Terugbetalingsverplichting vastgesteld op nihil omdat curator de vermogensbestanddelen in het faillissement heeft kunnen betrekken

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:112

De veroordeling

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 23 september 2014 onder parketnummer 20-003881-11 tot straf veroordeeld. Ten laste van veroordeelde is bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 19 september 2006 tot en met de maand maart 2007 in Nederland en in Oostenrijk, terwijl hij verdachte, bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 19 september 2006 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers baten van hem, verdachte, niet heeft verantwoord en goederen aan de boedel heeft onttrokken door:

  • zijn, verdachtes aandeel in het eigendomsrecht van een in Kaprun (Oostenrijk) gelegen onroerend goed en een of meer girale bedragen aan geld tot een totaal bedrag groot € 760.000,- of daaromtrent, in elk geval een of meer girale bedragen aan geld (D-260, p.1-17) en
  • een vordering van hem, verdachte, op zijn echtgenote groot € 235.000,- op grond van een door hem, verdachte met zijn echtgenote aangegane cessie-overeenkomst gedateerd 29 april 2005,

niet op te geven aan en ter beschikking te stellen van de curator en buiten het bereik en beheer van de curator te brengen en te houden.”

Kort gezegd heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door het verzwijgen van voormelde drie vermogenbestanddelen tegenover de curator.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen, het geschattewederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 1.135.000,- en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd:

  • primair tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering;
  • subsidiair tot ongegrondverklaring van de ontnemingsvordering;
  • meer subsidiair tot nihilstelling van de betalingsverplichting.

Ontvankelijkheid

De verdediging heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering omdat deze vordering in strijd is met de Aanwijzing opsporing en vervolging faillissementsfraude. Voorts worden de belangen van de schuldeisers van de gefailleerde veroordeelde bij een toewijzing van de vordering geschaad.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Veroordeelde is op 19 september 2006 in staat van faillissement verklaard. Naar aanleiding van een aangifte van de curator in dat faillissement is een strafrechtelijk onderzoek jegens veroordeelde ingesteld. In 2012 is onderhavige ontnemingsprocedure jegens veroordeelde aanhangig gemaakt.

In de Aanwijzing opsporing en vervolging faillissementsfraude (hierna: Aanwijzing) is weliswaar opgenomen dat het indienen van een ontnemingsvordering tegen een gefailleerde verdachte niet geïndiceerd is omdat dit in het nadeel werkt van de boedel en de schuldeisers, maar dat laat onverlet de zelfstandige bevoegdheid van het openbaar ministerie om daartoe in voorliggende gevallen tóch over te gaan. Het enkele handelen in afwijking van de Aanwijzing kan dan ook, naar het oordeel van het hof, niet leiden tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ook hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot een schending van de belangen van de schuldeisers van een gefailleerde veroordeelde leidt niet tot een ander oordeel.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de ontnemingsvordering en het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel als volgt moet worden geschat.

Het hof neemt, voor zover hierna niet anders wordt vermeld, voor de schatting tot uitgangspunt het proces-verbaal van ambtshandeling op 19 oktober 2007.

Het voordeel uit de drie voormelde vermogensbestanddelen wordt als volgt vastgesteld:

  • het aandeel van veroordeelde in het eigendomsrecht van een in Kaprun (Oostenrijk) gelegen onroerend goed;

Veroordeelde is met zijn echtgenote eigenaar van het onroerend goed in Oostenrijk. Uit een door beiden ondertekende koopovereenkomst blijkt dat zij dit onroerend goed op 8 september 2006 hebben gekocht voor een bedrag van € 900.000,-. Daarbij hebben zij tevens de verplichtingen uit een hypothecaire geldlening van € 620.000,- overgenomen.

De overwaarde op dit onroerend goed bedroeg dan ook (€ 900.000 -/- € 620.000,- = ) € 280.000,- waarvan de helft aan veroordeelde is toe te rekenen derhalve € 140.000,-.

De verdediging heeft betoogd dat de waarde van het onroerend goed na 19 september 2006 inmiddels tot € 750.000,- zou zijn gedaald en het voordeel daarmee evenzo. Het hof verwerpt dit verweer omdat het miskent dat een dergelijke waardedaling voor risico en rekening van de veroordeelde blijft.

