verdachte kon sparen omdat hij niet goed met geld kon omgaan. Ook ten aanzien van deze rekening geldt dat de verdachte de tenaamstelling op haar naam in stand heeft gelaten.

Het vermogen op bankrekeningen met de bankrekeningnummers 2 en 1

De verdachte heeft verklaard dat de bankrekening met rekeningnummer 1 weliswaar op haar naam staat, maar dat het geld dat daarop werd gestort van haar zoon verdachte is. De verdachte heeft betoogd dat hetzelfde geldt voor het geld dat op bankrekening rekeningnummer 2 werd gestort. Ook dit vermogen behoorde zoon verdachte toe. Dientengevolge kon de verdachte hier naar eigen zeggen niet over beschikken.

Het hof verwijst evenals de rechtbank naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waaruit volgt dat het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene, dit de vooronderstelling rechtvaardigt dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Dit heeft te gelden tenzij aannemelijk wordt dat het tegendeel het geval is.

Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte niet over de tegoeden op voornoemde bankrekeningen kon beschikken. Uit het dossier en uit de verklaringen van de verdachte blijkt dat zij wel degelijk over genoemde tegoeden kon beschikken en beschikte. Uit de bankafschriften van de bankrekening met rekeningnummer 1 blijkt dat in de ten laste gelegde periode regelmatig contant geld op deze rekening werd gestort. Uit de bankafschriften van de ING-rekening met rekeningnummer 2, met de verdachte als enig rekeninghouder, blijkt dat zij ook meermalen transacties met deze rekening heeft verricht. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij het Persoonsgebonden Budget (het zogenaamde PGB) van de rekening van haar zoon verdachte opnam en dit geld vervolgens op een andere rekening stortte. Of het geld nu feitelijk aan haar zoon verdachte toebehoorde of aan de verdachte doet niet ter zake, nu de verdachte als heer en meester over die gelden kon beschikken.

De mededeling van de bijstandsconsulent

De verdachte heeft gesteld dat een bijstandsconsulente werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) haar heeft medegedeeld dat zij mocht sparen voor haar zoons en dat zij zulks niet behoefde op te geven bij DWI.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Wat er ook zij van een mondelinge mededeling gedaan door een medewerkster van DWI, uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat de verdachte bekend was met de op haar rustende verplichting om veranderingen in haar financiële situatie bij DWI te melden. Dat zij bekend was met deze verplichting volgt tevens uit de aan de verdachte geadresseerde rectificatie van het besluit van 9 mei 2008 dat haar op 26 mei 2008 is toegezonden en waarin in het kader van de op de verdachte rustende inlichtingenplicht op een drietal verplichtingen wordt gewezen onder andere de verplichting om DWI onmiddellijk te informeren als iets in de omstandigheden van de verdachte verandert wat invloed kan hebben op haar arbeidsinschakeling of uitkering, zoals onder andere een wijziging in haar inkomsten of vermogen.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op: in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op die verstrekking of tegemoetkoming danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Klap voor Financiën in zwartspaarderszaak: Hof vernietigt aanslagen in tipgeverzaak

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft uitspraak gedaan in de belastingzaak die aanleiding is geweest voor de president van dit gerechtshof om strafrechtelijk aangifte te doen. Die strafrechtelijke aangifte is in deze belastinguitspraak verder niet aan de orde.

De belastinguitspraak

In de belastinguitspraak zijn belastingaanslagen vernietigd die waren opgelegd naar aanleiding van informatie die door het ministerie van Financiën is gekocht van een tipgever. De informatie heeft volgens de tipgever betrekking op verzwegen spaarrekeningen bij een bank in Luxemburg.

Het hof heeft de belastingaanslagen vernietigd omdat de inspecteur naar het oordeel van het hof op onrechtmatige wijze heeft geweigerd de naam van de tipgever bekend te maken. Het hof acht deze weigering onrechtmatig, omdat de inspecteur zich ter zitting van het hof zonder voorbehoud heeft neergelegd bij een eerdere beslissing van de rechtbank dat de naam van de tipgever bekend moet worden gemaakt.

Op grond van de wet kan het hof aan deze onrechtmatige weigering de gevolgen verbinden die naar zijn oordeel het best aansluiten bij de ernst van het onrechtmatige gedrag van de inspecteur. Het hof vindt dat vernietiging van de belastingaanslagen een passende gevolgtrekking is, omdat de rechtsorde ernstig is geschokt.

Niet alleen mag van een belastinginspecteur, als vertegenwoordiger van de Nederlandse overheid, worden verwacht dat hij de bevelen van een rechter uitvoert, maar door de weigering om te verklaren over de identiteit van de tipgever zijn ook de belanghebbenden in deze belastingzaak te zeer geschaad in hun mogelijkheden om  zich te verweren tegen de aan hen opgelegde belastingaanslagen.

Strafrechtelijke aangifte

De strafrechtelijke aangifte betreft niet de inhoud van het geschil bij (de belastingkamer van) het gerechtshof, maar gaat over de verdenking dat in deze zaak getuigen namens het ministerie van Financiën zijn geïnstrueerd om ten overstaan van de rechter te zwijgen. Het is aan het Openbaar Ministerie om onderzoek te (laten) doen en te bepalen of iemand als verdachte van een strafbaar feit kan worden aangewezen.

Print Friendly and PDF ^