  • girale geldbedragen;

Op de datum van het faillissement van veroordeelde op 19 september 2006 bedroeg het positieve saldo op bankrekeningnummer van de Raiffeisenbank Bruck te Oostenrijk: € 249.972,20. Nadien is gebleken van de navolgende bijschrijvingen op deze bankrekening:

Transactiedatum Bedrag bij

  • 18 oktober 2006 € 500.000,-
  • 25 oktober 2006 € 18.000,-
  • 9 maart 2007 € 2.000,-

Totaal € 520.000,-.

In totaal betreft het derhalve een bedrag van ( € 249.972,20 + € 520.000,- = ) € 769.972,20. Dit bedrag wordt door het hof, evenals in voormeld proces-verbaal, afgerond op € 760.000,-.

Het hof zal de helft van voormeld voordeel (€ 760.000,- / 2 = ) € 380.000,- aan veroordeelde toerekenen.

  • een vordering van veroordeelde op zijn echtgenote groot € 235.000,- op grond van een door hem met zijn echtgenote aangegane cessie-overeenkomst d.d. 29 april 2005.

Uit een “akte schuldigerkenning tevens akte van cessie, alsmede verplichting tot medewerking aan zekerheidstelling” d.d. 29 april 2005 volgt dat veroordeelde zijn aandeel in een vordering op naam bedrijf voor een bedrag van € 235.000,- verkoopt aan zijn echtgenote. Zij zal dit bedrag aan veroordeelde verschuldigd zijn vanaf het moment dat hij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, door betaling in tien jaarlijkse termijnen.

De verdediging heeft betoogd dat, nu veroordeelde de vordering pas kan opeisen vanaf het moment dat hij 65 jaar wordt, dit hem geen voordeel kan hebben opgeleverd.

Het hof verwerpt dit verweer. Een vordering van veroordeelde op zijn echtgenote, zoals opgenomen in voormelde akte, behoort tot het vermogen van veroordeelde en heeft enige waarde, ook indien deze vordering niet direct opeisbaar is.

De waarde van die vordering is evenwel niet per definitie gelijk aan het aandeel van veroordeelde in de vordering op naam bedrijf, zoals de advocaat-generaal stelt. Bij het ontbreken van nadere (financiële) gegevens is het hof evenwel niet in staat die waarde vast te stellen.

Het verweer van de raadsman slaagt in zoverre.

Samenvattend

Uit het vorenstaande volgt na te melden geschat wederrechtelijk verkregen voordeel:

  1. aandeel in eigendomsrecht onroerend goed: € 140.000,-
  2. girale geldbedragen: € 380.000,-

Het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel stelt het hof derhalve vast op € 520.000,-.

De verdediging heeft nog betoogd dat de ontnemingsvordering ongegrond dient te worden verklaard omdat door het verzwijgen van vermogensbestanddelen veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Immers de curator is alsnog achter het bestaan van die vermogensbestanddelen gekomen en heeft deze op enig moment in het faillissement betrokken.

Het hof verwerpt dit verweer omdat het miskent dat het gaat om de vaststelling van het voordeel verkregen op het moment van voltooiing van het misdrijf (in casu de bedrieglijke bankbreuk). De omstandigheid dat de curator hierna alsnog achter het bestaan van de vermogensbestanddelen is gekomen en deze in het faillissement heeft betrokken is derhalve voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregenvoordeel niet relevant.

Op te leggen betalingsverplichting

Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de curator alsnog achter het bestaan van de door de gefailleerde veroordeelde verzwegen vermogensbestanddelen is gekomen en deze in het faillissement heeft betrokken niet relevant is voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dat neemt echter niet weg dat de omstandigheid dat de curator deze vermogensbestanddelen alsnog in het faillissement heeft betrokken een rol kan spelen bij de bepaling van de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting.

Uit de brief van de curator d.d. 17 oktober 2007 volgt dat hij op de hoogte is van het bestaan van voormelde door de veroordeelde verzwegen vermogensbestanddelen. Het hof gaat er van uit dat de curator op enigerlei wijze deze vermogensbestanddelen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers te gelde zal maken en stelt vast dat hij daartoe reeds (juridische) acties heeft ondernomen.

Het hof heeft geen zicht op hoe en op welke termijn het faillissement zal worden afgewikkeld. Vaststaat wel dat het faillissement te zijner tijd wegens gebrek aan baten zal worden opgeheven. Het hof acht het in dat geval niet in het belang van de schuldeisers dat de Staat zich na die opheffing als concurrente schuldeiser zal gaan mengen onder degenen die nog geld tegoed hebben van veroordeelde. Daarbij komt dat het bedrag dat de Staat van veroordeelde vordert feitelijk reeds door de curator van de gefailleerde veroordeelde aan laatstgenoemde wordt “ontnomen” en bestaat uit vermogensbestanddelen die tot de faillissementsboedel behoren.

Gelet daarop zal het hof de betalingsverplichting op nihil vaststellen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verweer uitkeringsfraude verworpen

Gerechtshof Amsterdam 4 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4572

Het hof acht, evenals de politierechter, bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode een uitkering ontvangen, zonder aan de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) door te geven dat zij in die periode een vermogen had, bestaande uit onroerend goed en een voertuig, dat zij was getrouwd en dat zij voor langere tijd in Marokko verbleef. Door die gegevens niet door te geven aan DWI heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden.

De stelling van de verdachte dat zij niet wist of vermoedde dat zij deze gegevens aan DWI dan wel de Sociale Dienst te Amsterdam (SD) moest verstrekken, acht het hof niet geloofwaardig. Het hof overweegt in dit verband dat het een feit van algemene bekendheid is dat de bijstandsuitkering als laatste vangnet fungeert voor een ieder die niet bij machte is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Dat van degene die een beroep op die uitkering doet wordt verwacht dat hij of zij inzage geeft in zijn of haar financiële positie, is evident. Te meer daar het vanzelf spreekt dat veranderingen in de financiële positie van degene die een uitkering ontvangt, door het vergaren van een vermogen dan wel door een huwelijk, gevolgen hebben voor de vaststelling van het recht op verstrekking dan wel voor de hoogte en duur van die verstrekking. Het vorenstaande geldt evenzeer ten aanzien van het door verdachte niet opgegeven verblijf in het buitenland.

Het hof betrekt daarbij de verklaring van de verdachte dat het haar bekend was dat zij vermogen in Nederland aan DWI moest opgeven, en haar verklaring dat zij heeft nagelaten toestemming te vragen aan DWI om naar het buitenland te gaan.

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand en een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren verricht, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen.

Het hof is, met de politierechter, van oordeel dat het langdurig misbruik maken van de sociale voorzieningen een ernstig feit oplevert waarop met de oplegging van een gevangenisstraf dient te worden gereageerd. Het hof acht het, gelet op het huidige verblijf in het buitenland van de verdachte niet opportuun de verdachte, zoals de politierechter heeft gedaan, tevens een taakstraf op te leggen. Gelet daarop acht het hof een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Hof besluit tot nader onderzoek in zaak Twentse ex-neuroloog

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) heeft vandaag tussenarrest gewezen in de strafzaak tegen de Twentse ex-neuroloog J. Hij wordt onder meer verdacht van het opzettelijk stellen van onjuiste diagnoses bij patiënten. Daardoor zou één patiënt zijn overleden en de gezondheid van een aantal anderen zijn benadeeld.

Onderzoekswensen verdediging

De verdediging heeft op de regiezitting van 18 december 2014  twee verzoeken ingediend tot nader onderzoek. Het eerste verzoek betreft het instellen van een onderzoek door de neuroloog prof. dr. M. Vermeulen.

Verder heeft de verdediging verzocht om aanvullend psychologisch, psychiatrisch en neurologisch onderzoek bij verdachte.

Standpunt OM

Het openbaar ministerie  heeft geen onderzoekswensen geformuleerd. De advocaat-generaal acht een onderzoek door prof. Vermeulen niet nodig, maar heeft geen bezwaar tegen aanvullend onderzoek bij verdachte.

Beoordeling hof

Het gerechtshof ziet bij gebrek aan een voldoende onderbouwing geen noodzaak om het verzoek tot het benoemen van een –vijfde- deskundige toe te wijzen.

Wel acht het hof nader onderzoek van de persoonlijkheid van verdachte wenselijk. De zaak wordt daarvoor verwezen naar de raadsheer-commissaris.

Vooropgesteld dat dit onderzoek tegen die tijd zal zijn afgerond is de inhoudelijke behandeling gepland voor 18, 20 en 21 mei 2015.

Print Friendly and PDF ^

Witwassen van door hypotheekfraude verkregen bouwdepot. Beroep op verschoonbare dwaling verworpen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9858

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het valselijk doen opmaken van authentieke akten om zo hypotheken te verkrijgen voor de aankoop van diverse woningen als beleggingsobjecten. Het hof rekent het verdachte aan dat hij door het opmaken van onjuiste jaarrekeningen en een valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomst misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in dergelijke schriftelijke stukken. Daarnaast heeft verdachte, door valse verklaringen, onjuiste authentieke akten laten opmaken.

Door en namens verdachte is er een beroep gedaan op verschoonbare dwaling. Het hof verwerpt dit beroep. Het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit, dat verdachte niet wist of begreep, dat verlening van hypotheekgarantie (de Nationale Hypotheek Garantie regeling) niet mogelijk was, als het niet ging om eigen bewoning, maar om aankoop voor belegging. Het hof is van oordeel, dat verdachte er niet op mocht vertrouwen, dat de gang van zaken, waarin hij vragen van de notaris in strijd met de waarheid (blindelings) met “ja” moest beantwoorden. rechtens aanvaardbaar was. Verdachte heeft dus bewust op vragen van de notaris in strijd met de waarheid geantwoord en bewust in strijd met de waarheid in de akten onware feiten doen opnemen. Dat kan slechts te kwader trouw zijn geschied. Dan kan verdachte niet te goeder trouw hebben gehandeld overeenkomstig gegeven adviezen, waarbij in het midden wordt gelaten, of die adviezen wel voldoende gezaghebbend waren.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar proeftijd, en een taakstraf voor de duur van 240.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak notaris medeplegen van valsheid in geschrift

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:10058

Aan verdachte wordt verweten dat hij als kandidaat-notaris documenten (die onder het primair ten laste gelegde zijn aangemerkt als authentieke akten en onder het subsidiair ten laste gelegde zijn aangeduid als geschriften) heeft opgesteld, waarin staat vermeld dat een zeeschip door de scheepswerf (bedrijf1) geleverd wordt aan de Finse rechtspersoon (bedrijf2), respectievelijk dat het schip door de Finse rechtspersoon geleverd wordt aan een Nederlandse scheepvaartonderneming (zijnde een commanditaire vennootschap). Dit heeft zich ten aanzien van de levering van een viertal zeeschepen voorgedaan.

Volgens de tenlastelegging werd het zeeschip echter in werkelijkheid niet geleverd aan de Finse rechtspersoon, maar werd het rechtstreeks vanaf de scheepswerf aan de betreffende CV geleverd. Een en ander was bij verdachte volgens de tenlastelegging bekend.

Met de door verdachte opgestelde documenten van de levering van de schepen aan de Finse rechtspersoon is vervolgens ten onrechte een subsidie aangevraagd, aldus de tenlastelegging.

Vrijspraak primair

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de onder het primair ten laste gelegde genoemde documenten geen authentieke akten betreffen, zodat het hof verdachte daarvan zal vrijspreken.

Vrijspraak subsidiair

Verdachte heeft verklaard dat de scheepswerf, de Finse rechtspersoon en de in de tenlastelegging genoemde CV’s zich tussen 2000 en 2002 meermalen tot hem hebben gewend met het verzoek om in zijn hoedanigheid als kandidaat-notaris documenten op te stellen aangaande de door partijen overeengekomen leveringen van in totaal een viertal zeeschepen door de scheepswerf aan de Finse rechtspersoon en de doorlevering van diezelfde zeeschepen door de Finse rechtspersoon aan de betreffende CV.

Verdachte heeft verklaard dat dit zogenaamde ABC-leveringen betroffen, welke veelvuldig voorkomen in zijn praktijk. Ter zitting van het hof heeft verdachte ook meerdere voorbeelden genoemd van alledaagse ABC-leveringen. Hij heeft aangegeven dat een dergelijke levering in de vastgoed sector zeer gangbaar is. De redenen daartoe zijn legio en kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in een persoonlijke behoefte van een koper/verkoper bij het bewaren van zijn anonimiteit.

Het hof ziet geen aanknopingspunten om aan de door verdachte uiteengezette dagelijkse praktijk te twijfelen. Het hof is het met de verdediging eens dat het enkele feit dat sprake is van een ABC-levering geen bewijs oplevert dat sprake is van een schijnconstructie.

Verdachte heeft ter terechtzitting voorts aangegeven dat zijn kantoor bij de levering is betrokken in verband met de hypotheekstelling van de schepen. Om hypotheek op het schip te kunnen verlenen en aldus zekerheid te kunnen verschaffen aan de kredietverlener, was teboekstelling van het schip op naam van de betreffende CV noodzakelijk. Ten bewijze dat de CV eigenaar was geworden dienden de Bills of Sale tussen respectievelijk de werf en de Finse rechtspersoon en tussen de Finse rechtspersoon en de CV. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij voor de wijze van opstellen van de Bills of Sale de in dit geval (wereldwijd) gebruikelijke standaardopmaak heeft gehanteerd, namelijk aparte documenten voor de levering van de schepen tussen de scheepswerf en de Finse rechtspersoon en aparte documenten voor de daaropvolgende levering tussen de Finse rechtspersoon en de respectievelijke CV’s.

Verdachte heeft verklaard dat het opmaken van één document waarin de leveringen tussen alle drie partijen worden vastgelegd bij dit type leveringen niet gebruikelijk is.

Gelet op de omstandigheid dat als er sprake is van een schijnovereenkomst er geen sprake kan zijn van een geldige titel en dus van een schijnzekerheidsstelling voor de hypotheekverstrekker (omdat hij dan niets aan zijn zekerheidsstelling heeft), heeft verdachte onderzoek gedaan naar de redenen voor de gekozen constructie. Verdachte heeft navraag gedaan bij partijen naar hun bedoelingen en belangen bij de door hen overeengekomen ABC-leveringen met betrekking tot de eerste twee schepen (naam1 en naam2). Partijen vertelden hem in antwoord op zijn vragen dat de schepen in opdracht van de Finse rechtspersoon zijn gebouwd, maar dat dit bedrijf uiteindelijk de schepen niet (alle vier) gefinancierd kreeg. Het bedrijf leverde de schepen derhalve door aan een CV die ze wel gefinancierd kon krijgen. Verdachte heeft voorts aangegeven naar mogelijk nadeel voor de bank of de fiscus te hebben gekeken. Een en ander gaf verdachte geen aanleiding tot het doen van nader onderzoek. De enkele omstandigheid dat één van de partijen in het buitenland zetelde maakte dat voor verdachte niet anders gelet op het internationale karakter van de scheepvaartpraktijk. Verdachte heeft tevens aangegeven dat het gebruikelijk en zelfs wenselijk is dat de documenten van de levering en de doorlevering zo snel mogelijk na elkaar worden getekend. Dit dient om het (persoonlijke) financiële risico voor de B-partij, in dit geval de Finse rechtspersoon, zo klein mogelijk te houden.

Ter onderbouwing van hun onderlinge afspraken met betrekking tot de laatste twee zeeschepen, genaamd naam5 (naam4) en naam6 (ook wel genoemd naam3) hebben partijen aan verdachte een overeenkomst overgelegd, die zij met elkaar hadden gesloten en welke was opgesteld door een ander notariskantoor in 1999/2000.

Verdachte constateerde op grond van die overeenkomst dat de scheepswerf de schepen had verkocht zowel (eerst) aan de Finse rechtspersoon als (later) aan de CV. Omdat dit problemen op kon leveren voor de overdracht van het eigendom van de schepen en derhalve ook voor het te vestigen recht van hypotheek, heeft verdachte aan partijen nadere vragen gesteld over hun redenen om de schepen eerst te leveren aan de Finse rechtspersoon, in plaats van een directe levering aan de CV.

Daarbij heeft verdachte van partijen te horen gekregen dat de redenen van de gekozen ‘omweg’ van levering aan de Finse rechtspersoon in plaats van directe levering aan de CV scheepvaartondernemingen, gelegen was in de oorspronkelijke afspraak tussen de scheepwerf en de Finse rechtspersoon om de schepen af te nemen, zoals was overeengekomen in de aan verdachte overgelegde overeenkomst uit 1999/2000. Partijen hebben aan verdachte verteld dat de Finse rechtspersoon (ook) ten aanzien van deze beide schepen financieringsproblemen had gekregen, waardoor die partij haar afspraken niet kon nakomen. Om te voorkomen dat overeengekomen boeteclausules in werking zouden treden, hebben partijen toen besloten om de overeengekomen levering tussen de Finse rechtspersoon en de scheepswerf toch na te komen, zij het dat de schepen rechtstreeks zouden worden betaald door de betreffende CV aan de scheepswerf.

Verdachte heeft voorts verklaard dat er tevens een goede reden was om een aparte overeenkomst van doorlevering van het schip op te maken, omdat daarmee voorkomen zou worden dat er later geschillen zouden kunnen ontstaan over de geldigheid van de eigendomsoverdracht van de schepen.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de beweerdelijke verklaringen van partijen aan verdachte als niet plausibel of inconsistent zouden moeten worden aanmerkt, zodat van een verdergaande onderzoeksplicht dan die waaraan verdachte heeft voldaan in zijn hoedanigheid als notaris geen sprake was.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uit brieven van verdachte (D128 en D249) blijkt dat hij wel degelijk op de hoogte was van de omstandigheid dat er een subsidie aangevraagd zou worden door één van de partijen en dat verdachte daarom onderzoek had moeten doen naar de voorwaarden voor deze subsidie alsmede naar een mogelijke fraude bij het aanvragen van deze subsidie. Had verdachte onderzoek gedaan, dan had hij geweten dat het leveren van de schepen aan een buitenlandse rechtspersoon, zoals hier het geval was, een van de voorwaarden was om in aanmerking te komen voor een subsidie, zoals is genoemd in de tenlastelegging. Dan had hij ook kunnen weten dat de tussenkomst van die buitenlandse rechtspersoon slechts een schijnconstructie was, om de subsidie op te strijken, aldus de advocaat-generaal.

Verdachte heeft verklaard dat hij in het algemeen wist dat er een subsidie was aangevraagd, maar van de bijzonderheden daarvan en van de betreffende regeling was hij niet op de hoogte.

Het hof overweegt dat uit voornoemde brief weliswaar blijkt dat verdachte wist dat er een subsidie was aangevraagd, maar dat niet is gebleken dat verdachte ook wist welke subsidie het betrof en wat de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van die subsidie waren. Gelet op het door partijen aan verdachte gepresenteerde verhaal, waaruit niet bleek dat een aan te vragen subsidie van enige relevantie was voor de door verdachte te verrichten werkzaamheden, terwijl er ook geen aanknopingspunten waren voor vermoedens van fraude, in welke vorm dan ook, is het hof van oordeel dat op verdachte geen verdergaande verplichting rustte om een onderzoek in te stellen naar die subsidieaanvraag en een eventuele fraude daarmee.

De door de advocaat-generaal aangehaalde eindafrekeningen bewijzen evenmin dat verdachte wetenschap had van een eventuele schijnconstructie. Verdachte heeft ter zitting van het hof een aannemelijke uitleg hiervoor gegeven, namelijk dat deze stukken zo zijn opgesteld vanwege het door zijn kantoor voor de boekhouding gebruikte software systeem voor het beheren van derdengelden. Het systeem dat daar destijds voor werd gebruikt beschikte over beperkte mogelijkheden voor het invoeren van afrekeningen binnen ABC-constructies. Nu verdachte bij elk schip onder tijdsdruk opereerde heeft hij ervoor geopteerd binnen de software alleen de A-partij (de scheepswerf) en de C-partij (de CV) “aan te vinken”. Nu de B-partij toch niets meer zou moeten betalen of ontvangen leek dat een meer aangewezen weg, dan de meer omslachtige methode van het opmaken van een aparte excel-sheet waarin dan wel sprake zou zijn geweest van een weergave van de specifieke gang van zaken, maar die de betrouwbaarheid van de boekhouding van de derdengelden zou verminderen. Daarnaast wijst ook de tekst van één van de afrekeningen erop dat deze niet zijn opgemaakt om aan een frauduleuze constructie mee te werken. De voor de scheepswerf (die de subsidie ontving) bestemde afrekening betreffende het schip “naam4” vermeldt als koper “bedrijf2/bedrijf5”. Indien verdachte inderdaad het opzet had documenten op te maken voor fraude met subsidie, zou het niet voor de hand liggen om ook bedrijf5 als koper op de afrekening te vermelden.

De door de advocaat-generaal aangehaalde verklaring van getuige dat verdachte geweten moet hebben dat de levering aan de Finse rechtspersoon een schijnconstructie betrof, acht het hof niet bruikbaar voor het bewijs, aangezien dit een conclusie van de getuige betreft, terwijl haar redenen van wetenschap niet blijken en deze verklaring ook geen steunt vindt in enig ander bewijsmiddel.

De overige door de advocaat-generaal in het requisitoir aangehaalde documenten bewijzen evenmin dat verdachte wetenschap had van een de door de advocaat-generaal gestelde onjuiste voorstelling van zaken door partijen.

Daargelaten de vraag of de door verdachte opgemaakte documenten een juiste voorstelling van zaken geven, is het hof, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap had van een dergelijke eventuele valsheid. Daardoor ontbreekt het vereiste opzet. Door het opstellen van de door partijen verzochte documenten heeft hij zich derhalve niet schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^